De Frans-Engelse Oorlog van 1202 tot 1214, ook Engels-Franse of Anglo-Franse Oorlog (edd.), Propyläen Weltgeschichte, V, Berlijn, 1961, p. 452. genoemd, was een langdurige strijd tussen het koninkrijk Engeland, waarvan de koning aan het begin van de oorlog nog grote lenen in Frankrijk bezat, en het koninkrijk van Frankrijk. Tijdens deze oorlog, die door meerdere wapenstilstanden werd onderbroken, kon Frankrijk grote delen van het zogenaamde Angevijnse Rijk in Frankrijk heroveren en behouden. De nederlagen in deze oorlog leidden in Engeland tot de Eerste Baronnenoorlog en de ondertekening van de Magna Carta door Jan zonder Land.
Achtergrond miniatuur|Vredessluiting tussen Jan zonder Land en Filips II (miniatuur uit de 14e eeuw). Door de verovering van Engeland door Willem de Veroveraar was de hertog van het Noord-Franse Normandië ook koning van Engeland geworden. Afgezien van enkele korte onderbrekingen waren ook Willems opvolgers tegelijk koning van Engeland als hertog van Normandië gebleven, waardoor ze bij hoofde vazallen van de koning van Frankrijk waren. Door het huwelijk van de latere Engelse koning Hendrik II Plantagenêt, die van zijn vader de Franse graafschappen Anjou, Maine en Tours had geërfd, met Eleonora van Aquitanië, de erfgename van het hertogdom Aquitanië, ontstond het Angevijnse Rijk. Dit rijk omvatte naast Engeland en Normandië ook de door erfenissen en huwelijk verworven bezittingen en maakte van de Engelse koning, met als moedertaal Frans, dus de machtigste leenman in Frankrijk.
De Franse koning Filips II, die in 1180 op de troon kwam, zette de politiek van zijn vader voort om het Angevijnse Rijk van de Plantagenêts, dat een bedreiging vormde voor de macht van de koning, af te breken. Richard Leeuwenhart, de derde zoon en opvolger van Hendrik II, had in een meerjarige oorlog van 1194 tot 1199 weliswaar Filips II kunnen verslaan, maar sneuvelde kort daarop aan een pijlwonde opgelopen tijdens het beleg van het kasteel van Châlus-Chabrol in Zuidwest-Frankrijk. Zijn broer, Jan zonder Land, werd daarop koning van Engeland en hertog van Normandië. Ondanks de tegenwerking van Filips II, die Jans neef Arthur I van Bretagne steunde,Grandes Chroniques de France s.a. 1199 (I 18) (= , Les grandes chroniques de France, selon que elles sont conservées en l'église de Saint Denis en France, IV, Parijs, 1836, p. 115), Rigord, Gesta Philippi Augusti s.a. 1199 (= (ed.), Recueil des Historiens des Gaules et de la France, XVII, Parijs, 1878², p. 50). kon hij ten slotte ook de heerschappij over de andere Franse bezittingen van zijn familie overnemen. In het verdrag van Le Goulet erkende de Franse koning in 1200 de heerschappij over deze de gebieden, maar in ruil werd hij wel door Jan zonder Land erkend als leenheer van zijn Franse bezittingen.Grandes Chroniques de France s.a. 1200 (I 19) (= , Les grandes chroniques de France, selon que elles sont conservées en l'église de Saint Denis en France, IV, Parijs, 1836, p. 116), Rigord, Gesta Philippi Augusti s.a. 1200 (= (ed.), Recueil des Historiens des Gaules et de la France, XVII, Parijs, 1878², pp. 51-53).
