thumb|Halszkaraptor escuilliei

Halszkaraptor escuilliei is een theropode dinosauriër, behorend tot de Maniraptora, die tijdens het late Krijt leefde in het gebied van het huidige Mongolië.

Het fossiel van Halszkaraptor werd door rovers uit de woestijn ontvreemd. Pas in 2015 werd het gered zodat het door wetenschappers onderzocht kon worden. In 2017 kreeg het geslacht zijn naam, die "Halszka Osmólska's rover" betekent, toen de typesoort Halszkaraptor escuilliei benoemd werd.

Halszkaraptor heeft zo'n vreemde bouw dat eerst gevreesd werd dat het fossiel vervalst was. Als enige bekende dinosauriër uit het Mesozoïcum lijkt het dier speciaal aangepast aan een zwemmende levenswijze als bij moderne watervogels. Hoewel zelf geen vogel, heeft Halszkaraptor veel van een zwaan weg. Een driekwart meter lang, had hij een verenkleed, een kleine spitse kop en een zeer lange hals. De romp en de staart waren tamelijk kort. De handen waren wellicht veranderd in vlezige peddels. Daarmee zou Halszkaraptor zich kunnen voortstuwen als hij onder water dook. Voor in zijn snuit stond het record van elf paar lange aaneengesloten kromme tanden. Hier konden kleine diertjes mee uit het water gezeefd worden. Zijn prooien waren aldus veel kleiner dan die van zijn naaste verwanten in de Dromaeosauridae. In 2019 suggereerde een nieuwe studie echter een alternatieve levenswijze als planteneter. De aanpassingen voor het leven in het water zouden ook niet eenduidig aanwezig zijn.

Vondst en naamgeving Fossielenjagers stroopten in de Gobiwoestijn bij Oecha Tolgod een skelet van een kleine theropode dat ze illegaal aan het buitenland verkochten. Via Japan en Engeland bereikte het vele jaren later Frankrijk. Het werd op dat moment gezien als een lid van de Troodontidae. Begin 2015 kwam het in handen van het bedrijf Eldonia van François Escuillié die de paleontoloog Pascal Godefroit raadpleegde. Die liet het op 1 juni 2015 in Brussel door de Italiaanse theropodenexpert Andrea Cau bekijken. Escuillé besloot na onderhandelingen over een financiële compensatie het terug naar de autoriteiten in Mongolië te zenden. Ondertussen werd het wetenschappelijk bestudeerd in Europa. Het werd al snel herkend als een nog onbekende soort. Nader onderzoek, onder andere door een synchrotron van de European Synchrotron Radiation Facility, wees uit dat het om een niet eerder herkende eigen aftakking ging.

In 2017 werd de typesoort Halszkaraptor escuilliei benoemd en beschreven door Andrea Cau, Vincent Beyrand, Dennis F.A.E. Voeten, Vincent Fernandez, Paul Tafforeau, Koen Stein, Rinchen Barsbold, Khishigjav Tsogtbaatar, Philip John Currie en Pascal Godefroit. De geslachtsnaam verbindt de voornaam van wijlen de Poolse paleontologe Halszka Osmólska met het Latijn raptor, "rover". Osmólska had de eerste halszkaraptorine benoemd, Hulsanpes. De soortaanduiding eert Escuillé als weldoener.

Het holotype, MPC D-102/109, is gevonden in een laag oranje zandsteen van de Bain-Dzak-afzetting van de Djadochtaformatie, die dateert uit het late Campanien. Het bestaat uit een vermoedelijk vrijwel compleet skelet met schedel dat nog in het gesteente vastzit en van de linkerkant bezien wordt. De botten zijn niet samengedrukt en het skelet is dus nog driedimensionaal aanwezig. Het ligt grotendeels in verband. Het betreft een jongvolwassen individu dat vermoedelijk één jaar oud is. Het midden van de bovenkant van de snuit was door de fossielenhandelaren vervalst. De vrees bestond dat het hele skelet een chimaera was, een samenvoeging van verschillende soorten. De synchrotron, die als het ware door het gesteente heen kan kijken, toonde aan dat het skelet zich in de rots voortzette en kennelijk oorspronkelijk één geheel vormde. Wel waren een hand en een schouderblad later weer vastgeplakt.

In 2019 publiceerde Chase Brownstein een studie over het holotype, waarin hij op bepaalde punten tot een radicaal andere waardering kwam van de eigenschappen. In 2020 werden deze conclusies weer door Cau weersproken.

