Ilokelesia is een middelgrote vleesetende dinosauriër behorend tot de Abelisauria. Hij leefde in het begin van het Laat-Krijt (Cenomanien/Turonien) in Argentinië, tussen ongeveer 99,7 en 89,3 miljoen jaar geleden.

Vondst en naamgeving Resten van Theropoda, later beschreven als Ilokelesia, werden voor het eerst in 1991 gerapporteerd door Coria et al.Coria, R.A.; Salgado, L. & Calvo, J.O. (1991) "Primeros restos de dinosaurios Theropoda del Miembro Huincul, Formación Río Limay (Cretácico Tardío Presenoniano), Neuquén, Argentina." Ameghiniana, 28: 405-406. In de Huincul-formatie, Cenomanien/Turonien van de Rio Limay Subgroup (provincie Neuquén), werd een fragmentarisch, maar niettemin identificeerbaar specimen aangetroffen te Aguada Grande, op vijftien kilometer ten zuiden van de stad Plaza Huincul.

Het holotype van Ilokelesia aguadagrandensis Coria & Salgado, 2000 (PVPH-35) bestaat uit een fragmentarische schedel en onvolledige postcraniale beenderen (beenderen achter de schedel gelegen); een rechterpostorbitaal"Postorbitaal been": een been dat zich onmiddellijk achter de oogkas bevindt., een rechtervierkantsbeen, een occipitale condylus, de onvolledige derde (?) halswervel, de vierde (?) halswervel, de achterste ruggenwervel, vijf middelste staartwervels in anatomisch verband, drie fragmentarische halsribben, acht vooraan gelegen h(a)emale bogen,"H(a)emaalboog" is de Nederlandstalige benaming voor het Franse "chevron". Behalve bij dinosauriërs en vele andere reptielen komen ze ook bij sommige zoogdieren voor (bv. kangoeroes). Chevrons bestaan uit gepaarde en verbonden beenstructuren aan de ventrale zijde van de staartwervels. Samen vormen die overdwars een boogvorm (Latijn: arcus haemalis). Door die boog lopen de aders, bloedvaten en zenuwen die zo beschermd worden wanneer het dier bv. op de staart steunt of wanneer de staart over de grond sleept. acht pre-unguale teenkootjes,"Pre-unguale teenkootjes" zijn teenkootjes die vóór het laatste teenkootje (eindigend in een hoef, klauw of nagel) gelegen zijn. en twee unguale teenkootjes."Unguale teenkootjes" zijn de gespecialiseerde, distale teenkootjes die eindigen in een hoef, klauw of nagel.

Het artikel waarin de soort door Rodolfo Anibal Coria en Leonardo Salgado benoemd werd, werd gepubliceerd in het decembernummer van de jaargang 1998 van het blad GAIA. Dit verscheen echter pas feitelijk in oktober 2000 zodat dit het officiële jaar van benoeming is. Ondertussen was de naam al eerder in druk verschenen, als een ongeldig nomen nudum.R.A. Coria, 1999, "Ornithopod dinosaurs from the Neuquén Group, Patagonia, Argentina: Phylogeny and biostratigraphy", In: Tomida, Rich and Vickers-Rich (eds). Proceedings of the Second Gondwanan Dinosaur Symposium, National Science Museum Monographs 15. pp 47-60 De soortnaam "Ilokelesia aguadagrandensis" werd afgeleid uit de taal van de Mapuche. "Ilo" betekent "vlees" en "kelesio" betekent "hagedis". De geslachtsnaam betekent dus "vleesetende hagedis". De soortaanduiding "aguadagrandensis" betekent "uit Aguada Grande". Het ~ensis in de naam is een Latijnse suffix die van een woord een bijvoeglijk naamwoord van plaats maakt. Ilokelesia aguadagrandensis betekent dus "vleesetende hagedis uit Aguada Grande".

Geologie De Huincul-formatie, waarin het holotype van Ilokelesia aguadagrandensis gevonden werd, dagzoomt in de Argentijnse provincies Neuquén en Rio Negro. Het is de tweede formatie van de Rio Limay Subgroup. De typelocatie ligt nabij de stad Plaza Huincul. De Huincul-formatie bedekt de Candeleros-formatie en wordt op haar beurt bedekt door de Lisandro-formatie. Ze werd gevormd in een droge omgeving waarin enkel tijdelijke of seizoensgebonden stromen voorkwamen.Coria, R.A. & Currie, P.J. (2006): A new carcharodontosaurid (Dinosauria, Theropoda) from the Upper Cretaceous of Argentina. Geodiversitas 28(1): 71-118. De Huincul-formatie is in sommige locaties tot 250 meter dik en is voornamelijk uit gele en groene zandsteen samengesteld, waardoor ze duidelijk van de anderskleurige Lisandro- en Candeleros-formaties kan onderscheiden worden.

Beschrijving Ilokelesia aguadagrandensis wordt door de volgende autapomorfiën gekenmerkt: 1) de laterale condylus van het vierkantsbeen is sterk gereduceerd en de achterste rand van het postorbitale gewrichtsoppervlak wordt volledig door de middelste condylus gevormd, 2) de laminae'Lamina' = een opstaande richel. van de diapofysen en postzygapofysenEen 'zygapofyse' is een gewrichtsuitsteeksel, de 'postzygapofyse' is het achterste gewrichtsuitsteeksel, de 'prezygapofyse' is het voorste gewrichtsuitsteeksel. van de halswervels zijn zeer sterk gereduceerd, 3) de laminae onder de parapofysen van de achterste ruggenwervels zijn ventraal hol, 4) de ruggenwervels hebben geen pleurocoelen,'Pleurocoel': Pleurocoelen zijn gepaarde holle depressies op de zijkanten van de wervels van Dinosauria, met een pneumatische doorgang naar het binnenste van de wervel, die dienen om het gewicht van beenderen te verminderen zonder aan stevigheid in te boeten. 5) de wervels in het middelste derde deel van de staart hebben distaal verbrede zijwaartse uitsteeksels die naar voren en naar achteren uitstekende uitwassen hebben, 6) de achterste rand van de zijwaartse uitsteeksels van de staartwervels is in het midden ietwat hol.

