Het Vera Icon (Latijn: "ware afbeelding") of Imago Christi ("beeltenis van Christus") is een olieverfschilderij van Jan van Eyck uit 1438-40, waarvan het origineel waarschijnlijk verloren is gegaan. Het betreft een gestileerd en geïdealiseerd portret van Jezus. Een eigentijdse kopie, vermoedelijk in het atelier van Van Eyck ontstaan, bevond zich eeuwenlang in de Sint-Servaaskerk in Maastricht, waar het tevens een functie in de liturgie vervulde.Ubachs/Evers (2005), p. 547. Het schilderij behoort sinds 1827 tot de collectie van de Alte Pinakothek in München. Een andere kopie, waarschijnlijk ook uit het atelier van Van Eyck, is mogelijk afkomstig van de Sint-Baafskathedraal in Gent en bevindt zich sinds 1821 in de Gemäldegalerie in Berlijn. Daarnaast bestaan er nog talrijke andere kopieën en imitaties, waarvan in veel gevallen niet vaststaat wanneer ze zijn ontstaan. Een voor 'echt' gehouden versie in het Groeningemuseum in Brugge bleek een 17e-eeuwse kopie te zijn.Borchert (2002), p. 239.
Geschiedenis Volgens een inscriptie op de Berlijnse lijst is het oorspronkelijke schilderij ontstaan in 1438. Mogelijk schilderde Van Eyck in 1440 een tweede versie. Niet bekend is wie deze schilderijen in bezit had en wat er mee gebeurd is. Evenmin is duidelijk waar de theorie op gebaseerd is dat de originelen verloren zijn gegaan (zie ook: Authenticiteit). Er zijn tegenwoordig verschillende versies in omloop, die licht van elkaar verschillen en waarvan sommige in het atelier van Jan van Eyck kunnen zijn ontstaan. Het exemplaar dat minimaal twee eeuwen in Maastricht en daarna bijna twee eeuwen in München werd bewaard, heeft de meest complete provenance en biedt daarnaast inzicht in de religieuze betekenis van het schilderij. Het krijgt om die reden extra aandacht in onderstaand overzicht.
De Maastrichts-Münchense kopie In de Sint-Servaaskerk thumb|160px|Ets van het Maastrichtse Vera Icon door Louis Bernard Coclers, 1756 Hoe en wanneer dit schilderij in de Sint-Servaaskerk terecht is gekomen, is niet met zekerheid bekend. De archieven van het kapittel van Sint-Servaas zijn tijdens de Franse tijd voor een groot deel verloren gegaan. Mogelijk verwierf de kerk het schilderij kort na 1457, toen paus Calixtus III het kerkelijk feest van de Transformatio, de gedaanteverandering van Jezus, verplicht stelde. In elk geval werd het schilderij op die feestdag op het hoofdaltaar tentoongesteld, zoals beschreven wordt in de Ordinarius custodum, een liturgisch boek dat allerlei aanwijzingen bevat voor de schatbewaarders of custodes van de kerk.Mekking (1981), p. 108, noot 67. In het handschrift uit circa 1610, dat een kopie is van een ouder handschrift, wordt vermeld dat met name vrouwen op deze feestdag het Imago Christi Salvatoris kwamen aanbidden. Het was het enige schilderij dat een functie had in de liturgie van de Sint-Servaaskerk. In de 17e eeuw werd het bewaard in de schatkamer van de kerk, op de bovenverdieping van de Dubbelkapel. In 1656 liet de toenmalige schatbewaarder het paneel onderzoeken door de lokale meesterschilder Petrus Christyns, die het herkende als een werk van Jan van Eyck.Mekking (1981), pp. 97-98.Van Vlijmen (1985), pp. 156-158.
