André Hallet, (Luik, 26 maart 1890 – Gisenyi, Rwanda, 18 april 1959) was een Belgisch kunstschilder. Hallet is vooral bekend voor het werk dat hij maakte in en over Belgisch-Congo.Congo en België – kunst en architectuur in de kolonie, Openbaar kunstbezit Vlaanderen Hij is de vader van antropoloog en mensenrechtenactivist Jean-Pierre Hallet.
Biografie André Hallet, kind van Jean-Denis Hallet en Marie-Catherine-Josephus Lejeune, werd geboren op 26 maart 1890 te Luik. Hij werd geboren als broer van Anna, Mia en Jules. In 1893 werd zijn derde zus, Ketty, geboren. Hallet ging in 1896 naar de lagere school te Luik en in 1902 naar de technische school. Zijn vader maakt hem in 1909 verantwoordelijke van de steenbakkerijen in Retinne. Op zijn vierentwintigste besliste Hallet, door een tussenkomst van schilder Auguste Donnay, om kunsten te gaan studeren. Hij studeerde aan de Académie royale des beaux-arts de Liège onder Adrien de Witte. Op 9 april 1917 overleed zijn vader, op 10 april exposeerde hij met Adrien Dupagne en Richard Heintz in Luik. In 1918 verliet Hallet de academie als laureaat van de "prijs van kunstschilderen, tekenen, geschiedkunde en anatomische compositie". De stad Luik kocht het schilderij Kanaal te Luik voor het Museum van Schone Kunsten. Vastbesloten om het "licht" te grijpen ging hij na zijn studies aan de academie in de leer in het atelier van Heintz. In zijn vroege jaren, wonende te Brugge, schilderde hij voornamelijk landschappen, tuinen en maritieme taferelen. Tijdens zijn reizen naar de Provence en Sicilië focuste hij verder op de zon en het licht. Zo ontwikkelde hij een impressionistische stijl. Hij exposeerde in 1919 in Aix-en-Provence, Marseille en Toulon. Van 24 tot 30 september verbleef hij in Londen en verkocht er zes schilderijen van Brugge aan Goupil & Cie. Tijdens een tentoonstelling in Brugge kocht de Belgische staat het werk Tower Bridge te Londen. Op 11 juni 1921 trouwde hij met Berthe Rosseels. Enkele maanden later stelde Hallet tentoon bij Goupil & Cie in Londen naast onder andere Vincent van Gogh, Edgar Degas, Modigliani en Matisse. Vervolgens reisden en woonden Hallet en Rosseels in Londen, Brussel, Napels, Capri, Sicilië en Parijs. Op 11 juli 1922 werd hun zoon André geboren te Leuven, op 6 oktober 1923 hun dochter Christiane. In 1925 exposeerde André Hallet in de Parijse galerie Reitlinger, twee van zijn werken werden er verkocht aan het Musée du Luxembourg: Herfst in het een park en Bocht van de Dyle te Leuven. 29 september 1926 ontving Hallet van de Franse regering de onderscheiding "Officier d'Académie du Ministère de l'Instruction Publique de France". Op 4 augustus 1927 kregen Hallet en Rosseels een tweede zoon: Jean-Pierre Hallet. Op 25 november koopt de stad Marseille het doek Place de Lenche à Marseille voor het Gemeentelijk Museum. André Hallet ontving de onderscheiding "Ridder in de Kroonorde" op 13 april 1929. Tijdens een tentoonstelling in Luik verkocht hij op 14 november twee schilderijen voor het Museum van de stad Luik: Tegenlicht in de Provence en Sneeuweffect te Berthem. Het Leuvense Museum van Schone Kunsten kocht in mei 1932 het werk Marine, op 10 oktober 1933 Hoekje te Brugge en eind februari 1934 Vissers te Oostende. 7 april datzelfde jaar werd Hallet bij koninklijk besluit opgenomen als Ridder in de Leopoldsorde.
