Johan Gerard van Angelbeek (Wittmund, 1727 – Colombo, 2 september 1799) was een koopman en bestuurder bij de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) en gouverneur van Ceylon, nu Sri Lanka, van 1794 tot 1796. Hij was de laatste Nederlandse gouverneur en tekende op 15 februari 1796 in Colombo het verdrag dat de overdracht van de Nederlandse bezittingen aan de Britten regelde.
Levensloop Batavia, Bengalen en Ceylon miniatuur|Ceylon in 1789. De rode lijn is de grens tussen het gebied van de Compagnie en dat van het koninkrijk Kandy. Van Angelbeek was de zoon van de predikant Christiaan van Angelbeek in Wittmund in Oost-Friesland. Hij ging in april 1751 als soldaat aan boord van het schip Schakenbos naar Indië. In juli aangekomen aan de Kaap de Goede Hoop trouwde hij met de daar geboren 18-jarige Jacomina Lever, dochter van de vrijburger Abraham Lever. Een maand later reisde ze mee als passagier aan boord van de Schakenbos. In oktober kwamen ze aan in Batavia. Hier werkte Van Angelbeek de jaren daarna als procureur. In januari 1756 werd een dochter geboren, Christina Elisabeth. Op 20 maart van dat jaar werd hij benoemd tot onderkoopman en een jaar later werd hij lid van de raad van weesmeesters. In juli 1757 werd een zoon Christiaan geboren. In september 1759 volgde nog een dochter, Apollonia Magdalena. Na bijna tien jaar in Batavia gewerkt te hebben werd Van Angelbeek in 1761 in Bengalen geplaatst als kassier en secretaris van de raad van Chinsura, als opvolger van Otto Willem Falck, die voor deze functie niet geschikt was bevonden. In juli 1763 verhuisde hij naar Colombo in Ceylon, waar hij op 10 april 1764 als fiscaal werd benoemd. Hij had hier tot taak fraude op te sporen en op te treden als officier van justitie. In juni van dat jaar werd hij secretaris van de raad van Colombo. Gouverneur was toen Lubbert Jan van Eck, die na de door het koninkrijk Kandy opgestookte opstand in de VOC-gebieden door Batavia gevraagd was de orde te herstellen. Van Eck ondernam twee veldtochten tegen Kandy. Nadat de eerste, in februari 1764, mislukt was, volgde begin 1765 een tweede, waaraan Van Angelbeek deelnam om als secretaris het dagregister bij te houden. Hij werd een vertrouweling van Van Eck, en werd door hem tot opperkoopman benoemd. Het overslaan van de rang van koopman werd later goedgekeurd door de Raad van Indië. Na de verovering van Kandy speelde hij een belangrijke rol in de onderhandelingen over een nieuw verdrag tussen de VOC en Kandy. links|miniatuur|Tuticorin, aan de overkant van Ceylon.
Opperhoofd van Tuticorin Na de dood van Van Eck werd Van Angelbeek in 1767 door de nieuwe gouverneur, Iman Willem Falck, benoemd tot opperhoofd van de vestiging in Tuticorin, aan de tegenoverliggende kust van Madoera in India. Tuticorin, het hoofdkantoor van een vijftal handelsposten aan deze kust, viel ook onder het gouvernement van Ceylon. Meer dan tien jaar lang bestuurde hij deze handelsposten, bekend om hun parelvisserij, chankovisserij en de inkoop van lijnwaden. De katoenen doeken werden betaald met goud uit de Republiek, dat in het munthuis van Tuticorin tot pagoden (de lokale munt aan de oostkust) werd geslagen. De doeken gingen mee met de kaneelschepen die jaarlijks vanuit Galle naar Nederland vertrokken, maar werden ook verkocht aan de bevolking in het laagland van Ceylon. Tuticorin was in deze jaren een zeer winstgevend kantoor zodat de Heren XVII erg tevreden waren over Van Angelbeek, vooral wat betreft de textiel. Hij had 'deezen rijcken en uytgebreiden tak gebracht tot zulk eene stap van volmaaktheid' dat 'meermaals een heel kapitaal winst kon worden behaalt' (d.w.z. 100%). Daarenboven zorgde hij voor grote rijstleveranties aan Ceylon, dat qua voedsel niet zelfvoorzienend was. Ook zelf verdiende hij goed, zoals veel hogere VOC-medewerkers. Hij stuurde in deze tijd grote bedragen naar zijn zakenpartners in Nederland. Zij kochten voor hem goederen, vaak luxe artikelen, die hij weer verkocht in India. Op 26 augustus 1774 trouwde zijn inmiddels 18-jarige dochter Christina met Willem Jacob van de Graaff, op dat moment hoofdadministrateur en vice-commandeur van Malabar in Cochin. Twee jaar later vertrok ze met hem naar Suratte, waar hij als directeur was aangesteld. Christiaan van Angelbeek trouwde in 1777 in Nederland, waar hij was opgeleid als jurist, met de jongere zus van Van de Graaff, Maria Aletta.
