Isabella di Morra, ook bekend als Isabella Morra (Favale, ca. 1520 – aldaar, 1545 of 1546) was een Italiaanse dichteres. Er zijn slechts dertien gedichten van haar overgeleverd. Morra leefde samen met haar tirannieke broers in afzondering in het familiekasteel, ver weg van literaire kringen. Haar korte leven, dat werd gekenmerkt door isolement en treurigheid, eindigde toen zij door haar eigen broers werd vermoord, omdat zij meenden dat hun zus een geheime relatie was aangegaan met baron Diego Sandoval de Castro. Ook hij werd door de broers vermoord. Hoewel Morra tijdens haar leven onbekend was, kreeg ze lang na haar dood toch een zekere roem, dankzij het onderzoek van Benedetto Croce. Haar tragische levensverhaal en haar poëzie kregen meer aandacht. Daardoor wordt zij nu zelfs beschouwd als een van de oorspronkelijkste dichters van de Italiaanse poëzie uit de 16e eeuw en geldt zij als een voorloper van de poëzie uit de Romantiek. Er zijn geen historische documenten bekend betreffende haar leven, behalve de familiegeschiedenis Familiae nobilissimae de Morra historia (1629) van Marcantonio, een zoon van haar jongste broer Camillo. Zij is begraven in de San Fabianokerk te Valsinni, die zich bevindt aan de voet van het kasteel.
Biografie Jeugd Isabella di Morra werd geboren in Favale (het huidige Valsinni in Zuid-Italië) als dochter van Giovanni Michele di Morra, baron van Favale, en Luisa Brancaccio, een telg uit een aristocratische familie uit Napels. De andere gezinsleden waren haar broers Marcantonio, Scipione, Decio, Cesare, Fabio, Camillo en haar zus Porzia. Haar precieze geboortejaar is onbekend. Meestal wordt uitgegaan van het onderzoek van Benedetto Croce, die uitgaat van 1520. Andere wetenschappers, zoals Giovanni Caserta, plaatsen haar geboortejaar iets eerder, rond 1516. Samen met haar broer Scipione, die of iets ouder, of haar tweelingbroer was, kreeg Isabella onderwijs van haar vader, een ontwikkeld man met liefde voor literatuur. Hij bracht zijn liefde voor poëzie op haar over.
In de oorlog tussen Frankrijk en Spanje om het bezit van het koninkrijk Napels stond Giovanni di Morra aan de kant van de Fransen. Na de nederlaag van Frans I van Frankrijk tegen Karel V van Habsburg was hij gedwongen om in 1528 te vluchten naar Rome en vandaar naar Parijs. Zijn zoon Scipione ging met hem mee naar Rome, maar bleef daar vanwege zijn studie. De Franse ambassadeur bij de Heilige Stoel kreeg bewondering voor Scipione en nam hem later mee naar Parijs, waar hij met zijn vader werd verenigd. Het leen Favale, dat al vanaf de Normandische tijd in het bezit was van de familie Morra, was enkele jaren lang onteigend door de koning van Spanje. Morra kon vergeving krijgen voor zijn misdaad door een hoge boete te betalen, maar hij bleef in Frankrijk en diende daar in het Franse leger. Ook mengde hij zich in het culturele leven van Parijs. Na verschillende onderhandelingen kreeg de familie Morra haar bezit weer terug. Het werd overgedragen aan Morra’s oudste zoon, Marcantonio.
Morra’s vrouw bleef met de andere kinderen achter in Favale (de jongste zoon, Camillo, werd geboren kort na het vertrek van de vader). Isabella kreeg een andere leraar, die haar les gaf in Petrarca en de Latijnse schrijvers. De verhouding met haar jongere broers Decio, Fabio en Cesare was erg moeizaam en verslechterde steeds meer. Haar broers, die volgens hun neef Marcantonio ‘woest en barbaars’ waren vanwege hun “ruige woonplaats”, sloten haar op in het kasteel van Favale, waar zij een groot deel van haar korte bestaan doorbracht. Daar wijdde Isabella zich aan het schrijven van haar gedichten. Zo vond zij in de poëzie de enige troost die haar eenzaamheid kon verlichten.