Nieuwe oorlog De vrede tussen beide koningen was van korte duur. De hoofdoorzaak van de nieuwe oorlog was de weigering van Jan om in te gaan op de eisen van het Huis Lusignan, een van zijn machtigste vazallen in Aquitanië. Zij wendden zich daarop tot de Franse koning als hun opperleenheer, die Jan verplichtte hun grieven aan te horen., King John, Berkeley, 19782, p. 76. Gearchiveerd op 10 juli 2023. Doordat Jan deze aanmaning naast zich neerlegde, liet Filips II de Engelse koning voorleiden voor het hofgerecht. Jan antwoordde hierop dat hij als hertog van Normandië het oude privilege had om de Franse koning slechts aan de grens van zijn hertogdom te ontmoeten. Filips II ging hier tegen in omdat Jan zich niet als hertog van Normandië, maar als hertog van Aquitanië moest verantwoorden. Bij een nieuwe weigering van Jan Zonder Land om zich voor de klachten van zijn vazallen te verantwoorden, verklaarde Filips II in mei 1202 de Engelse koning tot opstandige vazal en ontnam hem al zijn lenen in Frankrijk. (ed.), Rotuli litterarum patentium in turri Londinensi asservati: 1201 - 1216, I, Londen, 1835, p. 10b. Gearchiveerd op 10 juli 2023.
Veldtochten van 1202 miniatuur|De veldtochten van 1202. Filips II begon de oorlog met een aanval op Normandië. Daarvoor sloeg hij in juli Jans neef Arthur van Bretagne, die weer zijn aanspraken op zijn erfdeel deed gelden, in Gournay-en-Bray tot ridder en beleende hem met Jans voormalige lenen in Frankrijk, buiten Normandië dat hij tot kroonland uitriep. Terwijl Arthur samen met Poitevijnse edelen, die tegen Jans heerschappij rebelleerden, de bezittingen van Jan langs de Loire aanviel en plunderde, viel Filips II met zijn leger de ketting van burchten aan de oostgrens van Normandië aan. Jan vertrouwde op de verdedigingsmacht van deze machtige burchten en leidde zijn huurlingenleger naar het zuiden, om zijn bezittingen daar te verdedigen. Bij Le Mans ontving hij het bericht, dat zijn oude moeder Eleonora door Arthur en diens bondgenoten in de burcht van Mirebeau werd belegerd.Annales de Margan s.a. 1202 (= (ed.), Annales monastici, Londen, 1864, p. 26), Gervaas van Canterbury, Gesta Regum (= (ed.), The Historical Works of Gervase of Canterbury, II, Londen, 1880, p. 94). Met de hulp van zijn vazal Willem des Roches leidde hij zijn leger in een geforceerde mars naar Mirebeau, waar hij op de morgen van 31 juli de rebellen volkomen verraste. Met de hulp van de met de plaats bekende Willem des Roches drong hij de stad in en kon alle ridders en leiders van de rebellen gevangen nemen. Naast Jans neef Arthur geraakten ook Godfried van Lusignan, Hugo de Bruine, Savary de Mauléon en meer dan 200 ridders in gevangenschap. Het merendeel van deze ridders liet hij naar Engeland overbrengen, om ze tot de betaling van hun losgeld zeker in bewaring te houden. (slag bij Mirebeau)
Jan slaagde er echter niet in deze overweldigende overwinning uit te buiten. Zo kwam hij met Willem des Roches in conflict over de behandeling van de gevangenen, waarop deze zich kort daarop samen met burggraaf Amery de Thouars bij Jans tegenstanders aansloot. Hun bezittingen in Anjou en het noorden van Poitou onderbraken nu Jans verbindings- en aanvoerlijnen naar Aquitanië. In de herfst van 1202 veroverden de Bretoenen Angers, de oude residentie van Jans voorvaderen. Jan concentreerde zijn krachten op Argentan in het westen van Normandië, maar geraakte steeds meer in het defensief. Zijn reputatie liep verder schade op, toen meer dan twintig van de bij Mirebeau gevangen genomen ridders bij een ontsnappingspoging uit de Keep van Corfe Castle nadat ze deze hadden bezet, zich ten slotte liever verhongerden dan zich weer over te geven.Annales de Margan s.a. 1202 (= (ed.), Annales monastici, Londen, 1864, p. 26). Noch ernstiger voor zijn reputatie waren de geruchten over het lot van zijn gevangen genomen neef Arthur, die hij tot bij hem in Rouen had laten brengen. Daar zou deze van het toneel verdwijnen, wat tot de geruchten leidde dat Jan in april 1203 zijn neef in woede of beschonken toestand zou hebben omgebracht.Annales de Margan s.a. 1204 (= (ed.), Annales monastici, Londen, 1864, p. 27), Ex Chronico Britannico Altero s.a. 1203 (= Recueil des Historiens des Gaules et de la France, XVIII, Parijs, 1822, p. 330). miniatuur|De ruïne van het voor onneembaar gehouden Château Gaillard.
