De Slag om Khe Sanh was een 77 dagen durend beleg, uitgevochten rondom de Mariniersbasis Khe Sanh, nabij de gedemilitariseerde zone tussen Noord- en Zuid-Vietnam. Het was een onderdeel van het Tet-offensief, en was een van de eerste conventionele veldslagen tussen de Vietcong en de Amerikaanse strijdkrachten.
Hoewel de slag een Amerikaanse overwinning was, besloot men niet lang na de slag om de marinebasis alsnog te verlaten, waardoor de Vietminh de basis en het omliggend gebied kon bezetten.
De slag kende de grootste en zwaarste tactische bombardementen in een enkel gebied in de geschiedenis van de oorlogsvoering.
Na de slag, zou de Vietminh het nooit meer tegen de Amerikanen opnemen in een conventionele veldslag.
Achtergrond
Noord-Vietnamese strategie Na de start van het Tet-offensief werden doelen in heel Zuid-Vietnam aangevallen door de Vietcong. De belangrijkste doelen waren de zuidelijk gelegen steden, met name Saigon. Om dit te laten slagen, was het van het allergrootste belang dat tegelijkertijd de Amerikaanse legerbases werden aangevallen. Gebeurde dit niet, dan zouden de Amerikaanse troepen in staat zijn om effectieve tegenaanvallen in te zetten. Met name de helikoptereenheden vormden een groot gevaar, omdat men door de hoge snelheid onvoldoende tijd zou hebben om voldoende luchtafweergeschut in positie te brengen.
Het was echter niet alleen de Vietcong die tot de aanval zou overgaan: generaal Giap was ook van plan om de Vietminh de gedemilitariseerde zone over te laten steken. Tot dan toe had zwaar vuur van de verdedigende eenheden steeds tot grote verliezen geleid, maar als alle bases tegelijkertijd door de Vietcong aangevallen zou worden, zouden de Amerikaanse en Zuid-Vietnamese troepen niet in staat zijn tot de tegenaanval over te gaan.
Politieke problemen Ondertussen verliep de situatie aan het Amerikaanse thuisfront enigszins rommelig: enerzijds wilden de militaire adviseurs van president Johnson dat hij meer toestemmingen zou geven. Zo wilde men een niet aflatende strategische bombardementscampagne op het noorden, en toestemming om Cambodja en Laos te mogen betreden. Tegelijkertijd was Johnson echter gebonden in zijn mogelijkheden, daar Noord-Vietnam geallieerd was aan China en de Sovjet-Unie. Een aanval op het noorden, zou een directe Chinese interventie tot gevolg kunnen hebben, en een dergelijke oorlog zou waarschijnlijk het gehele Amerikaanse leger vergen. Daarnaast begon de anti-oorlogsbeweging rond deze tijd steeds meer aanhang begon te krijgen. Wilde Johnson herkozen worden, dan zou hij geen al te verregaande maatregelen met betrekking tot Vietnam mogen nemen. Zo beperkte hij de bombardementscampagne tot doelen die hij persoonlijk aanwees, en maatregelen als het oproepen van de nationale reserve werden vermeden.
In 1968 waarschuwde Generaal William Westmoreland Johnson dat hij een groot offensief verwachtte, in de eerste plaats op Khe Sanh. Ondanks de zorgen van de president en de generale staf, was Westmoreland optimistisch: hij had voldoende mankracht beschikbaar, en als de Vietminh en de Vietcong het tegen hen zou opnemen in een conventionele slag, zou zware vuurkracht een beslissende overwinning kunnen brengen, zo meende hij.
De McNamara-linie In 1967 zocht men in de Amerikaanse regering naar andere methodes om de oorlog te voeren. Het grote probleem aan de search and destroy tactiek, was dat het grote hoeveelheden helikopters en mankracht vereiste. De constante vraag naar mankracht, zou op langere termijn economisch, al dan niet moraal, al dan niet politiek, onhaalbaar zijn. Zodoende besloot men een strategie te ontwikkelen die minder mankracht zou vereisen. Een maatregel die McNamara in het bijzonder steunde, was de aanleg van een aaneengesloten front van bases, elektronische waarschuwingssystemen en mijnenvelden, vlak bij de grens in het oosten. In het westen zou de basis Lang Vei de westelijke route afsluiten, terwijl Khe Sanh de noordelijke route af zou sluiten. Het doel van de linie was om de eenheden eerder te waarschuwen voor vijandelijke infiltraties. Tegelijkertijd zou de linie, wilde men aanvallen uitvoeren in Laos en Cambodja, de gehele noordflank van het leger dekken. De gehele linie zou gedekt worden door artillerie, zowel van de artilleriebases Camp Caroll en Rockpile, als van de individuele bases zelf. De linie verkreeg al snel de bijnaam "McNamara's line (McNamara's linie)".