Op zich is het niet gek dat een schilderij van de Maaslandse kunstenaar Van Eyck (afkomstig uit Maaseik en opgeleid te Luik) in een Maastrichtse kerk terechtkwam; hijzelf zal zeker contacten in deze stad gehad hebben. Ook waren omstreeks het midden van de 15e eeuw een drietal ambitieuze proosten van Sint-Servaas actief, die allen sterke banden met Brugge en Vlaanderen hadden: Willem van Gavere (ca. 1421-51), Nicasius van den Putte (1451-61) en Antonius Hanneron (1461-67). Het is niet ondenkbaar dat een van deze proosten het Vera Icon verwierf met het oog op het feest van de gedaanteverandering.
thumb|160px|Gebroeders Boiserée (met F. Wallraf) op een reliëf aan de Keulse Heumarkt thumb|160px|Commerciële prent van de Galerie des Frères Boisserée, 1825 (British Museum, Londen) Naar München De verovering van Maastricht door de Franse revolutionaire legers in 1794 luidde het einde in van het Sint-Servaaskapittel. In 1797 werd de kerk geconfisqueerd en daarna enkele jaren lang als militaire opslagplaats en paardenstal gebruikt. Een groot deel van de inventaris ging daarbij verloren. Het Vera Icon werd door een van de kanunniken, Adriaan Maurissen (1757-1822), verborgen, zoals ook gebeurde met andere kostbaarheden. Na de heringebruikname van de kerk in 1804, nu als parochiekerk, werd het schilderij echter niet teruggegeven. In 1817 verkocht Maurissen het voor 3000 gulden aan de Keulse kunsthandelaar Sulpiz Boisserée (1783-1854) en zijn broer Melchior (1786-1851). Bij de verkoop wisselden enkele andere werken van eigenaar, waaronder een Madonna naar Stephan Lochner.Mekking (1981), pp. 94-96. De gebroeders Boisserée stelden het een tiental jaren ten toon in hun privéverzameling te Heidelberg (de Galerie des Frères Boisserée), waar het gepresenteerd werd als een werk van Hans Memling. Toen Sophia van Württemberg, de keizerin-moeder van Rusland, het daar zag, riep ze uit: "Nun das ist wahrhaft Gott der Erlöser" (nu, dit is waarlijk God de verlosser). De schrijver Jean Paul barstte naar verluidt in tranen uit toen hij het zag.Mekking (1981), p. 99. De broers lieten in 1825 een litho van het schilderij vervaardigen, die waarschijnlijk via het museum verspreiding vond.Galerie des Frères Boisserée op website britishmuseum.org (collection online).
De Boisserées verkochten hun collectie in 1827 aan koning Lodewijk I van Beieren, waarna deze deel uitmaakte van de Königliche Gemäldegalerie. In 1836 werd dit de Pinakothek, tegenwoordig de Alte Pinakothek.Schawe (1999), p. 6. In de loop van de 19e eeuw leek de waardering voor het werk af te nemen. De architect Karl Friedrich Schinkel vond het portret te stijf en prefereerde de Berlijnse versie. Ook de Duits-Amerikaanse kunsthistoricus Erwin Panofsky gaf de voorkeur aan het Vera Icon in Berlijn, hoewel hij ervan overtuigd was dat dit een opzettelijke vervalsing was. In 1909 verhuisde het schilderij naar de Staatsgalerie im neuem Schloss Schleißheim in Oberschleißheim, even buiten München. Nadat dit kasteel in 1944 grotendeels was verwoest, keerde het terug naar de Alte Pinakothek. Het schilderij, dat bekendstaat als Das wahre Antlitz Christi, Kopie nach Jan van Eyck, wohl um 1500, wordt niet permanent tentoongesteld.Mekking (1981), pp. 95, 101-102.
De Berlijnse kopie De provenance van het Berlijnse Vera Icon is minder duidelijk. Het schilderij werd in 1821 door Frederik Willem III van Pruisen aangekocht, als onderdeel van de zeer omvangrijke kunstverzameling van de in Berlijn wonende Engelse koopman Edward Solly (1776-1844). Hoe Solly aan dit werk kwam, is niet duidelijk. Mogelijk kocht hij het in 1816, via de kunsthandelaar Nieuwenhuys, van de kanunniken van de Sint-Baafskathedraal in Gent, samen met twaalf zijpanelen van Het Lam Gods. Een andere mogelijkheid is dat het afkomstig is uit een klooster in Burgos en dat Solly het in Segovia kocht. In Berlijn werd het aanvankelijk tentoongesteld in de Akademie der Künste, vanaf 1830 in het Königliches Museum (later: Altes Museum), vanaf 1904 in het Kaiser-Friedrich-Museum (thans: Bode-Museum). Na de Tweede Wereldoorlog bestond er lang onduidelijkheid over de eigendomsrechten van de Berlijnse kunstschatten. Pas in 1957 verhuisden de 'oude meesters' naar West-Berlijn, waar ze in Berlin-Dahlem te zien waren, als onderdeel van de collecties van de Staatliche Museen zu Berlin - Preußischer Kulturbesitz. In 1986 ten slotte werd aan het Kulturforum Berlin de Gemäldegalerie geopend. Het Vera Icon behoort niet tot de permanent tentoongestelde werken.Bock (1997), pp. 12-45.
