miniatuur|Het Britse vlaggenschip, HMS Namur, afgebeeld tijdens de Zeeslag bij Lagos in 1759

Het treffen tussen Fielding en Van Bylandt (Engels: Affair of Fielding and Bylandt) was een incident voor de kust bij Wight op 31 december 1779 tussen een eskader van de Britse Royal Navy en een Nederlands eskader onder bevel van schout-bij-nacht Graaf Lodewijk van Bylandt, dat een konvooi Nederlandse koopvaardijschepen door het Kanaal escorteerde. Na een korte vuuruitwisseling gaf het Nederlandse eskader zich over aan de Britten.

Het treffen vond plaats tijdens de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. De Britten en Nederlanders waren destijds niet in staat van oorlog. De Britten eisten echter het recht om de Nederlandse koopvaardijschepen te inspecteren op smokkelwaar bestemd voor Frankrijk, dat de kant van de Amerikaanse rebellen had gekozen. Van Bylandt probeerde een gewapend treffen te voorkomen door aan te bieden om de scheepsmanifesten aan de Britten te tonen. De Britse commandant, commodore Charles Fielding, bleef echter inspectie eisen. Van Bylandt liet hierop een schot afvuren, maar liet direct daarna de vlag strijken om zijn overgave aan te geven. De Britten namen hierop beslag op de Nederlandse koopvaardijschepen en voerden ze af naar Portsmouth.

Het incident verstoorde de diplomatieke relaties tussen Groot-Brittannië en de Nederlandse republiek, en vormde een aanleiding voor de formatie van het Eerste Verbond van Gewapende Neutraliteit in 1780. In december van dat jaar verklaarden de Britten oorlog aan Nederland, het begin van de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog.

Achtergrond

Nederland ontwikkelde zich, na een periode van conflict in de tweede helft van de 17e eeuw, tot een trouwe bondgenoot van Groot-Brittannië. Na de Glorious Revolution van 1688 werd stadhouder Willem III van Oranje gekroond tot koning van Engeland, Schotland en Ierland, waarbij Nederland en Groot-Brittannië verenigd werden onder één heerser. Nederland was aanvankelijk de dominante partner van het bondgenootschap, maar nam geleidelijk een steeds minder beduidende positie in ten opzichte van de Britse bondgenoot.

Nederland was verbonden met Groot-Brittannië via een reeks verdragen (voornamelijk die van 1678, 1689 en 1716) waarbij het militaire steun aan Groot-Brittannië toekende. Maar Nederland had ook een belangrijk concessie van de Britten gekregen. In de Vrede van Breda van 1667 en het handelsverdrag van 1668 (bevestigd in de Vrede van Westminster van 1674) had Nederland het recht verkregen om niet-gesmokkelde handelswaar te verschepen naar landen waarmee Groot-Brittannië in oorlog was, waarbij de Britten geen recht hadden deze handelswaar in beslag te nemen, zelf als het eigendom was van ingezetenen van vijandige staten (het principe van "vrij schip, vrij goed"). Smokkelwaar werd in deze verdragen nauw gedefinieerd als wapens en munitie. Vlootbenodigdheden als scheepsplanken, masten, touw en teer werden niet als smokkelwaar beschouwd.Edler, p. 96 Dit recht speelde een rol van belang tijdens Britse oorlogen waarin Nederland neutraal bleef, zoals de Zevenjarige Oorlog en de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. Gezien het belangrijke aandeel dat Nederland destijds nog steeds had in de Europese koopvaardij, maakte dit de Britten onmogelijk om een effectief handelsembargo tegen vijandige staten te onderhouden.Edler, p. 100