Franse verovering van Normandië van 1203 tot 1204 In januari werd Jans vrouw, koningin Isabella, in de burcht Chinon belegerd. Hij brak een door hem geleide aanval naar Chinon af, nadat graaf Robert I van Alençon in het zuiden van Normandië van kant was gewisseld. Jan zelf was als gevolg hiervan zozeer van de onbetrouwbaarheid van zijn vazallen in Normandië overtuigd geraakt, dat hij in de zomer van 1203 geen enkel veldtocht meer ondernam. Zijn vrouw Isabella werd ten slotte door een huurlingencontingent onder leiding van Pierre de Préaux ontzet en was naar Argentan overgebracht.Jan, L'Histoire de Guillaume le Maréchal rr. 12620-12672 (= (ed. trad.), L'Histoire de Guillaume le Maréchal, comte de Striguil et de Pembroke, régent d'Angleterre de 1216 à 1219; poème français, III, Parijs, 1901, p. 172). , King John, Berkeley, 19782, pp. 84, 86 (voetnoot 1). Filips II kon daarentegen langs de Loire doorstoten, terwijl de rebellen uit Poitou aanvallen op Aquitanië ondernamen. Aansluitend nam Filips II zijn aanvallen op de grensburchten van Normandië weer op. Vervolgens werd Conches veroverd en gaf verrassend genoeg de door Robert FitzWalter en Saer de Quincy verdedigde burcht van Le Vaudreuil zich over. Eind augustus begonnen de Fransen met de belegering van het kasteel Gaillard, dat het Seinedal afsloot. Een door Jan en zijn vertrouweling Willem de Maarschalk geleide poging tot ontzetting te land en te water mislukte en ging gepaard met hoge verliezen. Jan richtte zich daarop naar het westen en viel Bretagne aan, waar hij Dol plunderde. Jan, die mistrouwig was tegenover zijn baronnen in Normandië, zou zijn veldtocht afbreken en op 5 december 1203 vanuit Barfleur naar Portsmouth in Engeland afvaren.
In Engeland begon Jan met de voorbereidingen voor een nieuwe veldtocht in Normandië. Begin maart 1204 veroverden de Fransen echter stormenderhand het voor onneembaar gehouden kasteel Gaillard. In plaats van nu naar Rouen − de zwaar ommuurde hoofdstad van Normandië − te marcheren, leidde Filips II zijn leger naar het westen van Normandië. In april deed Jan hem het voorstel een wapenstilstand te sluiten, maar Filips II eiste van hem het verzaken aan al zijn continentale bezittingen. Filips II vermeed de grensvestigingen in het zuiden van Normandië en stootte doorheen het dal van de Orne door tot in het hart van het hertogdom. Hij veroverde dit zonder grote weerstand, terwijl het door de huurlingenleider Lupescar verdedigde Falaise reeds na een week capituleerde. Lupescar wisselde nu van kant en sloot zich bij Filips II aan. Vervolgens bezette Filips II zonder strijd te hoeven leveren Caen, de oude hoofdstad van Normandië, en als een gevolg hiervan huldigden talrijke baronnen uit de omgeving de Franse koning als hun nieuwe leenheer. Begin mei stootte een Bretoens leger door tot in het westen van Normandië, veroverde de Mont-Saint-Michel en Avranches en verenigde zich met het Franse leger bij Caen. Terwijl een afdeling van het leger het schiereiland Cherbourg bezette, stoot het Franse hoofdleger nu over Liseux door naar Rouen. Daarmee was Normandië de facto veroverd. Om een zinloze verwoesting van Rouen te verhinderen, kwam Pierre de Préaux, de Engelse commandant van de stad, met de Fransen op 1 juni een dertig dagen durende wapenstilstand overeen. Toen het definitief duidelijk was dat er vanuit Engeland geen ontzettingsleger zou komen, capituleerde hij noch voor de afloop van het bestand op 24 juni, waarmee Normandië voor Engeland verloren was. miniatuur|De veldtocht van Filips II (blauw) voor de verovering van Normandië in 1204.