Met een geschatte lichaamslengte van 5,3 meter is Ilokelesia een middelgrote theropode.

Schedel Postorbitaal been Een bijna volledig postorbitaal been werd gepreserveerd. Het postorbitaal been bevindt zich direct achter de oogkas. Bij Ilokelesia is het T-vormig en heeft een lang en stevig jugaal uitsteeksel.'Jugaal uitsteeksel' verwijst hier naar het naar onderen gerichte uitsteeksel van het postorbitaal been. Dit uitsteeksel maakt contact met het onderliggende jugaal been (jukbeen), dat bij Dinosauria de wangstreek vormt en bijna altijd mede onder de oogkas gelegen is. Dit uitsteeksel verloopt verticaal, is driehoekig in doorsnede en heeft een afgeplat laterodorsaal'Laterodorsaal' betekent 'aan de zijkant/rugzijde'. uiteinde. Het staat onder een rechte hoek ten opzichte van het horizontale gedeelte van het postorbitaal been. Het jugale uitsteeksel vertoont een zwakke sutuurEen 'sutuur' is een naad of raaklijn tussen twee beenderen. met het jukbeen en heeft op de bovenkant bekeken matige verruwingen. In zijaanzicht (lateraal) heeft het dorsale gedeelte van het postorbitaal been een wenkbrauwachtig supraorbitaal'Supraorbitaal' betekent 'boven de oogkas gelegen'. uitsteeksel, zoals bij Abelisaurus (MPCAMuseo Provincial "Carlos Ameghino" Cipolletti, Rio Negro, Argentinië.-11098) en Giganotosaurus (MUCPvMuseo de la Universidad Nacional del Comahue, Paleontologia de Vertebrados, coleccion Chacon, Argentinië.-CH-1).Coria, R.A. & Salgado, L. (1995) - A giant theropod from the Cretaceous of Patagonia. Nature, 377: 224-226.

Het uitsteeksel van het traanbeen is dik. Op het midden bekeken is een gewrichtsvlak voor articulatieBeweging in een gewricht. met het wiggenbeen zichtbaar. In zijaanzicht vertoont het horizontaal deel van het postorbitaal been een dorsale naaf waarvan de top zich boven het uiteinde van het opgaande uitsteeksel van het jukbeen bevindt. Distaal ligt de dorsale rand van het uitsteeksel van het traanbeen bijna horizontaal. Zoals bij Giganotosaurus, Abelisaurus, Carnotaurus en TyrannosaurusOsborn, H.F. (1905) - Tyrannosaurus and other Cretaceous carnivorous dinosaurs. Bull. Am. Mus. Nat. Hist., 21: 259-265. is bij Ilokelesia aguadagrandensis een inwendig orbitaal uitsteeksel aanwezig, dat dus in de oogkas uitsteekt. Het bevindt zich onder het middelpunt van de bovenzijde van het jugale uitsteeksel, is licht opwaarts gebogen en reikt niet tot het uiteinde van het jugale uitsteeksel. Het lateraal oppervlak hiervan is proximaal plat en breed en het distale uiteinde heeft de vorm van een stok. Het achterste einde van het jugale uitsteeksel heeft een brede lengtegroef.

Vierkantsbeen Van het rechtervierkantsbeen zijn twee afzonderlijke delen bewaard gebleven. Het bovenste deel bevat de condylus voor de articulatie met het squamosum. Het bovenste oppervlak is overdwars hol (concaaf). Het middelste uitsteeksel dat met het pterygoidHet 'pterygoid' is een gepaard been dat een deel van het gehemelte van vele gewervelden vormt, en bevindt zich achter de beenderen die het eigenlijke gehemelte vormen. scharniert, is niet bewaard gebleven. Van de buitenste (laterale) lamina (beenplaat) is enkel de bovenkant gepreserveerd. In achteraanzicht helt de bovenste condylus naar het squamosum, de "kop" van het vierkantsbeen, schuin naar buiten en naar boven. Het onderste gedeelte van het vierkantsbeen omvat het gewricht tussen de schedel en de onderkaak. De middelste rand van het vierkantsbeen is heel uitgehold en de buitenste rand is gebroken. 2,5 cm boven de buitenste condylus bevindt zich een opvallend uitsteeksel.

Axiaal skelet Halswervels Er zijn twee halswervels bewaard gebleven, vermoedelijk de derde en vermoedelijk de vierde. Van de derde halswervel is enkel de rechterhelft bekend. De wervelboog is relatief lang en laag. De wervelboog is het bovenste (dorsale) deel van een wervel. Het is een kraakbenige of, in dit geval, benige boog die het ruggenmerg omsluit. In zijaanzicht zijn onder de zijuitsteeksels grote pneumatische openingen (foramina) zichtbaar. Dit zijn openingen in de wand van het been die dienen om luchtzakken in de inwendige holten van het been te leiden. Een goed ontwikkelde lamina verbindt het voorste gewrichtsuitsteeksel met de epipofyse die de laterale en dorsale gebieden van de wervelboog duidelijk van elkaar scheidt. De achterwaarts gerichte epipofyse is goed ontwikkeld en heeft bovenaan geen uitsteeksel. Het zijoppervlak van het wervellichaam heeft twee pleurocoelen.