thumb|Sporennet van de Tram van Rome in 1994. thumb|Sporennet in 2007, er is op de Piazzale Flaminio (lijn 2) een kopeindpunt gekomen, zodat ook hier tweerichtingstrams nodig zijn. thumb|Lijnennet van de Interlokale tramlijn Castelli Romani. thumb|Via Cola di Rienzo. thumb|Tramdrukte in het centrum van Rome op de Largo del Tritone; 31 december 1929. thumb|Dubbeldekkermotorwagen 'Imperiale' op het net van de Castelli Romani. thumb|Motorwagen type MRS op lijn 5 op de Piazza del Cinquecento, bij Station Roma Termini; 23 augustus 1970. thumb|Motorwagen van het type 'Moto-Rimorchiata Saglio' (MRS) in 1998. thumb|Tweemaal type MRS in de lichtere groene kleur van de jaren zeventig, eindpunt Piazza del Risorgimento; 17 juni 1975. thumb|Motorwagen met verbouwde wagenbak en vensters op lijn 30 barrata; 1993. thumb|Gelede wagen op lijn 12 in de oorspronkelijke groene kleur bij de Porta Maggiore; 21 augustus 1970. thumb|Stanga-gelede wagen in de oranje uitvoering op lijn 13; 9 juni 2012. thumb|Ontmoeting van de twee Stanga-gelede wagens en bij de Porta Maggiore; 16 juli 2012. thumb|Motorwagen op lijn 14 in de lichtgroene uitvoering van de jaren zeventig. Via Giovanni Giolitti bij Station Roma Termini; 19 juni 1975. thumb|Motorwagen 8033 op lijn 14 in oranje uitvoering; 9 juni 2012. thumb|Lagevloertram (Socimi) op lijn 225; jaren 1990. thumb|Lagevloertram (Socimi) op lijn 2 op de Piazza Risorgimento; 2010 thumb|Lagevloertram op lijn 8 in de Via Arenula, bij eindpunt Teatro Argentina; 10 april 2010. thumb|Lagevloertram op lijn 8 op het Piazza di Porta San Paolo; 25 april 2013. thumb|Motorwagen serie 300 (type MRS) van de STEFER vertrekt vanaf het eindpunt Capanelle; 22 augustus 1970. thumb|Gelede motorwagen 407 (type Urbinati) van de STEFER in de Via Giovanni Amendola; augustus 1970. thumb|Gelede motorwagen 506 (type Urbinati) van de STEFER in de Via Giovanni Amendola; 25 augustus 1970. thumb|Gelede motorwagen 817 op het eindpunt van de lijn Rome – Fiuggi – Alatri – Frosinone bij Station Roma Termini; 1979. Nog slechts enkele treinen reden toen door tot Alatri. thumb|Tweewagenstel van de lijn Rome – Fiuggi – Alatri passeert de Porta Maggiore; 21 augustus 1970. thumb|Driewagenstel met voorop rijtuig 426 van de lijn Rome – Fiuggi aan het eindpunt Giardinetti; 11 juli 2010. thumb|Gelede motorwagen 823 op het eindpunt Pantano Borghese van de smalspoorlijn. Het in 2006 nieuw gebouwde station werd voorbereid voor de metro; 8 april 2007. De Tram van Rome is het trambedrijf van de Italiaanse hoofdstad. De tram rijdt hier op een spoorwijdte van 1445 millimeter, de in Italië gebruikelijke maat. Het net is met 600 volt gelijkstroom geëlektrificeerd en omvat zes tramlijnen. Het was ooit het grootste tramnet van Italië. Na talrijke opheffingen en nadien bescheiden uitbreidingen heeft de tram slechts een beperkte rol in het openbaar vervoer van Rome.

Geschiedenis Begintijd De eerste paardentram (Tram a cavalli) reed in 1877 op de Via Flaminia tussen de Piazzale Flaminio en de Milvische Brug. Al snel volgden andere lijnen. Ten slotte werd deze eerste route in 1890 geëlektrificeerd, eerst volgens het reeds in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk toegepaste systeem van serieschakeling, dat echter niet beviel en weer gedemonteerd werd. Vanaf 1895 vond het tegenwoordig nog gebruikelijke gelijkstroomsysteem in parallelschakeling toepassing. In 1904 was het gehele net elektrisch in bedrijf.

In 1908 werd het nummersysteem voor alle lijnen ingevoerd. Tot dan was een in vele Europese steden gebruikelijk systeem met lijnsymbolen in gebruik. Op dat tijdstip waren er 18 lijnen.

In de volgende decennia verliep de uitbreiding van het net relatief ongeordend, aangepast aan de snel groeiende stad. Daarbij kwam het tot parallelle en gedeeltelijk concurrerende lijnvoeringen van verschillende maatschappijen. In 1925 werd van links rijden op rechtsverkeer omgeschakeld. De grootste omvang bereikte het net in 1929 met 59 lijnen en circa 400 kilometer routes, waarop 800 motorwagens en 280 bijwagens reden.