In 2021 werd door Cau e.a. het vorkbeen beschreven.

Beschrijving thumb|upright=1.7|Het holotype in 2011, op een fossielenshow

Grootte en onderscheidende kenmerken Halszkaraptor is een vrij kleine dromaeosauride, ongeveer vijfenzeventig centimeter lang, afhankelijk van de staartlengte die niet precies bepaald kan worden. Zijn romp is niet langer dan die van een wilde eend. De lengte tussen snuit en achterzijde romp is ongeveer vijfenveertig centimeter. left|thumb|De grootte vergeleken met die van een mens De beschrijvers wisten verschillende onderscheidende kenmerken vast te stellen. Sommige daarvan zijn autapomorfieën, unieke afgeleide kenmerken. De praemaxilla, het voorste snuitbot, vormt een afgeplatte snuit en heeft 32% van de snuitlengte. De praemaxilla draagt elf tanden. Het jukbeen is staafvormig en de opgaande tak ervan vormt slechts een tiende van de lengte van de beenbalk achter de oogkas, welke orbita niet eens door de tak bereikt wordt. De nek is zeer lang, de helft van de lengte tussen snuit en heiligbeen uitmakend. De achterste gewrichtsuitsteeksels van de halswervels dragen geen epipofysen. Bij de halswervels zijn de doornuitsteeksels extreem verkort: van de tweede tot en met vijfde wervel vormen ze slechts een lage richel en daarachter ontbreken ze geheel. Bij de tweede tot en met vijfde halswervel zijn de achterste gewrichtsuitsteeksels versmolten tot één enkel lobvormig uitsteeksel. De doornuitsteeksels van de staartwervels zijn extreem verkort: bij de eerste drie wervels zijn ze gereduceerd tot een bult en daarachter ontbreken ze geheel. De chevrons van de voorste staartwervels zijn groot met een vijfhoekige profiel. Het eerste kootje van de derde vinger heeft 47% van de lengte van het derde middenhandsbeen.

Daarnaast is er een unieke combinatie van op zich niet unieke kenmerken. Het benige neusgat is achter het punt gelegen waar de praemaxilla nog aan de rand van de bovenkaak bijdraagt. De neergaande tak van het postorbitale is staafvormig. Het totaal aantal wervels van nek en rug bedraagt tweeëntwintig. Alleen de zevende, achtste en negende halswervel hebben pleurocoelen, pneumatische uithollingen op de zijkanten. De overgang van de voorste naar de middelste staart ligt tussen de zevende en achtste staartwervel. De derde vinger is langer dan de tweede.

Skelet Schedel thumb|upright=1.7|De schedel De schedel is relatief klein met een lengte van ruim zeven centimeter. Hij mist het rechthoekige profiel dat de meeste dromaeosauriden hebben. De snuit is laag en afgeplat, de breedte 180% van de hoogte, met een hol bovenprofiel. De achterzijde van de schedel is in bovenaanzicht breder dan de snuit. Toch is die niet erg spits maar juist wat verbreed achter de snuitpunt zodat een meer lepelvormig uiteinde ontstaat. Het geheel doet zeer vogelachtig aan. Dat wordt nog versterkt door de zeer grote oogkassen. Het neusgat is eveneens groot, in de vorm van een liggende ovaal die opvallend ver naar achteren ligt. Volgens Brownstein echter, is de retractie niet sterr dan bij sommige nadere dromaeosauriden. Het neusgat is, volgens de beschrijvers uniek voor de Theropoda, schuin naar boven en bezijden georiënteerd. Brownstein wees er echter op dat dit kenmerk ook bij de Therizinosauria kan worden gevonden. De fenestra antorbitalis is gegeven de snuitlengte opvallend kort, korter dan hoog.

