Fantastiek is volgens de Bulgaars-Franse literaire theoreticus en cultuurcriticus Tzvetan Todorov een subgenre van literaire werken die worden gekenmerkt door de ambigue presentatie van ogenschijnlijk bovennatuurlijke krachten. Voor Todorov is fantastiek een subjectieve term die betrekking heeft op een beperkte canon van literaire werken. Volgens zijn definitie staat fantastiek tussen twee andere literaire genres: het griezelige en het wonderbaarlijke.Todorov, Introduction à la littérature fantastique, hoofdstuk 3: L'étrange et le merveilleux.

Terminologie en definiëring De Fransman Charles Nodier gebruikte de term le Fantastique in 1830 voor het eerst in zijn artikel Du Fantastique en Littérature. Voor Castex kenmerkt het fantastisch verhaal zich als een intrusie van het mysterie in het reële leven. Roger Caillois schrijft in Au coeur du fantastique: Alle fantastiek is een irruptie van het ontoelaatbare binnen de onveranderbare dagelijkse legaliteit. Het gaat hier dus over twee soorten gebeurtenissen: die van de natuurlijke wereld en die van de bovennatuurlijke wereld. De Bulgaars-Franse literaire criticus Tzvetan Todorov legt de nadruk op de ambiguïteit van wat er wordt verteld, de twijfel die opgewekt wordt bij de lezer (en veelal ook bij de personages) Ik ging het bijna geloven, vat voor hem de geest van de fantastiek samen. In zijn analyse van het genre maakt Todorov een onderscheid tussen fantastiek en pure griezel (l'étrange pur) en pure fantasy (le merveilleux pur), hoewel er aan beide kanten een zekere overlap (le fantastique étrange en le fantastique merveilleux) kan bestaan. In de pure fantasy - waarvoor er geen Nederlandse of Franse vertaling bestaat - wordt het bovennatuurlijke als een feit aanvaard en worden parallelle werelden naast elkaar geplaatst (vb. Tolkiens In de Ban van de Ring). Fantastiek moet ook niet worden verward met sciencefiction, dat rationeel en wetenschappelijk is. Volgens Hubert Lampo is het onderscheid tussen fantastiek en Magisch realisme niet altijd duidelijk en overlappen beide gebieden elkaar voortdurend maar terwijl in het magisch realisme de magische elementen integraal deel uitmaken van de realiteit van de personages en niet worden betwijfeld, bestaat in de fantastiek altijd de onzekerheid over een al dan niet bovennatuurlijke verklaring van de gebeurtenissen. In zijn essay Das Unheimliche (1919) besteedde Sigmund Freud aandacht aan deze verontrustende sfeer van vreemdheid en het niet-vertrouwde ( Engels: uncanny) in de fantastiek. Voor H.P. Lovecraft was het creëren van een atmosfeer van onverklaarbare angst voor onbekende krachten het allerbelangrijkste voor een goed bovennatuurlijk verhaal. In zijn Supernatural Horror in Literature uit 1927 schrijft hij ook dat niet iedereen aangetrokken wordt door dergelijke verhalen, omdat zij van de lezer een zekere mate van verbeelding vragen en een (tijdelijk) afhaken van de alledaagse realiteit.

Thema's Aanvankelijk waren de thema's vooral die van griezelverhalen. In de ondertitel van zijn bloemlezing The Supernatural Omnibus (1931) klasseerde Montague Summers deze thema’s in: verschijningen (van geesten), hekserij, de weerwolf, diabolisme, necromantie, satanisme, divinatie, tovenarij, goëtie (zwarte magie, voodoo, bezetenheid en het occulte. M. Summers (1880-1948) wordt beschouwd als de grootste samensteller van bovennatuurlijke en ‘gothic’ fictie uit de jaren dertig. Deze auteur en geestelijke is bekend voor zijn idiosyncratische studies van heksen, vampiers en weerwolven. Hij vertaalde in 1928 de bekende 15e-eeuwse Heksenhamer (Malleus Maleficarum), een handboek voor heksenjagers, uit het Latijn naar het Engels.

De Grande Anthologie du Fantastique, samengesteld in 1977 door J.Goimard en R.Stragliati, klasseert het genre in tien delen: zombies (morts-vivants), occultisme, monsters, spoken, demonen, dubbelgangers, aberraties (in ruimte en tijd), nachtmerries, waanzin en boze entiteiten (maléfices).