Interlokale lijnen Vanaf het einde van de 19e eeuw werden talrijke randgemeenten rond om Rome door tramlijnen en lokaalspoorlijnen ontsloten. Doel was enerzijds het transport van agrarische producten en bouwmaterialen in de hoofdstad, anderzijds dienden de lijnen het verkeer voor uitstapjes en het vervoer naar baden met warm water van de stadsbewoners. Diensten, die deze routes tot in de eerste helft van de 20 eeuw en gedeeltelijk tot na de Tweede Wereldoorlog naar tevredenheid vervulden, waardoor zij de ontwikkelingen van plaatsen en verstedelijking van de omliggende gemeenten stimuleerden. Daarnaast voegde zich arbeidskrachten uit deze plaatsen, die vooral in de bouwindustrie van de snel groeiende hoofdstad werk vonden.

Wegens de kosten werden de routes langs bestaande staats- en provinciale wegen gevoerd, waardoor vooral bij de onteigening van grond maar ook bij de infrastructuur besparingen bereikt konden worden. Deze goedkope lijnvoering maakte vaak slechts geringe snelheden mogelijk en voerde met de toename van het autoverkeer tot conflicten, die uiteindelijk de opheffing van de lijnen tot gevolg hadden.

Terwijl het trambedrijf naar Tivoli en in de Albaanse Heuvels in normaalspoor uitgevoerd werden, werd bij de route naar Civita Castellana meterspoor toegepast, dat destijds voor smalsporige tramlijnen voorgeschreven was. Ook de aansluitende lijn naar Viterbo werd, hoewel als spoorweg geconcessioneerd, in de gelijke spoorwijdte uitgevoerd. De route naar Fiuggi werd vanaf het begin als lokaalspoorlijn gevoerd en derhalve in de daarvoor bestemde spoorwijdte van 950 millimeter uitgevoerd.

Stoomtramlijn Rome – Tivoli Termini – Verano op de lijn naar Tivoli: geopend als paardentramlijn in 1879, vanaf 1904 elektrisch, in 1927 in het net van de stadstram geïntegreerd.

Interlokale tramlijn Castelli Romani Als voorloper van de interlokale tramlijn Castelli Romani geldt de stoomtram Rome – Marino, die in 1880 tussen Ciampino en Marino geopend werd en na overname door de TFE tot Portonaccio (tegenwoordig Rome Tiburtina) verlengd werd. Zij werd al in 1889 weer opgeheven en de baan werd gedeeltelijk door de spoorlijn Ciampino – Albano – Marino verder gebruikt. Het bedrijf werd spoedig door de TFE overgenomen, hetzelfde bedrijf, dat ook de stoomtram naar Tivoli bezat en waarmee bij Portonaccio ook een verbinding bestond.

Op instigatie van de Franse maatschappij Thomson-Houston, die in 1898 de opdracht tot elektrificatie van de spoorlijn Milaan – Varese – Porto Ceresio ontving, werd in 1901 in Rome de Società delle Tramvie e Ferrovie Elettriche di Rome (STEFER) opgericht. Doel was het opzetten van een elektrisch tramnet, dat die Castelli Romani met de hoofdstad verbinden zou. In 1903 werd de stadslijn tussen Sint-Jan van Lateranen en Via delle Cave met een spoorwijdte van 1.445 mm en 600 / 750 volt gelijkspanning geopend, die vanaf 1906 Frascati, Grottaferrata, Genzano en Valle Oscura, dalstation van de kabelbaan naar Rocca di Papa bereikte. Er volgen uitbreidingen naar Velletri en Lanuvio alsmede een directe lijn langs de Via Appia, die ook Albano Laziale en Marino beter verbond.

In Rome werd het vertrekpunt van San Giovanni naar de Via Amendola bij het Station Roma Termini verlegd. Tot 1953 werden de stadslijnen dubbelsporig uitgebouwd. Zijn grootste uitbreiding bereikte het net in 1914 met 75 kilometer interlokale en 15 kilometer stadslijnen. Tussen 1954 en 1963 werden alle interlokale lijnen opgeheven, terwijl de stadslijnen nog tot 1978 respectievelijk 1980 bestonden en uiteindelijk door de opening van de metrolijn A vervangen werden. De lijnen van de Castelli Romani waren steeds goed bezet. In de eerste decennia was het vooral het verkeer voor uitstapjes naar de talrijke wijnlokalen ('Fraschetta') in de voor de wijnbouw bekende Albaanse Heuvels, later meer het forensenverkeer uit de op grond van de tramlijnachtige ontsluiting tot voorsteden gegroeide plaatsen. Goederenverkeer was hier niet.

