Johan II van Nassau-Wiesbaden-Idstein (1360Cawley.Schwennicke (1978).Dek (1970).Van de Venne & Stols (1937).Vorsterman van Oyen (1882). – Aschaffenburg, 23 september 1419Brück (1974).Menzel (1881), p. 776.), Duits: Johann II. von Nassau-Wiesbaden-Idstein, Erzbischof und Kurfürst von Mainz, was een geestelijke uit het Huis Nassau-Wiesbaden-Idstein, een zijtak van de Walramse Linie van het Huis Nassau. Hij was vanaf 1397 als Johan II aartsbisschop en keurvorst van Mainz. Door zijn tijdgenoten en historici is hij gekarakteriseerd als ambitieus, intelligent en sluw. Zijn gecompliceerde rijks- en alliantiepolitiek was gebaseerd op zijn zorg voor het aartsbisdom en de economische opkomst ervan.
Biografie Johan was de zevende zoon van graaf Adolf I van Nassau-Wiesbaden-Idstein en Margaretha van Neurenberg, dochter van burggraaf Frederik IV van Neurenberg en Margaretha van Görz en Tirol. Johan kreeg om onbekende redenen zijn opleiding deels in Hongarije en werd domheer in Mainz in 1390Menzel (1881), p. 764. en in Würzburg. Verder was hij o.a. proost van het Sint-Georgenbergklooster bij Worms.
In 1386 droeg zijn broer Walram IV de Burcht Adolfseck aan hem over. Johan bouwde in de burcht een aan de heilige Valentijn gewijde kapel. Toen Johan in 1397 aartsbisschop van Mainz werd, ging het bezit van de burcht over aan zijn neef Adolf II, de zoon van Walram IV. Burg Adolfseck, Rheingau-Taunus-Kreis in: Landesgeschichtliches Informationssystem Hessen (LAGIS). Gearchiveerd op 19 april 2023.
miniatuur|links|De Dom van Mainz Benoeming tot aartsbisschop Bij de verkiezing van een opvolger van zijn broer (de op 6 februari 1390 overleden aartsbisschop en keurvorst van Mainz, Adolf I) werd Johan verslagen, toen het kapittel van de Dom van Mainz Koenraad II van Weinsberg verkoos.Enkele dagen na de dood van Koenraad II (19 oktober 1396) sloot Johan op 24 oktober 1396 een alliantie met de paltsgraven bij de Rijn. Maar de kanunniken wilden de aartsbisschop niet al te vaak uit hetzelfde grafelijke huis halen en kozen op 17 november 1396 als compromis Godfried van Leiningen tot aartsbisschop, die ook de goedkeuring van rooms-koning Wenceslaus kreeg en diens voorspraak bij paus Bonifatius IX. Johan ging naar Rome en legde de paus uit dat de verkiezing van Godfried geenszins overeenkwam met de wensen van de geestelijken en de leken van het aartsbisdom, maar veeleer het werk was van een door koning Karel VI van Frankrijk beïnvloede partij die neigde naar de tegenpaus in Avignon, Benedictus XIII. Daarom vroeg hij de paus deze verkiezing niet te overwegen, maar hemzelf te benoemen tot aartsbisschop van Mainz. Door middel van brieven, die uit zijn vaderland waren aangekomen, probeerde hij te bewijzen dat deze daad van de paus daar algemene vreugde en instemming zou opwekken. Bonifatius, die in ieder geval graag de benoeming van het belangrijke aartsbisdom in zijn handen hield, liet zich door deze niet geheel waarheidsgetrouwe voorstelling van zaken en de gelijktijdige voorspraak van paltsgraaf Ruprecht II, die een vastberaden volgeling was van de Romeinse paus in het rijk, en niet in de laatste plaats door het geld dat Johan meebracht en verder beloofde, werkelijk bewegen om Johan op 24 januari 1397 tot aartsbisschop van Mainz te benoemen. Johan mocht de stad Rome pas in juli 1397 verlaten, nadat hij de schuldeisers die de nodige bedragen hadden voorgeschoten, volledig tevredengesteld had, en de paus bindende beloftes had gedaan met betrekking tot zijn trouw. Terug in Mainz werd Johan zonder problemen geaccepteerd als aartsbisschop, hoewel verschillende kanunniken nog tegenstribbelden en rooms-koning Wenceslaus opnieuw probeerde Bonifatius voor Godfried van Leiningen te winnen. De paus liet het bij bevelschriften ten gunste van Johan, temeer omdat de graven van Leiningen, vermoedelijk uit ergernis, een gezantschap van de paus, dat een keurvorstendag in Frankfurt wilde bezoeken, hadden aangevallen en gevangengenomen, en daarmee in Rome de argwaan versterkte dat Godfrieds partij inderdaad met de tegenpaus in Avignon verbonden was.Menzel (1881), p. 764–765. Na lang onderhandelen deed Godfried definitief afstand van de bisschopsstaf en werd hij met het lucratieve ambt van domproost schadeloos gesteld.