De officieren in het veld waren echter niet blij met het hele plan: de linie lag ten eerste veel te dicht bij de zone. Omdat men de zone niet mocht betreden, was men niet in staat om de aldaar verborgen artilleriebases uit te schakelen. Het tweede probleem was dat de opbouw ervan complete divisies vereiste, waardoor het effect in feite averechts was ten opzichte van de intentie. Veel liever hield men vast aan de al bestaande linie, die verder van de zone vandaan lag, waardoor men meer tijd had om overgestoken Noord-Vietnamese legereenheden te vinden. Uiteindelijk zou het hele plan slechts ten dele tot uitvoer worden gebracht: het noorden en westen zouden door een aantal bases worden gedekt, maar de verdediging van het oosten zou afhankelijk blijven van mobiele eenheden. miniatuur|303x303px|Een kaart van Khe Sanh, januari 1968. Naast de basis zelf en Lang Vei, zijn de heuvels 881S, 861, 558 en 950 tevens door Amerikaanse troepen bezet.
Verloop miniatuur|323x323px|Een kaart van het gebied ten zuiden van de gedemilitariseerde zone. Tot de oorspronkelijke McNamaralinie zouden ook de bases Con Thien en Dio Linh behoren.
Oversteek van de gedemilitariseerde zone Op mei 1966, stak de Vietminh- divisie 324B de zone over, waarna er een veldslag uitbrak. De verdedigers, die zwaar in de meerderheid waren en bovendien voorzien waren van zware artillerie- en luchtbases, dreven de Vietminh weer terug in operatie hastings. Omdat men de DMZ echter niet over mocht steken i.v.m. escalatie, was de Vietminh in staat te ontsnappen en keerde later terug met de 304e en 341ste divisies. Men was gedwongen om in operatie prairie de Vietminh opnieuw terug te drijven. Deze operaties vereisten veel mankracht en de verliezen aan beiden zijden begonnen op te lopen.
Dergelijke aanvallen en kleinere infiltraties zouden gedurende de komende maanden aan de orde van de dag zijn. Hoewel de Vietminh gevoelige nederlagen leed, was men altijd in staat om te ontsnappen. De zwaarste gevechten werden gevoerd om de heuvels ten noorden van Khe Sanh. Daarnaast werden er ook aanvallen uitgevoerd op de strategische artilleriebases Camp Caroll en Rockpile.
De strijd om de heuvels In april 1967 voerde de Vietminh- divisie 325C aanvallen uit op de heuvels 861, 881S en 881N (vernoemd naar hun hoogte in voet). Men begon fortificaties en artilleriebases aan te leggen, ter ondersteuning van een infanterieaanval op de basis.
Ondertussen werd het aantal Amerikaanse eenheden vergroot tot 3 bataljons en begon men met een reeks aanvallen om de heuvels te veroveren. Op 5 mei waren alle drie deze heuvels in Amerikaanse handen. De Vietminh trok zich terug, gedekt door artillerie die in de zone verborgen was.
Vervolgens bezette de Vietminh de heuvel 881N, alsmede wat kleinere heuvels aan de rechterflank. Op 20 januari deed men een poging om de heuvels 881S en 861 te heroveren. Hoewel de eenheid gedeeltelijk overrompeld werd, werden de aanvallers ook weer teruggeslagen.
Naarmate de slag voortduurde, begonnen de eenheden die op de heuvels gestationeerd waren steeds zwaardere verliezen te lijden. Het grootste probleem was dat bevoorrading alleen mogelijk was met helikopters. Door massale inzet van luchtdoelartillerie en mortieren, werd dit een zéér hachelijke zaak. Als oplossing werd een tactiek ontwikkeld die men Super gaggle noemde: men wierp eerst met behulp van 4 A-4 Skyhawks bommen en napalm op het vijandelijk luchtafweergeschut. De volgende 2 Skyhawks wierpen traangasbommen. De volgende twee wierpen rookbommen, om zodoende een corridor te creëren. Ongeveer 30 seconden later zouden de transporthelikopters landen, gedekt door bewapende UH-1 helikopters, terwijl nog eens 4 Skyhawks het luchtafweergeschut aanvielen met bommen, raketten en boordgeschut. De gehele actie duurde amper vijf minuten en vereiste een optimale timing, maar het werkte.