Eerste periode in Congo Na het overlijden van kunstschilder Fernand Allard l'Olivier in 1933 vroeg de Belgische regering aan André Hallet om hem op te volgen als schilder in de kolonie. Op 18 mei 1934 vertrok André Hallet met zijn gezin vanuit Antwerpen met het stoomschip Anversville naar Belgisch-Congo. Na een tussenstop op Tenerife en een kort verblijf in Lobito (Angola) kwam het schip op 8 juni 1934 aan in Matadi, Congo-Kinshasa. Hier schreef hij over: Tijdens deze eerste periode bezocht Hallet de provincies Équateur, Orientale en Katanga, het Rwenzorigebergte en de rivier de Kongo. Hij maakte tijdens dit eerste verblijf zo'n 120 schilderijen.J.-M. Jadot, 'Hallet, André-Jean-Hubert', Biographie belge d’Outre-Mer, 24 september 1964. Gearchiveerd op 2 januari 2015. Hallet schilderde er de lokale bevolking, dorpsfeesten en landschappen. Zo plaatste hij zich tussen andere koloniale schilders als Floris Jespers en Arthur DupagneMike Phillips, 'Visions of Africa', The Guardian, 27 juli 2007. Gearchiveerd op 29 maart 2019.. Aangekomen in Leopoldstad (Kinshasa) kreeg hij onderdak bij Jos De Meersman, directeur bij watermaatschappij Regideso (Régie de distribution d'eau). Op 18 juli 1934 organiseerde De Meersman een eerste tentoonstelling met werken gemaakt in Matadi en omgeving en in de hoofdstad. De expo werd bezocht door de gouverneur en Le Courrier d’Afrique wijdde er de volgende dag een artikel aan. Er werden een twintigtal doeken verkocht. Het succes van deze eerste tentoonstelling zette Hallet ertoe aan op 20 juli naar Coquilhatstad (Mbandaka) in de streek aan de evenaar te reizen, een gebied die nog maar weinig westerse kunstenaars bezocht hadden. Na een vlucht van 700 kilometer werd Hallet ontvangen door Louis Ahrens, directeur van de Société anonyme belge pour le commerce du Haut-Congo. Tijdens een verblijf van twee maanden schilderde hij er onder andere de botanische tuin van Eala en voorbijtrekkende vissers. De Staat stelde een kleine bestelwagen en een motorbootje ter beschikking voor zijn verplaatsingen. Zo bezocht hij het Tumbameer op 125 kilometer van Mbandaka waar hij de Ntombastam tegenkwam.
Op 31 augustus 1934 vloog Hallet 900 kilometer oostwaarts naar Stanleystad (Kisangani). In deze regio schilderde hij de rivier de Tshopo en de Wagenia vissers. Het portret dat hij er schilderde van hun chef is in het bezit van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren. Op vraag van de gouverneur vergezelde Hallet hem en zijn vrouw tijdens een inspectietocht in Ituri. Op 10 september vertrokken ze met een karavaan richting Bafwasende. In Wamba verliet Hallet de groep van de gouverneur en vertrok richting Isiro. Hij besteedde er veel tijd aan het bestuderen van de lokale bevolking en in het bijzonder de Mangbetuvrouwen. Vandaar reisde Hallet door naar Buta en vervolgens naar Aketi in Bas-Uele. Hier werd hij ontvangen door de heer Thèves, directeur van de Spoorwegen van de Uélé. Via Thèves kon Hallet in naam van de spoorwegmaatschappij vrij rondreizen naar de Kivu en Ruanda-Urundi. Terug aangekomen in Stanleystad werd er op 28 oktober een tentoonstelling van zijn werken georganiseerd door de gouverneur. 21 november arriveerde Hallet in Rutshuru in het westen. In deze omgeving schilderde hij het Nationaal Albert Park (Nationaal Park Virunga) en het Rwenzorigebergte. Het schilderij van de boomvarens die hij schilderde in Lubero werd later aangekocht door Leopold III van België. Op 27 december bereikte hij Usumbura (Bujumbura) in Burundi vanwaar hij verder trok naar Nyanza en er Mutara III van Rwanda ontmoette, koning van de Tutsi’s, en een reeks portretten van hem schilderde. Via Boma en Matadi keerde hij terug naar Leopoldstad. Op 18 februari werd een afscheidstentoonstelling georganiseerd in de woning van Jos De Meersman. Uit angst onvoldoende werk over te houden om in België te tonen, kwam hij met de kopers overeen de werken te bezorgen na ze in eigen land tentoon te stellen. Op 7 maart scheepte hij in voor zijn terugkeer naar zijn thuisland. Na veel onderhandelen mocht hij zijn schilderijen in speciaal gemaakte kasten vervoeren in een cabine in plaats van in het ruim van het schip.