miniatuur|links|Rooms-koning Wenceslaus Oppositie tegen koning Wenceslaus Johan werd onmiddellijk de meest fervente aanhanger van de keurvorstelijke oppositie tegen rooms-koning Wenceslaus. De belangrijkste klachten tegen Wenceslaus waren al in mei 1397, d.w.z. zonder Johan, door de keurvorsten geformuleerd tijdens een bijeenkomst in Frankfurt. Toen Wenceslaus eind 1397 voor de Rijksdag in Frankfurt verscheen, overhandigden ze hem die klachten schriftelijk. Ze beklaagden zich erover dat hij geen einde had gemaakt aan het kerkelijk schisma dat uit Avignon voortkwam, dat hij de afscheiding van belangrijke delen van het grondgebied van het rijk niet verhinderde, dat hij Gian Galeazzo Visconti erkende als heer van Milaan en hem verhief tot de rang van hertog, dat hij zijn vrienden en volgelingen onbeschreven maar verzegelde oorkonden gaf om naar believen in te vullen, dat hij recht en vrede in het rijk niet beschermde, dat hij geestelijken en andere onschuldige mensen in Bohemen vermoordde. De keurvorsten zouden eigenlijk hebben moeten toegeven dat ze voor een groot deel zelf verantwoordelijk waren voor de omstandigheden waar ze de koning van beschuldigden, maar ze waren nou eenmaal vastbesloten om Wenceslaus, die al jaren niet meer in het rijk was geweest, van de troon te stoten en iemand uit hun midden – paltsgraaf Ruprecht II – tot rooms-koning te verheffen. Ze wilden geen koning die het rijk vanop afstand en met de raad van niet-ebenbürtige dienaren regeerde, maar aan de Rijn onder hun invloed, een koning die zonder aarzelingen aan de paus in Rome zou vasthouden en die de belangen van de vorsten en vooral van de keurvorsten zou dienen. Dit plan, dat door Johan en Ruprecht II eendrachtig en behoedzaam werd voorbereid, stuitte op moeilijkheden. Na een afwezigheid van tien jaar keerde Wenceslaus terug naar het rijk. Door zijn daden liet hij zien dat het hem echt om recht en vrede ging. In Frankfurt, waar hij net de klachten van de keurvorsten schriftelijk had ontvangen, kondigde hij op 6 januari 1398 een algemene landvrede voor tien jaar af. Hij deed onmiddellijk verschillende concessies aan de Rijnlandse keurvorsten, die met allerlei problemen te kampen hadden. Hij verleende ook gunsten en genade aan iedereen. Het belangrijkste was dat hij Johan als aartsbisschop erkende en hem de regalia verleende. Paltsgraaf Ruprecht III, die zijn zojuist overleden vader in diens heerlijkheden en aanspraken was opgevolgd, beleende hij reeds op 18 januari met zijn rijkslenen. Het wijze beleid van Wenceslaus, en het overlijden van de oude paltsgraaf verhinderde de voortgang van de oppositie. Johan, Ruprecht III en Werner III van Falkenstein, de aartsbisschop van Trier, vonden het vooralsnog beter om met de steden in het Rijnland en de Wetterau, in aansluiting op de Frankfurtse landvrede, maar met de door hen gewenste veranderingen, op 3 maart 1398 een eigen landvrede voor vijf jaar te sluiten. Een compromis was echter niet meer mogelijk, Johan en Ruprecht III joegen spoedig weer voorwaarts. Door zijn ontmoeting met Karel VI van Frankrijk, door de keurvorsten ernstig afgeraden, wekte Wenceslaus opnieuw hun argwaan op en had hij kort daarna een heftige scène met Ruprecht III te Koblenz, die hij verweet dat hij de kroon wilde.Menzel (1881), p. 765–766.