Relatie met Diego Sandoval de Castro miniatuur|Het Kasteel van Isabella di Morra in Favale (het huidige Valsinni) Morra vond een manier om een geheime correspondentie te onderhouden met Diego Sandoval de Castro, een dichter van Spaanse afkomst en baron van het naburige dorp Bollita (het huidige Nova Siri) en kastelein van Cosenza. Omdat hij enige beroemdheid had, was hij lid van de literaire Accademia fiorentina in Florence. In 1542 had hij in Rome een bundel gepubliceerd met gedichten in de stijl van Petrarca. De twee begonnen een geheime briefwisseling, waarbij Isabella’s privéleraar als tussenpersoon fungeerde. Waarschijnlijk hadden zij ook enkele keren de gelegenheid om elkaar te ontmoeten in een huis van de familie Morra, halfweg tussen Favale en Bollita. Het blijft nog altijd een raadsel wat dit contact tussen Diego Sandoval de Castro en Isabella precies inhield, in het afgelegen Basilicata en ver weg van de grotere culturele stromingen van die tijd.
Het is zeker dat de brieven die don Diego aan Isabella stuurde, waren geschreven in de naam van zijn vrouw Antonia Caracciolo. Historici vermoeden dat Isabella en Antonia elkaar al kenden voor het begin van de briefwisseling. Hoewel er een enkele keer naar het huwelijk wordt verwezen, zijn er in de gedichten van Isabella geen sporen te vinden van liefde voor Sandoval of voor een andere man. In de gedichten van de baron is er wel een ode aan een beminde vrouw, misschien een vrouw in het bijzonder of misschien was het slechts in navolging van een populair thema dat toen in de mode was. Hoe dan ook, in het getuigenis van Antonia na de dood van haar man, dat is overgeleverd door Alonso Basurto, de Spaanse gouverneur van de provincie Basilicata, valt te lezen dat Diego werd gedood omdat hij een zus van de baron van Favale het hof had gemaakt. Het is echter onbekend of de dichteres zijn liefde ook beantwoordde.
Of het nu ging om een emotionele band of om een intellectuele vriendschap, ontstaan vanuit haar eenzaamheid, haar broers kwamen er van op de hoogte. Decio, Cesare en Fabio hadden het vermoeden van een buitenechtelijke relatie en besloten om hier snel een einde te maken. Ze maakten daarom een plan om hun zus en om don Diego te doden. Dit laatste misschien omdat ze bang waren dat hij de provinciegouverneur van Basilicata zou inlichten en dat die Isabella zou bevrijden van de onderdrukking die de broers over haar uitoefenden. Croce is het echter met deze laatste hypothese niet eens.
Moord Nadat de broers deze vermeende liefdesrelatie ontdekt hadden, maakten zij van de privéleraar hun eerste slachtoffer. Daarna gingen ze achter hun zus aan. Volgens het verslag van hun neef Marcantonio, overrompelden zij Morra toen ze een nog gesloten brief in haar hand hield. Zij verdedigde zich door te zeggen dat ze gestuurd waren door Antonia Caracciolo, maar hun woede werd daardoor niet minder en Morra werd doodgeslagen. Twee van de broers vluchtten voor korte tijd naar Frankrijk, omdat ze gezocht werden door het Gran Corte della Vicaria, het toenmalige gerechtshof. Daarna kwamen ze weer bij elkaar om het laatste deel van hun wraak te voltrekken. Don Diego was hier al bang voor en had een lijfwacht ingesteld. De drie moordenaars kregen hulp van hun ooms Cornelio en Baldassino, die waarschijnlijk meer gedreven werden door haat jegens de Spanjaarden. Zij legden een hinderlaag en sloegen de baron dood met haakbussen in het bos van Noia (het huidige Noepoli). Ook het sterfjaar van de dichteres blijft een mysterie, hoewel Croce en Caserta het erover eens zijn dat het gebeurd moet zijn ergens rond eind 1545 of begin 1546. Andere bronnen gaan echter uit van 1548.
De moord op Diego Sandoval de Castro riep in die tijd veel heftigere reacties op dan de moord op Isabella. In de erecode van de 16e eeuw was het in feite toegestaan om een de familie aangedane schande met bloed uit te wissen, vooral wanneer een vrouw voor de schande had gezorgd. Wat echter niet toegestaan was, was dat derden betrokken werden bij de oplossing van een geschil. Ook duelleren was niet toegestaan of het door verraad doden van een hogere in rang. Sommigen stellen dat de moord op de baron slechts het voorwendsel was voor politieke belangen, omdat de Morra’s verbonden waren aan de Fransen, terwijl De Castro had gediend in het Spaanse leger van Karel V, voordat hij werd beloond met de titel van baron van Bollita en met het ambt van kastelein van Cosenza.
Gevolgen Na de moord zagen de broers zich gedwongen om hun toevlucht te zoeken in Frankrijk om zo te kunnen ontsnappen aan de woede van de Spaanse onderkoning Pedro de Toledo. Hij liet de hele provincie uitkammen. De broers werden weer verenigd met Scipione en hun vader, die inmiddels al twintig jaar van huis waren. Marcantonio, de biograaf van de familie, beweerde dat zijn grootvader Giovanni Michele eerder dan Isabella was gestorven, maar Benedetto Croce toonde aan dat hij pas na deze tragedie stierf, omdat hij nog tot ten minste 1549 een pensioen van de koning van Frankrijk bleef ontvangen. Scipione was weliswaar geschokt en vol weerzin over de moorden, maar hij besloot toch zijn broers te helpen om een nieuw leven op te bouwen in Frankrijk.
Van Fabio valt niets meer met zekerheid te zeggen, Decio werd priester en Cesare trouwde met een adellijke vrouw. Scipione werd een invloedrijk persoon vanwege zijn positie als secretaris van Catharina de' Medici. Hij werd later vergiftigd door andere hovelingen, omdat die afgunstig waren op zijn bevoorrechte positie. De koningin was zeer verontwaardigd over deze gebeurtenis en liet de schuldigen straffen. Ondertussen werden de broers die in Favale waren gebleven aangeklaagd. Marcantonio bleek niet bij het bedenken van het plan betrokken te zijn geweest, maar desondanks ging hij toch voor enkele maanden de gevangenis in. Camillo, de jongste broer, werd volledig vrijgesproken van de beschuldiging van medeplichtigheid, omdat bleek dat hij niets met de gebeurtenissen te maken had.
Werken De geschriften van Morra werden ontdekt en vervolgens toegevoegd aan de processtukken door ambtenaren van de onderkoning in Napels, toen zij onderzoek deden naar de moord op Diego Sandoval de Castro en daarbij het kasteel van Valsinni doorzochten. Ondanks het zeer kleine corpus dat is overgeleverd (tien sonnetten en drie andere), wordt de poëzie van Isabella beschouwd als een van de meest intense en ontroerende van de 16e eeuw. Heel vaak wordt haar werk gelezen vanuit een feministisch perspectief (vooral in de Verenigde Staten), gezien het geringe aantal vrouwen dat een rol speelde in de Italiaanse literatuur van die tijd. Daarbij wordt de toenmalige culturele en historische achtergrond niet altijd goed in acht genomen. Omdat Isabella niet zelf een uitgave had verzorgd van haar dichtwerk, weet men niet met zekerheid wat de chronologische volgorde is van de gedichten. Wel wil men haar werk zien als een ‘authentieke autobiografie in verzen’ en zo verdeelt men de gedichten in twee periodes: de eerste periode wordt gekenmerkt door onbehagen en hoop op ontsnapping, terwijl de tweede periode (het laatste sonnet en de drie andere gedichten) vooral berusting en het zoeken van troost bij God laten zien.
Sonnetten I fieri assalti di crudel fortuna (De hevige aanvallen van het wrede Lot) Sacra Giunone, se i volgari cuori (Heilige Juno, als gewone harten) D'un alto monte onde si scorge il mare (Vanaf een hoge berg waar men de zee ziet) Quanto pregiar ti puoi, Siri mio amato (Hoezeer je ook smeekt, mijn geliefde Sinni) Non solo il ciel vi fu largo e cortese (Niet alleen de hemel was gul en vriendelijk voor jou) Fortuna che sollevi in alto stato (Jij, het Lot, dat zich hoog verheft) Ecco ch'una altra volta, o valle inferna (Nog één keer, o helse vallei) Torbido Siri, del mio mal superbo (Onstuimige Sinni, trots op mijn ellende) Se alla propinqua speme nuovo impaccio (Als er voor de naderende hoop een nieuw obstakel) Scrissi con stile amaro, aspro e dolente (Ik schreef in een bittere, felle en treurige stijl)
Andere gedichten Poscia ch'al bel desir troncate hai l'ale (Toen je de vleugels van mijn mooie verlangen knipte) Signore, che insino a qui, tua gran mercede (Heer, die tot nu toe uw grote genade) Quel che gli giorni a dietro (Wat in vroeger dagen)