26 maart 1935 meerde de Anversville aan in Antwerpen. Na een bezoek bij Hallet thuis en het zien van zijn koloniale werken schreef kunstcriticus Charles Bernard een stuk in La Nation Belge van 25 april met als titel Kan Kongo onze schilders inspireren? André Hallet levert hiervan een overtuigend bewijs!. In mei nam Hallet deel aan de Brusselse Wereldtentoonstelling. Hier toonde hij onder meer dans un but de propagande coloniale, (...) le Sultan Rudahigwa du Ruanda, een werk dat hij maakte in opdracht van gouverneur Eugène Jungers.Tessa Lobbes, 'De artistieke reisbeurs in dienst van de Belgische koloniale propaganda – het ministerie van Koloniën en de koloniale kunstenaars tijdens het interbellum', Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, nr. 21, 2009. Gearchiveerd op 4 maart 2016. Minister van Koloniën Edmond Rubbens bestelde naar aanleiding van de Wereldtentoonstelling een groot doek, een zonsondergang in de streek van Coquilhatstad. Het werk werd opgehangen in de hal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken op het Koningsplein. Op 11 juli kreeg André Hallet de titel officier in de Koninklijke Orde van de Leeuw aangeboden, uitgereikt op 19 april 1936 tijdens een bijeenkomst van oud-kolonialen.
Hallet werd uitgenodigd door Galerie Georges Giroux in Brussel, een van de meest toonaangevende galeries tijdens de eerste helft van de 20ste eeuw, om deel te nemen aan een groots opgezette tentoonstelling die liep van 11 tot 21 januari 1936. De meeste werken werden tijdens deze expositie verkocht, onder andere aan koning Leopold III ("De Boomvarens" en "Dorp aan het Kivumeer") en het Museum van Luik ("Markt in Ruanda"). Na deze tentoonstelling sloot Hallet zich aan bij de "Commissie voor de bescherming van de inheemse kunsten en ambachten van Belgisch Kongo en Ruanda-Urundi" (COPAMI). In zijn atelier werkte hij verder met de vele documentatie die hij uit Afrika had meegenomen.
Tweede periode in Congo Op 11 september 1936 keerde André Hallet met zijn gezin terug naar Centraal-Afrika voor een periode van elf maanden, hij meerde aan in Matadi op 1 oktober. 20 oktober vertrok hij per boot op een expeditie van veertien dagen over de bevaarbare rivieren van Neder-Congo (Kongo Central). Op 16 april 1937 exposeerde Hallet zijn schilderijen in Watsa in de provincie Haut-Uele. Twee dagen later vertrok hij via Irumu, Beni en Lubero richting Mutwanga in de provincie Noord-Kivu. Hier beklom hij tot op 4300 meter het Rwenzorigebergte en schilderde er een panorama van de met sneeuw bedekte toppen. Op 11 mei 1937 stelde André Hallet enkele van zijn werken tentoon in Costermansstad (Bukavu) en na een tocht, langs onder andere Luluaburg (Kananga) en Port-Francqui (Ilebo) exposeerde hij in Leopoldstad (Kinshasa) op 10 juli 1937 voor de Regideso. Onder meer gouverneur Paul-Charles Ermens was aanwezig op de expo. thumb|Bankbiljet van 20 Belgisch Congolese frank, ontworpen door André Hallet.