Na de opheffing van de tramlijn wordt de verbinding tegenwoordig naast het autoverkeer vooral door lijn FR4 en de talrijke buslijnen verzorgd, die aansluiting hebben op het eindpunt van de metro Anagnina.

Opvallend onder de trams waren de 'Imperiale', vierassige dubbeldekkermotorwagens, die vanaf de opening van het bedrijf tot 1950 in bedrijf waren en oorspronkelijk ook 1e klasse voerden. In 1938 volgde de inzet van de wereldwijd eerste moderne gelede trams volgens het systeem van ingenieur Urbinati, waarvan totaal twaalf trams in bedrijf kwamen. In aanvulling op de talrijke trams van de ATAC in het stadsverkeer (MRS en TAS) werden vanaf 1960 nog vier tweedehandse motorwagens van de Tram van Bologna en zes van de Tram van Triëst in dienst gesteld.

Stadsverkeer Termini – Capannelle en Cinecittà op de lijnen van de Castelli Romani (1903-1980)

Interlokale tramlijn Rome – Civita Castellana – Viterbo De spoorlijn Rome Flaminio – Viterbo werd als interlokale tramlijn langs de Via Flaminia aanvankelijk met meterspoor aangelegd en met 6500 volt, 25 hertz eenfase wisselspanning geëlektrificeerd. In 1913 bereikte de lijn Viterbo. In 1932 werd de lijn op normaalspoor omgespoord. Het stadsverkeer vanaf 1913 verliep over de route: Piazza della Libertà – Lungotevere Michelangelo – Viale delle Milizie – Viale Angelico – Milvische Brug. De smalsporige stadslijn werd in 1928 opgeheven.

Lokaalspoorlijn Rome – Fiuggi – Frosinone De smalspoorlijn Rome – Fiuggi – Alatri – Frosinone werd in 1916/'17 aangelegd door de Società Ferrovie Vicinali (SFV) met de spoorwijdte 950 millimeter en elektrisch bedrijf. Aanvankelijk reed zij met 1650 volt gelijkspanning, tegenwoordig met 1500 volt. Zij heeft een van de wegverkeer gescheiden spoorbaan, voert echter een tramlijnachtig bedrijf. Zij volgt binnen Rome de Via Casilina.

De volgende routes werden aangelegd: Station Roma Termini / Piazza dei Cinquecento – Fiuggi – Alatri – Frosinone (137,4 km) Goederenlijn Porta Maggiore – Scalo San Lorenzo (goederenstation van de Staatsspoorwegen) Centocelle – Piazza dei Mirti Zijlijn San Cesareo – Frascati (15 km) Stadsverkeer Fiuggi (4,5 km) Zijlijn Vico nel Lazio – Guarcino (3,4 km)

Sinds 1941 werd het bedrijf door de "STEFER (STEFR)" gevoerd, vanaf 1980 door ACOTRAL.

Vanaf 1927 werd op de volgende routes stadsverkeer gereden met speciaal daarvoor aangeschafte vierassige motorwagens: Station Roma Termini – Piazza dei Mirti (Rome) Fiuggi Fonte – Fiuggi città (Fiuggi) Frosinione Madonna della Neve – Frosinone Staatsstation (Frosinone)

Het stadsverkeer in Rome werd met de volgende intervallen gereden: Station Roma Termini / Laziali – Piazza dei Mirti: 15 minuten tot Torrenova: 30 minuten tot Grotte Celoni: 45 minuten

In 1982 werd de korte zijlijn van Centocelle naar Piazza dei Mirti opgeheven. Tot 1984 werd het vervoer op de interlokale lijnen opgeheven en slechts het stadsverkeer in Rome tussen het inmiddels circa 800 meter teruggelegde eindpunt Rome Laziali en Pantano Borghese instand gehouden.

In het voormalige station Colonna aan de Via Casilina bevindt zich een museum, dat talrijke rijtuigen van interlokale tram en diverse objecten tentoonstelt.

Reorganisatie van het lijnennet in 1930 Een ingrijpende reorganisatie onderging het net in 1930. Op 1 januari 1930 werden talrijke samenlopende lijnen samengevoegd en vanwege de beperkte ruimte in de smalle straten van de oude binnenstad door autobussen vervangen. Daarbij verdween de tram ook uit belangrijke hoofdstraten zoals de Via Nazionale, de Corso Vittorio Emanuele II en de Via Arenula. Vanaf 1937 bediende de trolleybus het stadscentrum. Doordat het net als gevolg van deze uitdunning van de kern in een oostelijke en westelijk deel uiteenviel, werden er twee paren ringlijnen ingesteld, die beide delen van het net met elkaar verbonden. De ringlijnen werden in tegenstelling tot de andere lijnen met letters aangeduid: