De geschiedenis van de Franse spoorwegen begint in de eerste decennia van de 19e eeuw met de eerste vergunning voor een spoorlijn in 1823. De eerste spoorlijn op het Europese vasteland werd in 1827 geopend tussen Saint-Étienne en de rivier de Loire, met paardentractie. De centrale overheid heeft altijd een grote rol gehad in de aanleg en het beheer van het hoofdspoornet. Daarnaast is er in Frankrijk een groot secundair spoornet op smalspoor aangelegd. Meestal werd het initiatief genomen door de departementen die tevens de vergunningen verleenden. De lokale spoornetten werden geëxploiteerd door privé-bedrijven.

Vroegste periode thumb|De Koninklijke wegen in 1824 Voor de komst van de spoorwegen in Frankrijk verzorgden diligences en postkoetsen het 'snelle' vervoer. Vanaf de jaren 1780 haalden diligences een gemiddelde snelheid van een dravend paard (ongeveer 10 à 11 kilometer per uur). Postkoetsen gingen in het midden van de 19e eeuw bijna net zo snel als een galopperend paard (16 à 18 km/h).

Waar de spoorwegen zich aan het begin van de 19e eeuw in Groot-Brittannië, Duitsland, België of Zwitserland eerder of sneller ontwikkelden, liep Frankrijk vertraging op vanwege de napoleontische oorlogen. De wederopbouw slokte grote investeringen op, geld dat ze bij het oprichten van de eerste lijnen tekort kwamen. Die eerste lijnen waren kort en bedoeld om steden die dichtbij elkaar liggen te verbinden of mijn- en industriestadjes toegang tot een waterweg te geven. Bovendien beschikte Frankrijk over een goed ontwikkeld wegennet (koninklijke en departementale wegen) en vooral over een veel gebruikt kanalennet voor de binnenvaart. De Fransen waren nog niet klaar voor deze andere vorm van vervoer. Zo definieerde de Ingénieur des ponts et chaussées, de vroegere staatsingenieurorganisatie, spoorwegen in de jaren 1840 als 'droge kanalen', eenvoudige aanvullingen op de waterkanalen.La concurrence rail-navigation intérieure en France 1850-1914. Gearchiveerd op 15 juni 2022.

De ontwikkeling van de eerste spoorlijnen (een gecentraliseerd spoornet van lijnen die Parijs met steden eromheen verbond) waar de treinen 35 km/h konden rijden, opende een grote nationale markt voor landbouwproducten uit voorheen afgesloten productiegebieden. Tot dan toe was hun afzetmarkt beperkt doordat het te lang duurde hun bederfelijke waren te vervoeren.