miniatuur|Willem V van Oranje-Nassau, ca. 1768-69 In de jaren na 1776 was er groeiende sympathie onder de Nederlandse bevolking voor de Amerikaanse rebellen. De regering van Willem V van Oranje-Nassau bleef echter de Britten steun bieden.Edler, p. 209Willem was een neef van koning George III. Edler (p. 209) suggereert dat hij ook om persoonlijke redenen een goede relatie met de Britse kroon probeerde te behouden, aangezien hij zijn dochter Louise aan de Britse kroonprins wou koppelen. Louise was echter destijds nog zeer jong, dus het is onwaarschijnlijk dat dit invloed had op Willem V. Dat hij tegen de Amerikaanse Revolutie was is wel duidelijk. In een brief in augustus 1776 bijvoorbeeld beschreef hij de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring als een "parodie van de proclamatie van onze voorvaders tegen koning Filips II"; Armitage, D. (2007) The declaration of independence: a global history. Harvard University Press, , p. 43 De losse, federale structuur van de Nederlandse republiek maakte het echter onmogelijk voor de Nederlandse regering om effectief controle uit te oefenen op de koopvaardij vanuit Amsterdam en andere steden. De Amsterdamse handel met de Amerikaanse rebellen (wapens en munitie in ruil voor koloniale goederen zoals tabak), via het depot van de West-Indische Compagnie op Sint Eustatius, was een zeer winstgevende bezigheid. De Amsterdamse handelaars bevoorraadden ook de Franse vloot met planken en andere benodigdheden voor de bouw van oorlogsschepen, die de Fransen wegens de Britse blokkade niet zelf in Noorwegen en de Oostzeelanden konden bemachtigen. De Nederlandse republiek als "neutrale" macht was daarom van groot belang voor de Fransen en hun strijd tegen de Britten. Groot-Brittannië eiste daarom van de Nederlandse regering dat ze een halt aan de handel zou toeroepen. Diplomatieke pogingen faalden echter; Nederland weigerde militaire steun aan de Britten te bieden door haar brigade van Schotse leensoldaten uit te lenen aan de Britten voor de oorlog tegen de Amerikaanse rebellen. De Nederlanders lieten ook in 1779 (met enige tegenzin) de Amerikaanse kaper John Paul Jones toe om met zijn eskader bescherming in Nederlandse wateren te zoeken. Ook weigerden de Nederlanders om de export van wapens en munitie te verbieden. Deze weigeringen waren het resultaat van druk uitgeoefend door de stad Amsterdam, maar ook diplomatieke druk door de invloedrijke Franse ambassadeur in Nederland, Paul-François de Quelen de La Vauguyon. Frankrijk begon economische sancties te plaatsen op Nederlandse steden die de stadhouder steunden in zijn weerstand tegen anti-Britse maatregelen. Deze economische sancties bleken effectief: de pro-Britse steden veranderden al snel van mening en begonnen Amsterdam te steunen in de roep om bescherming van de Nederlandse koopvaardijvloot door middel van escort door oorlogsschepen.Edler, pp. 100–117

Toen diplomatieke middelen ontoereikend bleken, gingen de Britten meer en meer over op het in beslag nemen van handelswaar van Nederlandse koopvaardijschepen dat door de Britten als smokkelwaar beschouwd werd. Deze acties, uitgevoerd door zowel de Royal Navy als Britse kapers, leidden tot stevig protest van Nederlandse handelaren die hun waar verloren zagen gaan. De Nederlandse regering negeerde aanvankelijk deze protesten. In november 1779 besloten de Staten-Generaal van de Nederlanden echter om de Nederlandse koopvaardijvloot bescherming te bieden door de koopvaardijschepen in konvooi te laten varen onder bescherming van oorlogsschepen.

In werkelijkheid was de Nederlandse vloot in slechte staat en kon weinig bescherming bieden tegen de machtige Britse vloot. De 20 linieschepen waarover de vloot nog effectief kon beschikken, konden niet op tegen de Britse oorlogsschepen uitgerust met 80-90 kanons. De Royal Navy had destijds 137 linieschepen en Frankrijk had er 68. Na veel overleg besloten de Staten-Generaal in 1778 om 24 nieuwe linieschepen te bouwen. De bouw verliep echter uiterst traag, voornamelijk omdat het gewest Holland weigerde de kosten te dragen voor haar aandeel.De Jonge, pp. 391–395

Verloop De eerste konvooien waren klaar voor vertrek in december 1779. Een konvooi zou onder bevel van schout-bij-nacht Willem Crul naar West-Indië varen, een tweede naar Frankrijk en een derde, onder commando van Lodewijk van Bylandt, naar het Middellandsezeegebied. Willem V gaf instructie om alles te vermijden dat de neutraliteit van de republiek in gevaar zou kunnen brengen. Hij bepaalde dat koopvaardijschepen die scheepsplanken en andere vlootvoorzieningen vervoerden niet in de konvooien mochten meevaren. Hij verbood ook schepen uit naties die niet erkend werden door de Nederlandse republiek, hoogstwaarschijnlijk bedoeld om Amerikaanse schepen uit de konvooien te weren.De Jonge, p. 407, noot 1

Het konvooi van Van Bylandt vertrok uit Texel op 27 december 1779 met 17 koopvaardijschepenFiske, p. 153 en de volgende oorlogsschepen:De Jonge, p. 407

Schip Kanonnen Kapitein Type Bijzonderheden Prinses Royal Frederika Sophia Maria 54 Frederik Sigismund van Bylandt linieschip vlaggenschip Argo 40 Jan Hendrik van Kinsbergen linieschip Zwieten 44 Nauman linieschip Valk 26 Silvester fregat Alarm 26 Mulder fregat

Na enkele dagen door het Kanaal te hebben gevaren, kwam het konvooi op de ochtend van 30 december een Brits eskader tegen onder bevel van commodore Charles Fielding. Dit bestond uit:Beatson, p. 198Een latere vermelding in de London Gazette (23 oktober 1781) noemt de Wolf niet, maar wel enkele andere schepen: het postschip HMS Daphne en de kotters HMS Expedition, HMS Sprightly, HMS Nimble en HMS Flying Fish.

Schip Kanonnen Kapitein Type Bijzonderheden HMS Namur 90 Charles Fielding linieschip vlaggenschip HMS Courageux 74 Thomas Allen linieschip HMS Centaur 74 J. N. P. Nott linieschip HMS Thunderer 74 James Bradby linieschip HMS Valiant 74 Samuel Goodall linieschip HMS Buffalo 60 H. Bromedge linieschip HMS Portland 50 Anthony Hunt linieschip HMS Emerald 32 Samuel Marshall fregat HMS Seaford 20 Isaac Prescott fregat HMS Camel 20 Richard Rodney Bligh fregat HMS Hawk 12 Richard Murray HMS Wolf 8 M. Cole brik De Courageux seinde het Nederlandse vlaggenschip om overleg, waarmee Van Bylandt akkoord ging. Fielding stuurde hierop een boot met twee onderhandelaars, waaronder kapitein Marshall. Marshall eiste dat Van Bylandt toegaf aan inspectie van de Nederlandse koopvaardijschepen door de Britten.De Jonge, pp. 408–409 Van Bylandt antwoordde hierop dat een dergelijk verzoek geen precedent had, en dat in vredestijd de goede trouw van de vlootescortes normaliter geaccepteerd werd wanneer de bevelhebber zijn erewoord gaf dat het konvooi geen smokkelwaar vervoerde. Hij toonde de scheepsmanifesten van de koopvaardijschepen in het konvooi en verklaringen van de kapiteins van deze schepen dat ze geen smokkelwaar vervoerden. Ook verklaarde hij dat hij zich persoonlijk had verzekerd dat de schepen geen scheepsplanken vervoerden, ook al werden deze door Nederland niet tot smokkelwaar gerekend. Marshall vroeg of de schepen hennep of ijzer vervoerden (hij was blijkbaar goed geïnformeerd) en Van Bylandt bevestigde dit, maar zei dat niet nooit als smokkelwaar was bestempeld. Marshall antwoordde dat deze goederen door de Britten inmiddels wel als smokkelwaar beschouwd werden. Aangezien de onderhandelingen niet verder kwamen, zond Van Bylandt zijn vlaggenkapitein en neef Frederik Sigismund van Bylandt naar de Namur om met Fielding te onderhandelen. Ook dit had geen resultaat. Fielding kondigde aan dat hij de volgende ochtend (het was inmiddels donker) zou beginnen met het het inspecteren van de Nederlandse schepen, waarop de jongere Van Bylandt antwoordde dat de Nederlanders hierop zouden reageren door het vuur op te Britten te openen.De Jonge, pp. 409–411

miniatuur|De Britse commandant Charles Fielding, ca. 1780