De Engelse kopie Een derde kopie die mogelijk uit het atelier van Van Eyck afkomstig is, bevindt zich sinds 1784 (of eerder) in Engeland, aanvankelijk in de Swinburne-collectie in Durham, later in Newcastle upon Tyne. Het betreft een klein paneel, waarvan de lijst ontbreekt. Volgens de kunstcriticus Martin Conway, die het in 1921 'ontdekte', moest dit wel het origineel zijn, waarvan alle andere versies zijn afgeleid. Voor die stelling droeg hij geen overtuigende argumenten aan en weinig auteurs zijn hem in die mening gevolgd.Conway (1921), pp. 253-254. In 1923 werd het paneeltje voor een jaar in bruikleen afgestaan aan het Mauritshuis in Den Haag.Christus. Door Jan van Eyck, 30 januari 1440. In bruikleen in het Mauritshuis. In: De Groene Amsterdammer, 10 maart 1923, p. 8. In 1930 was het schilderij aanwezig op de tentoonstelling van Oud-Vlaamsche Kunst tijdens de Wereldtentoonstelling in Antwerpen; in 1956 in het Groeningemuseum in Brugge. De huidige verblijfplaats is onbekend.Object 2131 op website rkd.nl.
Andere versies thumb|160px|De afwijkende versie uit Innsbruck (na 1906) Op de genoemde tentoonstelling in Brugge was ook zeker de 'eigen' Brugse versie te zien. Dit paneel is eveneens op klein formaat en vertoont ook andere overeenkomsten met het Engelse. De Brugse versie werd lange tijd gehouden voor een minder gelukte kopie, mogelijk een vroeg werk van Jan van Eyck, maar in 1981 toonden enkele kunsthistorici onder leiding van Aquilin Janssens de Bisthoven overtuigend aan dat het waarschijnlijk een (veel) latere kopie betreft. Het monogram PS of DS en het jaartal 1637 op de achterzijde van het paneel zou de naam van de kopiist en het jaar van ontstaan aanduiden.Object 56326 op website rkd.nl.
In 1994 en 1996 werden in New York twee versies van het Vera Icon geveild, die beide tot het München-type behoren. Het eerste kwam uit de verzameling van Ulrich von Brockdorff-Rantzau;Object 56328 op website rkd.nl. het andere bevond zich in een privécollectie in San Antonio, Texas.Object 9850 op website rkd.nl. Het middenpaneel van een in 1909 in Parijs geveild drieluik behoort tot het Engels-Brugse type, evenals een paneel in de Koninklijke Kapel van de Kathedraal van Granada.Object 56331 en 56333 op website rkd.nl. Tamelijk afwijkend is het paneel dat zich vóór 1863 in een privécollectie in Stuttgart bevond, daarna in Londen, en vanaf 1906 in Innsbruck.Object 56327 op website rkd.nl. Of het zich daar nog steeds bevindt, is onbekend. Een minder geslaagde kopie uit de late 15e eeuw bevindt zich sinds 1847 in de Britse Koninklijke Collectie.Head of Christ c.1475-1500 op website royalcollection.org.uk.
Iconografie Beschrijving Het formaat en de conditie van de diverse panelen en lijsten verschilt behoorlijk. Het exemplaar dat zich in 1956 nog in Newcastle bevond, bezit geen lijst meer. De andere lijsten zijn nog origineel en worden hieronder beschreven. Het kleinste paneeltje is dat in Newcastle (ca. 24 × 17 cm); het grootste in Berlijn (ca. 51 × 39 cm; inclusief lijst). De andere zitten daartussenin, waarbij het paneel in München (50,6 x 37,3 cm) maar weinig verschilt met het Berlijnse, en dat in Innsbruck (ca. 39,5 × 28,5 cm) groter is dan het Brugse (ca. 32 × 26 cm).Weale (1908), plaat I, II en III.
Het gelaat thumb|240px|Jan van Eyck: Jezus de mens op het Vera Icon, samen met de goddelijke Jezus en Adam de oermens op Het Lam Gods