Commandeur van Malabar miniatuur|Brief van Van Angelbeek uit Cochin over de strijd van Tipu Sultan tegen de raja van Travancore, waarbij Tipu Sultan gebruik maakte van raketten. Op 15 september 1780 stopte de naar Batavia vertrekkende Adriaan Moens als commandeur van Malabar en werd Van Angelbeek benoemd tot zijn opvolger. In december 1781 volgde een benoeming als extraordinair lid van de Raad van Indië door de Heren XVII. 19 mei 1783 kreeg hij, zoals sinds 1768 gebruikelijk was, de titel gouverneur en directeur. In de 17de eeuw had de VOC zich aan de Malabarkust gevestigd vanwege de peperhandel, met het hoofdkantoor in fort Cochin, maar in de late 18de eeuw waren de inkomsten verschoven naar heffing van belastingen en tolgelden in de door de Compagnie bestuurde gebieden. Men had grote moeite zich te handhaven te midden van de strijdende Britten, Fransen en het sultanaat van Mysore, en zich tegelijkertijd te houden aan de bondgenootschappen met de raja's van Cochin en Travancore, die men militaire steun hoorde te verschaffen. Er was niet genoeg geld om de kostbare forten goed te onderhouden en de garnizoenen werden steeds verder ingekrompen. Regelmatig werd overwogen om handelsposten te sluiten omdat er te weinig peper kon worden ingekocht. Het fort van Cannanore werd door Moens in 1771 verkocht aan de vorst van dat rijk.
In Van Angelbeeks tijd brak de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog uit (1780-1784), maar de handelsposten aan de Malabarkust werden door de Britten ongemoeid gelaten omdat ze de handen vol hadden aan de Fransen en de Tweede Mysore Oorlog. Wel wist Van Angelbeek een aantal Britten krijgsgevangen te nemen, die hij begin 1782 ruilde voor onder andere zijn schoonzoon Willem van de Graaff, die in Suratte door de Britten gevangen was genomen. Van de Graaff reisde van Cochin door naar Ceylon, waar hij hoorde dat hij Falck zou opvolgen als gouverneur.In het besluit van de Heren XVII van december 1781, waarin Willem Alting werd benoemd tot de nieuwe gouverneur-generaal, was Falck benoemd tot directeur-generaal (waar hij voor zou bedanken), Van der Graaff tot zijn opvolger als gouverneur van Ceylon, of, mocht hij overleden zijn, Van Angelbeek. Door de lange reistijd en de oorlogsomstandigheden zouden deze berichten echter pas veel later bij de betrokkenen aankomen. In 1785 moest Van Angelbeek de eilanden Chetuva (met het fortje Wilhelmus) en Paponetty (het huidige Pappinivattom) opgeven aan Haider Ali van Mysore, nadat deze de zamorin van Calicut had verslagen, in wiens gebied de eilanden lagen. Na Haider Ali's dood zette zijn zoon Tipu Sultan de veroveringsdrang van Mysore voort richting Travancore. Hij toonde weinig animo voor een verbond met de VOC en bedreigde de forten Cranganore en Aijkottee (Pallipuram fort) op het gebied van Travancore. In plaats van de forten te verdedigen verkocht Van Angelbeek ze in 1789 met toestemming van Batavia aan de raja van Travancore. Aan Batavia stelde hij voor om ook fort Cochin aan de raja te verkopen. Ook de Britten waren hiervoor in de markt. Zij deden een voorstel in de Republiek dat in 1790 in behandeling werd genomen door de VOC-Kamer Amsterdam. De verkoop ketste af op een te hoge vraagprijs. Inmiddels was Van Angelbeek in 1787 door de Heren XVII benoemd tot gewoon Raad van Indië.