De praemaxilla is zeer lang, zo langgerekt als bij de Spinosauridae. Alleen meer moderne vogels hebben een nog langere praemaxilla die dan vaak de hele snavel uitmaakt. De praemaxilla wordt doortrokken door een netwerk van holten dat plaats bood aan aders en zenuwen. Van een achterliggende grote kamer uit vertakten die zich naar voren toe. Krokodilachtigen en Plesiosauria hebben ook dergelijke uithollingen en bij deze duikende groepen worden ze gebruikt om elektrische signalen van prooidieren in het water op te vangen. Zulke kamers komen overigens ook bij andere theropoden voor, zoals Neovenator, maar daar beperken ze zich volgens de beschrijvers tot de zijkant van de praemaxilla; bij Halszkaraptor doordringen ze het hele bot. Brownstein stelde in 2019 dat het verschil alleen opgaat bij een vergelijking met andere dromeosauriden: bij meer basale theropoden zou ook vaak de bovenkant neurovasculaire kanalen tonen. De praemaxilla draagt elf tanden, een record voor de Dinosauria. Vier is normaal voor theropoden en eerder was het record voor deze groep zeven, bij spinosauriden. De premaxillaire tanden staan zeer dicht op elkaar, vrijwel zonder enige tussenruimte zodat een soort tandhaag ontstaat. Ze hebben lange wortels en een snijtandachtige lange kroon die geleidelijk naar achteren kromt. Ze zijn ook vrij klein en dun. Hun vorm verschilt duidelijk van de relatief bredere maxillaire tanden in het bovenkaaksbeen die overdwars afgeplat zijn, korte wortels hebben en waarvan de top hol gebogen is en naar achteren kromt. Deze tanden staan verder uit elkaar. Zestien maxillaire tanden staan vóór de voorrand van de fenestra antorbitalis, het zijvenster van de snuit, maar achteraan loopt de tandrij door tot het niveau van de oogkas. Zowel het bovenkaaksbeen als het dentarium van de onderkaak hebben twintig tot vijfentwintig tanden, een relatief hoog aantal. Eigenaardig is dat de achterste tanden het normale patroon tonen met een vervangingstand die al in de kaak aanwezig is terwijl die bij zeven voorste tanden ontbreekt alsof hun vervanging vertraagd was zoals bij meer Amniota die in het water roven. Brownstein wees er echter op dat zulk een vertraging ook bij Therizinosauria en Ornithomimosauria voorkomt. Alle tanden missen kartelingen.

Het bovenkaaksbeen heeft een lange en lage voorste tak, een typisch dromaeosauride kenmerk. Het traanbeen heeft een korte voorste tak zoals bij basale Paraves. De neergaande tak helt naar voren zoals bij Mei. Een prefrontale ontbreekt. De voorhoofdsbeenderen zijn trapeziumvormig, in plaats van driehoekig of T-vormig, waarbij de takken naar de postorbitalia achter het raakvlak met de wandbeenderen uitsteken. Desalniettemin draagt het voorhoofdsbeen weinig bij aan de uitholling rond het bovenste slaapvenster, welke bijdrage beperkt is tot een lichte driehoekige verdieping op die achterste tak. De achterrand van de voorhoofdsbeenderen loopt daarbij grotendeels overdwars en is niet ingekeept. De wandbeenderen zijn vergroeid zonder middenkam. De bovenste slaapvensters snoeren het schedeldak niet sterk in en hun tussenruimte is breder dan die tussen de oogkassen, wat typisch paravisch is. De binnenranden van de bovenste slaapvensters lopen horizontaal maar het schedeldak is daartussen zo sterk gewelfd dat het laterosfenoïde op de zijkant van de hersenpan boven hun niveau komt te liggen.

Het postorbitale is slank waarbij de voorste tak wat omhoog gericht is. De neergaande tak is opvallend staafvormig in plaats van plaatvormig en robuust, en vormt vrijwel de hele achterrand van de oogkas. Dit wijkt sterk af van de normale toestand bij de Dromaeosauridae waarin de opgaande tak van het jukbeen de neergaande tak van het postorbitale halverwege ontmoet. Bij Halszkaraptor is de opgaande tak van het jukbeen sterk gereduceerd hoewel de oogkas toch niet in het onderste slaapvenster overloopt, zoals bij de meeste vogels wél het geval is. Deze situatie lijkt op die van de basale vogel Confuciusornis en de Alvarezsauridae met dit verschil dat de opgaande tak daar helemaal ontbreekt. Het onderste slaapvenster is vrij laag, met de helft van de hoogte van de schedel, en de bovenrand is langer dan de onderrand, typisch dromaeosauride. Het quadratojugale is niet met het jukbeen vergroeid maar rust in een groeve in de achterste tak daarvan. Het quadratum is licht naar achter gebogen en vormt de binnenzijde van een hoge opening richting quadratojugale, de fenestra paraquadratica die een derde van de hoogte van de schedel uitmaakt, een typisch dromaeosauride kenmerk. Het squamosum, het bot op de achterste hoek van het schedeldak, is groot en driehoekig.