Men kon de heuvels tegelijkertijd ook niet verlaten: als de Vietminh de heuvels in handen zou krijgen, zouden ze in staat zijn om nóg meer artillerie binnen het bereik van de basis te brengen. Hier zou de basis uiteindelijk niet tegen bestand zijn.
Route 9 In maart 1967 en daarna, kreeg men het voor elkaar om een aantal konvooien, geëscorteerd door tanks, van het hoofdkwartier Dong Ha naar de mariniersbasis Khe Sanh te sturen. In juli besloot men om naast tanks ook langeafstandsartillerie naar de basis te sturen. Dit plan werd echter tegengehouden door een meervoud van Noord-Vietnamese hinderlagen rondom route 9 (de weg van Dong Ha t/m de grens van Laos). Niet lang daarna, kreeg de Vietminh het voor elkaar om de weg geheel af te sluiten, waarmee de eerste fase werd voltooid.
Naast de aanval op de heuvels zou men ook aanvallen inzetten vanuit het westen, met als doel om de basis Lang Vei in te nemen, en van daaruit door te stoten naar Khe Sanh. Het 66e regiment, voor het eerst ondersteund door tanks, voerde de aanval uit, en het garnizoen, bestaande uit 1 bataljon en de lokale militie, werd al snel overweldigd. Zowel vanuit het noorden als vanuit het westen zou men artilleriebases aanleggen, zowel ter verdediging tegen tegenaanvallen als middel om druk op de basis uit te kunnen oefenen. De artilleriestukken moesten worden ingegraven ter verdediging tegen luchtaanvallen, en er werden enorme aantallen luchtdoelgeschut ingezet. Alles werd verborgen door aanzienlijke camouflage, en ondersteund door grote aantallen vrachtwagens. Aanval op de basis De volgende ochtend om 05:30 voerde men een groot artilleriebombardement uit op de basis zelf. Een van de eerste inslagen trof munitiedepot 1, waardoor 10.000 granaten, 90% van de totale voorraad in 1 keer verloren ging. 18 man sneuvelde, 40 raakten gewond. Pas na 48 uur waren de laatste explosies voorbij. Ondertussen werd de Vietminh continu aangevallen door artillerie, jachtbommenwerpers en aanvalsvliegtuigen. miniatuur|Een kaart van de basis zelf. Er zijn twee munitiedepots, een landingsbaan alsmede meerdere schuilkelders.|320x320px Anders dan men vreesde, kwam er nog geen directe infanterieaanval op de basis. In plaats daarvan, viel de Vietminh nu het dorp aan, bemand door 200 mariniers en Zuid-Vietnamese militie.
Op 24 januari viel het 8e bataljon van het 66e regiment tot tweemaal toe aangevallen, maar door zware lucht- en artilleriesteun werd de Vietminh teruggeslagen. Tegelijkertijd probeerde men de basis te versterken met een Zuid-Vietnamese eenheid, maar die liep in een hinderlaag, en werd geheel vernietigd. Later die dag besloot men het dorp te verlaten, daar men geheel omsingeld dreigde te raken. Hierdoor kreeg de Vietminh echter de gelegenheid om de basis nu ook vanuit het zuiden te omsluiten. Vanaf dit punt kon bevoorrading alleen nog plaatsvinden door de lucht.
Ondertussen heerste er in Washington verdeeldheid over de vraag of men de basis wel of niet zou moeten behouden. Het laatste waar men op zat te wachten, was een herhaling van Điện Biên Phủ. Generaal Westmoreland wist Lyndon Johnson er echter van te overtuigen de basis te behouden: men was nog steeds in staat de basis vanuit de lucht te bevoorraden. Als de Vietminh het tegen hen zou opnemen in een conventionele veldslag, kon er massale vuurkracht op hen geconcentreerd worden. Hier zou de Vietminh volgens hem geen antwoord op hebben, daar men over het luchtoverwicht beschikte. Johnson stuurde een deel van de vliegtuigen die aan Operatie Rolling Thunder (de strategische bombardementen op Noord-Vietnam)deelnamen naar Khe Sanh.