Gouverneur van Ceylon Op 13 maart 1793 vertrok Van Angelbeek naar Ceylon, na het schrijven van een memorie van overdracht voor zijn opvolger, de secunde en hoofdadministrateur Jan van Spall. Van Angelbeeks dochter Christina was in juni van het jaar daarvoor in Colombo overleden, een half jaar na de geboorte van haar 11e kind. Zijn vrouw Jacomina, die er naar toe was gegaan, was in februari ook overleden. Veel tijd voor rust en contemplatie was hem niet gegund. Nog datzelfde jaar werd Willem van de Graaff benoemd tot directeur-generaal in Batavia, en werd Van Angelbeek gevraagd hem op te volgen als gouverneur van Ceylon. Dit kreeg effect op 1 augustus 1794, toen Van de Graaff vertrok. Van Angelbeek was toen 66 jaar en al 43 jaar in dienst bij de VOC. Zijn zoon Christiaan was sinds 1780 ook werkzaam in Ceylon. Van de Graaff had hem in 1785 tot koopman en fiscaal benoemd in Colombo, toen tot dessave (hoofd van het inheems bestuur) in Matara, en in 1792 in Colombo tot hoofdadministrateur. Zodoende maakte hij deel uit van zijn vaders politieke raad, de Raad van Colombo.
De brief van Kew miniatuur|Colombo in 1785, gezien vanaf de rede.|300x300px In deze periode was er in Nederland grote beroering. Het land was ernstig verdeeld tussen de patriotten, die gesteund werden door de Fransen, en de orangisten, die gesteund werden door de Britten en de Pruisen. In 1794 waren met hulp van het Franse revolutionaire leger de patriotten aan de macht gekomen. Op 19 januari werd de Bataafse Republiek uitgeroepen, nadat stadhouder en opperbewindhebber van de VOC Willem V naar Engeland was gevlucht om zich onder bescherming van George III te stellen. In Kew schreef hij voor de Britten, die in oorlog waren met Frankrijk, een aantal brieven, onder andere gericht aan de gouverneur van Ceylon. Daarin stond: 'Wij hebben nodig geacht U.E. bij dezen aan te schrijven en te gelasten, om zoo te Trinkenomale als verders in uwe onderhebbende Colonie te admitteren, de troupes die van Zijne Groot Brittannische Majesteit derwaarts zullen worden gezonden en op de rheede of op zoodanige andere plaatsen waar scheepen met zekerheid kunnen liggen, de oorlogscheepen, fregatten of gewapende vaartuigen die van wegens Hoog gemelde Zijne Groot Brittannische Majesteit derwaarts zullen worden gezonden en dezelve te considereren als troupes en scheepen van eene Mogendheid die in vriendschap en alliantie is met Hunne Hoogmogende (de Staten-Generaal) en die komen om te beletten dat de Colonie door de Franschen worde geïnvadeert.' Als de Nederlandse bezittingen vrijwillig aan de Britten zouden worden overgedragen zouden ze na het einde van de oorlog worden teruggegeven. De natuurlijke diepzeehaven van Trincomalee was strategisch erg belangrijk. Aan de Indiase Coromandelkust bevonden zich geen havens. Bovendien was Ceylon altijd al een begeerd object voor de Britten. Op 25 juli 1795 verscheen majoor Patrick Agnew met een oorlogsschip vanuit Madras met de brief van Kew en een brief van gouverneur Robert Hobart op de rede van Colombo. De Britten eisten dat Ceylon onder de bescherming van koning George III gesteld werd, en bij verzet zou geweld worden gebruikt. Er volgden lastige beraadslagingen in de raad. Men overwoog onder andere 'dat de Engelschen daar eens voet gekregen hebbende, naderhand zeer bezwaarlijk zouden te verdrijven zijn, wijl zij bij eene gewapende verovering aan gene belofte van teruggave zouden gebonden zijn, die alleen aan eene vrijwillige inruiming gehecht was', en ook 'dat men op de belofte van teruggave niet moest vertrouwen, wijl de hedendaagsche Staatkunde altijd voorwendsels wist uit te denken, om de vervulling van zulke beloften te ontwijken'.