Begin van het spoornet thumb|Een replica van de eerste Franse stoomlocomotief 'Marc Seguin' in Utrecht tijdens de 150 jaar viering van de Nederlandse spoorwegen 1814, de ingenieur en het hoofd van de mijnen Pierre Michel Moisson-Desroches stuurt Napoleon een rapport met als titel: Over de mogelijkheid de afstanden kleiner te maken door het rijk te doorkruisen met 7 grote spoorwegen. Hierin komen de zeven spoorwegen samen in Parijs. In 1838 wordt dit idee overgenomen door Baptiste Alexis Victor Legrand. 26 februari 1823, eerste vergunning voor een spoorweg in Frankrijk op besluit van koning Lodewijk XVIII. Het gaat om de spoorlijn van Saint-Étienne naar Andrézieux, 23 km. De vergunning wordt voor onbepaalde tijd aan Beaunier en De Gallois gegeven voor het transport van steenkool. De opening is op 30 juni 1827. Daarmee is het de eerste spoorlijn op het Europese continent. De wagons worden getrokken door paarden. 7 juni 1826, vergunning voor de lijn van Saint-Étienne naar Lyon, over 58 km, aan de broers Seguin. De lijn wordt tussen 1830 en 1832 geopend. Deze lijn gaat de concurrentie aan met het kanaal van Givors naar Rive-de-Gier dat erg succesvol is sinds de opening in 1780. Maar doordat dit kanaal slecht wordt beheerd, is het voor de spoorweg eenvoudig het monopolie te krijgen. In 1831 is dit de eerste lijn voor betalende reizigers. 27 augustus 1828, de concessie van de lijn van Andrézieux naar Roanne, over 67 km, de lijn wordt geopend tussen 1832 en 1833. Maar eerst eindigt de lijn niet in Roanne omdat de gemeenteraad weigert grond af te staan. Het eindstation is Le Coteau, aan de andere oever van de Loire en de lijn doet de haven van de Varennes aan. Daar kan op een pier de steenkool worden uitgeladen uit de boten die de Loire afvaren en later het kanaal van Roanne naar Digoin. Dat kanaal wordt op dat moment aangelegd en in 1838 geopend. Eind 1858 wordt de Loire overgestoken door een spoorbrug, om de lijn aan te sluiten op spoorlijn Montargis - Nevers - Roanne, bijgenaamd 'de Bourbonnais' van de Compagnie du chemin de fer Grand-Central de France. Tussen Balbigny en Le Coteau volgt die eerste lijn een ander traject dan tegenwoordig. De resten daarvan zijn nog goed zichtbaar: greppels en ophogingen worden tegenwoordig gebruikt als weggetjes. Ook staat er het oudste nog bestaande spoorgebouw van Frankrijk, met de vaste stoommachine van Biesse (Saint-Marcel-de-Félines, Loire) die in 1832 werd gebouwd voor vervoer over een helling, de eerste stoommachine op het Europese continent. De stoommachine staat op de lijst om historisch monument te worden. 7 april 1830, vergunning verleend voor onbepaalde tijd voor de spoorweg van Épinac naar Pont d'Ouche aan de Compagnie des houillères et du chemin de fer d'Épinac. Dit is een industriële spoorweg van 28 km, aangelegd door Samuel Blum, voor het vervoer vanaf de kolenmijn van Épinac naar het Bourgondisch Kanaal. In het begin door dieren voortgetrokken en met hellingen. Na een aantal problemen neemt de staat de spoorweg over en vertrouwt het vervolgens aan de Compagnie des chemins de fer de Paris à Lyon et à la Méditerranée (PLM) toe. thumb|Eerste spoorlijn rond Parijs in 1837 in het zwart getekend. De latere RER A heeft een andere route (paars) 24 augustus 1837, ingebruikname van de lijn Parijs- Saint-Germain-en-Laye. Dit is de eerste lijn in Frankrijk alleen voor personenvervoer en met stoomlocomotieven. De vergunning wordt op 9 juli 1835 afgegeven, de lijn is 18 km lang en de reis duurt 25 minuten (het traject loopt van Parijs naar Le Pecq, op de rechteroever van de Seine, aan de kant van het bos van Vésinet, voor dat wordt gekapt). De lijn wordt aangelegd door ingenieur Eugène Flachat op initiatief van de gebroeders Pereire. De houten brug over de Seine kan geen spoorlijn dragen. Het laatste stuk van de reis naar Saint-Germain-en-Laye gaat per postkoets. Nadat de lijn is verlegd en er een brug is gebouwd, wordt de verlengde lijn naar Saint-Germain-en-Laye op 17 april 1847 in gebruik genomen. Op 15 december 1837, vergunning voor de spoorlijn van Bordeaux naar La Teste (in de buurt van Arcachon) afgegeven aan de gelijknamige maatschappij. Ingenieur Fortuné de Vergès deze maatschappij in 1838 op, op basis van een plan uit 1835 van de notaris Louis Godinet. De lijn opent in 1841. In 1853 geeft de staat de lijn, die grote financiële problemen heeft, aan de Compagnie du Midi van de broers Péreire. 21 oktober 1838, feestelijke opening van de lijn Abscon - Saint-Waast Là-Haut (Bij Anzin, voorstadsgemeente van Valenciennes). 24 oktober 1838 wordt er een vergunning voor onbepaalde tijd afgegeven. Het is een industriële spoorlijn van 15 km die tot aan zijn nationalisatie in 1945 wordt geëxploiteerd door de Compagnie des mines d'Anzin. Behalve voor kolentransport wordt deze lijn ook gebruikt voor reizigers. Deze spoorlijn werd later uitgebreid tot in Péruwelz, België. Zie spoorlijn Somain - Vieux-Condé. 1838, Baptiste Alexis Victor Legrand tekent het net van grote lijnen in stervorm uit, met Parijs als centrum, dat bekend staat als 'de ster van Legrand'. Het lijkt op het wegennet uit de 18e eeuw en heeft grote invloed op de economische en sociale geografie van Frankrijk. Legrand neemt de belangrijkste ideeën over uit de tekst van Pierre Michel Moisson-Desroches. 9 juni 1839, de feestelijke opening van de lijn Montpellier naar Sète (vroeger Cette). 15 juni 1839, de feestelijke opening van de lijn Nîmes-Beaucaire, aangelegd door de Compagnie des Mines de la Grand'Combe et des chemins de fer du Gard. 2 augustus 1839, de feestelijke opening van de lijn Parijs-Versailles door de hertog van Orléans. De vergunning voor de lijn werd op 9 juli 1836 afgegeven. Op 1 september 1839 wordt de lijn Mulhouse naar Thann, bedacht door Nicolas Koechlin, in gebruik genomen door de Compagnie du chemin de fer de Mulhouse à Thann. Op 17 september 1840 ingebruikname van de lijn Parijs-Corbeil, 30,25 km lang door de Compagnie du chemin de fer de Paris à Orléans. De lijn begint bij het station Paris-Austerlitz en volgt de linkeroever van de Seine. De belangrijkste reden voor de aanleg zijn de talloze molens en graanmagazijnen langs de Essonne in Corbeil. De lijn van Parijs naar Corbeil verbindt het station Austerlitz met de pier van Corbeil en stopt op zes tussengelegen stations: Choisy-le-Roi, Ablon, Mons, Viry, Ris en Evry. 1841, de feestelijke opening van het eerste deel van de lijn van Strasbourg-Ville naar Saint-Louis, tussen Koenigshoffen en Saint-Louis, 134 km lang. Dit is de eerste internationale spoorlijn in Europa, gebouwd en geëxploiteerd door Nicolas Koechlin voor de Compagnie du chemin de fer de Strasbourg à Bâle. 8 mei 1842, ongeluk bij Meudon, de eerste treinramp in Frankrijk. 11 juni 1842, het 'handvest' voor de spoorwegen: de wet over het aanleggen van grote spoorwegen die het beheer van het Franse spoor vastlegt. De wet is een eerste model voor publiek-private samenwerking. De staat is eigenaar van de grond waar de trajecten op komen en financiert de aanleg van de infrastructuur (bouwkundige kunstwerken en gebouwen). Het gebruik wordt afgestaan aan compagnieën die de spoorlijnen aanleggen, in het materieel investeren en een monopolie hebben op het exploiteren van de lijnen. 1 augustus 1842, het eerste postrijtuig op de lijn van Straatsburg naar Basel. 6 november 1842, eerste aansluiting op het spoornet van een buurland, tussen Tourcoing en Moeskroen (België): de Ligne de Fives à Mouscron (grens) (in België lijn 75) 1842-1845: aansluiting van Nîmes op Montpellier (waardoor de 'ster' Sète-Beaucaire-La Grand' Combe ontstaat). Bij deze gelegenheid worden de neo-klassieke stations van Nîmes en Montpellier gebouwd, waarvan de monumentale voorgevels nog steeds overeind staan.