In de loop van de tijd evolueerde het genre van klassieke spookverhaal naar meer psychologiserende en metafysische griezel. Fantastieke verhalen worden nog altijd geschreven, maar dit overzicht beperkt zich vooralsnog tot publicaties verschenen voor WO.II.

Voorgeschiedenis Fantastische verhalen werden al geschreven in de oudheid. Homerus schreef over het contact van Odysseus met de geest van zijn overleden moeder en Petronius over een weerwolf in het verhaal van Niceros. Plinius vertelde in een brief aan Sura over een huis waar een in de boeien geslagen spook (de geest van een vermoorde man) ronddwaalt. Apuleius beschreef in zijn Metamorfosen onder meer hoe Aristomenes aan Lucius vertelt over zijn ervaring met een zombie. In De Wonderbaarlijke verschijnselen van Phlegon van Tralles, de vrijgelaten slaaf van keizer Hadrianus, verschijnt het spook van een dode bruid.

De ‘duistere’ middeleeuwen werden geplaagd door golven van pestepidemies, die het horrorgevoel zeker hebben versterkt, getuige de talloze groteske ‘Laatste Oordeel’-taferelen op de portieken van de gotische kerken. Dantes Inferno is gedrenkt in een macabere sfeer en ook in het verhaal van Heer Gawein en de groene ridder (Sir Gaweyne and the Grene Knyght, een ridderroman van omstreeks 1380, auteur onbekend) komen bijvoorbeeld schrikwekkende taferelen voor.

In het Elizabethaans theater, met zijn heksen van Macbeth en het spook in Hamlet komt duidelijk het geloof in demonen naar voren, geloof dat nog versterkt werd door de toenmalige angst voor allerhande vormen van tovenarij en hekserij.

Vanaf de 16e eeuw worden de fantastische thema’s onderwerp van gedetailleerde ‘geleerde’ studies. In 1586 schreef Pierre Le Loyer het achtdelig Discours et Histoire des spectres, visions et apparitions des esprits … en VIII livres … esquels … est manifestee la certitude des spectres et visions des esprits. Peter Thyraeus, een Jezuïet uit Wurzburg, schreef in 1594 zijn verhandeling over geloof in spoken: De apparitionibus … et terrficationibus nocturnis (Over Geesten en Terreur van de Nacht).

In 1670 publiceerde de priester Nicolas-Pierre-Henri de Montfaucon de Villars een nauwelijks verholen occulte fictie, Le Comte de Gabalis, ondertiteld Entretiens sur les Sciences Secrètes en in 1681 publiceerde Joseph Glanvil zijn Saducismus Triomphatus, zijn Volledig en Onomstotelijk bewijs van Hekserij en Verschijningen.

In 1705 schreef Daniel Defoe (bekend van Robinson Crusoe) A True Revelation of the Apparition of one Mrs Veal, the next day after her Death, to one Mrs.Bargrave, at Canterbury, the 8th of September 1705. Defoe was hier verslaggever van de postmortale verschijning van Mrs Veal aan haar vriendin Mrs Bargrave een dag na haar overlijden. Feiten die door Mrs. Bargrave in een interview in 1715 opnieuw werden bevestigd voor hun betrouwbaarheid.

De echte doorbraak van het fantastische genre in de literatuur kwam er met de romantiek van de gothic novel aan het einde van de achttiende eeuw. Thema’s en motieven die in volksverhalen waren blijven voortleven, kwamen opnieuw in zwang en vonden alle mogelijke literaire verwerkingen: spoken, vampiers, raadselachtige verschijningen en verdwijningen, dwergen, reuzen, tot leven gewekte doden.

Engelstalige fantastiek Gothic novel De eerste klassieker was The Castle of Otranto (Het Kasteel van Otranto) uit 1764 van Horace Walpole (1717-1797), over een reusachtig geharnast spook dat terreur zaait in het kasteel. Walpole was een echte liefhebber van de middeleeuwen, die zelfs zijn woning in Strawberry Hill liet optrekken als een gotisch kasteel. Ann Radcliffe (1764-1823) publiceerde dertig jaar later The Mysteries of Udolpho (1794), The Italian (in 1797) en schreef in 1802 Gaston de Blondeville, dat postuum werd gepubliceerd in 1826. Udolpho, haar bekendste werk, is een typisch voorbeeld van een vroege gothic novel. De roman The Monk uit 1796 van Matthew Gregory Lewis (1775–1818), over een Spaanse monnik Ambrosio die kan ontsnappen aan de Inquisitie door een pact te sluiten met de duivel, is kwaadaardiger van toon dan de verhalen van Radcliffe.