miniatuur|links|Burggraaf Frederik VI van Neurenberg Zodra Johan de kanunniken, die Godfried van Leiningen hadden gekozen, voor zich had gewonnen en de zaak van Godfried volledig hopeloos werd, werd hij benaderd door Frederik III van Saarwerden, de aartsbisschop van Keulen, die Godfried had gesteund en die zich sinds de terugkeer van Johan uit Italië voorzichtig gedragen had. Johan, Frederik III en Ruprecht III sloten op 11 april 1399 te Boppard een verbond, waarbij ze overeen kwamen dat ze in de toekomst in alle aangelegenheden van de kerk en het rijk bij elkaar zouden blijven en eensgezind zouden handelen, dat ze geen rijksvicaris zouden erkennen die zonder hun voorkennis was aangesteld, dat ze geen enkele verkleining van het rijk zouden accepteren, namelijk dat ze het door de koning aan Gian Galeazzo Visconti toegekende hertogdom Milaan niet zouden bevestigen. Nu moesten ook de andere keurvorsten voor beslissend handelen gewonnen worden. Keurvorst Rudolf III van Saksen trad op 2 juni 1399 in Marburg toe tot het Verbond van Boppard en op 15 september 1399 aartsbisschop Werner III van Trier. Omdat een aantal vooraanstaande vorsten, zoals de hertogen Stefanus III en Lodewijk VII van Beieren, landgraaf Herman II ‘de Geleerde’ van Hessen, de markgraven van Meißen en burggraaf Frederik VI van Neurenberg, zich ondertussen met de leidende keurvorsten verbonden hadden, vonden deze het tijd om hun intenties duidelijker te openbaren. Op 19 september 1399 sloten Johan, Frederik III van Keulen, Werner III van Trier, Rudolf III van Saksen en paltsgraaf Ruprecht III een verdrag met de genoemde vorsten waarin deze overeenkwamen dat ze elke vorst die de vijf keurvorsten uit de huizen van Beieren, Meißen, Hessen, Neurenberg en Württemberg zouden kiezen, als koning zouden erkennen. De leidende keurvorsten durfden de eigenlijke kandidaat nog niet te noemen; voorlopig wilden ze de machtige vorsten door het vooruitzicht van de kroon aan zich binden en hen leiden op een pad waarbij een terugkeer niet meer mogelijk was. Wenceslaus, die hoorde over de veelvuldige ontmoetingen, hoopte in eerste instantie nog steeds door welwillendheid en genadebetuigingen de hem vijandige sfeer te kunnen sussen. Zo verleende hij Johan aanzienlijke tolinkomsten in Höchst am Main en in het Odenwald. Ook probeerde Wenceslaus de keurvorsten en de vorsten voor een bijeenkomst te winnen waar hij zich persoonlijk tegen hun grieven kon verantwoorden en het met hen eens kon worden, doch dat was tevergeefs. De keurvorsten weigerden op futiele gronden en bleven hun eigen dagtochten houden; ze deden al pogingen om de steden en paus Bonifatius IX voor hun voornemen te winnen. Maar noch bij de steden noch bij de paus hadden ze succes. De steden weigerden elke medewerking. Ze waren meer gehecht aan de koning dan aan de keurvorsten, die ze van nabij kenden, maar ze waren veel te bang om kleur te bekennen of zelfs maar iets voor de bedreigde koning te doen en lieten de dingen op hun beloop. Bonifatius IX, die vanwege het kerkelijk schisma voorzichtig moest zijn, gaf een nietszeggend, vertragend antwoord, hoewel de paltsgraven tot dan toe in het rijk de meest vastberaden vertegenwoordigers van gehoorzaamheid aan de paus in Rome geweest waren.Menzel (1881), p. 766–767.
miniatuur|Keurvorst Rudolf III van Saksen Op de vorstendag in Frankfurt op 22 mei 1400, waar Johan, Frederik III van Keulen, Rudolf III van Saksen en paltsgraaf Ruprecht III in eigen persoon en raadsheren van Trier verschenen waren, traden wel opnieuw vooraanstaande vorsten als de hertogen van Brunswijk, Beieren, Saksen, Gulik en Oostenrijk toe tot het verbond van de keurvorsten, maar Rudolf III van Saksen, waarvan men dacht dat hij al volledig gewonnen was – Saksen was op 1 februari 1400 toegevoegd aan de vijf huizen waaruit de koning zou worden gekozen – viel weer af en verliet Frankfurt met verschillende vorsten uit het noorden. Dat was ofwel omdat hij de zelfzuchtige bedoelingen van de Rijnlandse keurvorsten herkende, ofwel omdat de voorstellen en aanbiedingen van Wenceslaus, die diens gezanten met veel vaardigheid in Frankfurt presenteerden, indruk op hem hadden gemaakt.Menzel (1881), p. 767. Johan slaagde er niet in om de verkiezing van paltsgraaf Ruprecht III tot rooms-koning door te zetten, omdat ook hertog Frederik I van Brunswijk-Wolfenbüttel als kandidaat werd voorgesteld.