Op 11 juni 1842 wordt een wet aangenomen voor bouw van een landelijk spoornet, op basis van de 'ster van Legrand'. Vanuit Parijs worden hoofdspoorlijnen voorzien naar: België via Lille en Valenciennes Groot-Brittannië via nader te bepalen havens Duitsland via Nancy en Straatsburg Naar de Middellandse Zee (eindbestemmingen Marseille en Sète) via Lyon Spanje via Tours, Poitiers, Angoulême, Bordeaux en Bayonne Atlantische kust via Tours en Nantes Naar het centrum van Frankrijk via Bourges Met twee transversale verbindingen: Van de Middellandse Zee naar de Rijn via Lyon, Dijon en Mulhouse Van de Atlantische kust naar de Middellandse Zee via Bordeaux, Toulouse en Marseille De gemeenten moesten grond beschikbaar stellen en de staat zou de spoorwegen aanbouwen. De expliotatie wordt uitgevoerd door de spoormaatschappijen met langdurige concessies met hoofdzakelijk privaatkapitaal. Naar aanleiding van de wet vroegen veel maatschappijen concessies aan. De eerste spoorlijnen zijn: 1846: Van Parijs naar Lille en Vallenciennes (Compagnie des chemins de fer du Nord) mei 1848: van Amiens naar Boulogne maart 1849: van Compiègne naar Noyon juli 1849: van Parijs naar Straatsburg augustus 1849: van Tours naar Angers