De laatste grote schrijver in het ‘gothic’ genre was Charles Robert Maturin (1782–1824), een excentrieke Ierse geestelijke. Een meesterwerk in het horrorgenre is Melmoth the Wanderer (1820), het verhaal van een Ierse gentleman uit de 17e eeuw die door zijn ziel te verkopen aan de duivel eeuwig blijft leven. Melmoth heeft koortsachtig intense scènes en baadt in Keltisch mysticisme. Sir Walter Scott, Dante Gabriel Rossetti, WilliamThackeray en Charles Baudelaire waren grote bewonderaars van Maturin en het is niet toevallig dat Oscar Wilde tijdens zijn laatste dagen in ballingschap in Parijs de schuilnaam “Sebastian Melmoth” gebruikte.

Donkere romantiek (19de E ) William Godwin (1756-1836), een moderne bepleiter van het anarchisme, bekend voor zijn Adventures of Caleb Williams, (een aanval op de privilegies van de aristocratie), schreef in 1799 St Leon, A Tale of the Sixteenth Century, over het geheim van het levenselixir ontwikkeld door de Rozenkruisers.

Godwins dochter met de feministe Mary Wollstonecraft, Mary Shelley (1797-1851) werd wereldberoemd met haar Frankenstein or The Modern Prometheus (1818) over de jonge Zwitserse student geneeskunde Victor Frankenstein, die in een wetenschappelijk experiment uit dode lichamen een 2,4 m groot menselijk monster creëert dat, verworpen door de mensen, zich later tegen zijn schepper keert.

De Schotse dichter en schrijver van vooral historische verhalen zoals Ivanhoe (1819) en Rob Roy (1817) Sir Walter Scott (1771-1832), schreef ook spookverhalen en publiceerde in 1830 zijn Letters on Demonology and Witchcraft, een compendium van Europese heksenfolkore.

Lord Edward Bulwer-Lytton (1803-1873), bekend van De Laatste dagen van Pompeii (1834), correspondeerde met vele occultisten uit zijn tijd en kwam zo in contact met de Franse kabbalist Alphonse-Louis Constant (Éliphas Lévi), die beweerde de geheimen van de magie uit de klassieke Oudheid te bezitten. The House and the Brain (1859) is een verhaal over een spookhuis met verwijzingen naar de rozenkruisers en de mysterieuze Graaf van Saint-Germain hoveling van Lodewijk XIV. Zanoni (1842) draait rond de relatie tussen een operazangeres en Zanoni, een onsterfelijke rozenkruiser, die uiteindelijk toch zijn hoofd verliest tijdens de Franse Revolutie, omdat hij verliefd werd op Viola.

Catherine Ann Crowe (1803-1876) schreef aanvankelijk toneelstukken maar raakte, onder invloed van Duitse schrijvers, geïnteresseerd in bovennatuurlijke onderwerpen. Haar The Night-Side of Nature, or Ghosts and Ghost-seers (1848), een onderzoek naar het ‘paranormale’ en (tot dan en nu) ‘onverklaarbare’ is haar bekendste werk. In 1845 publiceerde ze de vertaling van Justinus Kerners Die Seherin von Prevorst, Eröffnungen über das innere Leben des Menschen und über das Hineinragen einer Geisterwelt in die unsere, een verslag dat grote ophef had gemaakt in Duitsland bij zijn publicatie in 1829. Crowe wordt beschouwd als de eerste persoon die de term ‘poltergeist’ introduceerde bij Engelse lezers, in het hoofdstuk ‘The Poltergeist of the Germans’. Het boek werd vertaald naar het Duits en het Frans en zou Baudelaire hebben beïnvloed. Twee van haar spookverhalen verschenen in 1936 opnieuw in Victorian Ghost Stories (1936), samengesteld door Montague Summers. alt=|miniatuur|191x191px|Sheridan Le Fanu