miniatuur|348x348px|Portret van Grabar door Boris Koestodiev, 1916, Russisch Museum, Sint-Petersburg Igor Emmanuilovich Grabar (Russisch: Игорь Эммануилович Грабарь), Boedapest, 25 maart 1871 – Moskou, 16 mei 1960) was een Russische postimpressionistische kunstschilder, uitgever, restaurateur en kunsthistoricus. Grabar, een telg uit een rijke Roetheense familie, werd opgeleid als schilder door Ilja Repin in Sint-Petersburg en door Anton Ažbé in München. Hij was op het hoogtepunt van zijn artistieke kunnen tussen 1903-1907 en was bekend voor zijn bijzondere divisionistische schildertechniek aanleunend bij het pointillisme en voor zijn weergave van sneeuw.

Aan het einde van de jaren 1890 vestigde Grabar zich als kunstcriticus. In 1902 sloot hij aan bij de Mir Iskoesstva beweging, hoewel zijn relaties met de leiders, Sergej Djagilev en Mstislav Doboezjinski verre van vriendschappelijk waren. Tussen 1910 en 1915 editeerde en publiceerde hij zijn opus magnum, de Geschiedenis van de Russische Kunst. De beste kunstenaars en critici van die periode werkten mee aan het boek; Grabar schreef zelf de bijdragen over architectuur die zijn grote kennis van het onderwerp illustreren. Tezelfdertijd schreef en publiceerde hij een reeks boeken over hedendaagse en historische Russische schilders. In 1913 werd hij benoemd tot directeur van de Tretjakovgalerij in Moskou en lanceerde een ambitieus hervormingsprogramma dat tot 1926 verder liep. Grabar introduceerde moderne kunst in de Tretjakovcollectie en publiceerde in 1917 haar eerste uitgebreide catalogus. In 1921 werd Grabar de eerste hoogleraar restauratie aan de Staatsuniversiteit van Moskou.

Als ervaren politicus bleef Grabar aan de top van de Sovjet kunstadministratie tot aan zijn dood, met uitzondering van een korte vrijwillige pauze tussen 1933 en 1937. Hij leidde de restauratieateliers (het huidige Grabar Instituut) van 1918-1930 en van 1944 tot 1960. Grabar nam actief deel aan de verdeling van de voormalige kerkelijke kunst genationaliseerd door de bolsjewieken en richtte nieuwe musea op voor de in beslag genomen kunstschatten. In 1943 stond hij aan de basis van de Sovjetdoctrine over het compenseren van de kosten van de Tweede Wereldoorlog met roofkunst geplunderd in Duitsland. Na de oorlog was hij persoonlijk adviseur van Joseph Stalin op het gebied van het behoud van het architectonisch erfgoed.

Biografie Familie links|miniatuur|Portret van Emmanuil Hrabar, 1895 Emmanuil Hrabar (1830-1910), vader van Igor Grabar en zijn oudere broers Bela en Vladimir (de toekomstige rechtsgeleerde, 1865-1956), was een etnische Roetheen, advocaat en politicus die pro-Russisch georiënteerd was. Als hevig criticus van de Magyarisatie van Roethenië in een Karpato-Roethenië, werd hij verkozen voor het Hongaars parlement in 1869. Hij onderhield tegelijkertijd banden met slavofielen in Moskou en in de Russische ambassade. Olga Hrabar (1843-1930), moeder van Igor en Vladimir, was een dochter van de Roetheense, pro-Russische, anti-Katholieke politicus Adolph Dobryansky (1817-1901). Volgens Igor Grabars memoires, leidde Dobryansky een ondergronds netwerk van gelijkgezinden. De verkiezingen van 1869 waren voor hem slechts een middel om zijn schoonzoon te beschermen tegen vervolging. Dobryansky en zijn groep waren zich niet bewust van de realiteit van het leven in het Russische Rijk. Dobryansky, een rijke man van hoge afkomst, imiteerde de levensstijl van de Russische landadel tot in de kleinste details. Twee van zijn zonen waren in Russische Keizerlijke dienst. Dobryansky prees de onderdrukking van de Hongaarse Revolutie van 1848 door de Russische troepen. Hij was gevreesd door zijn eigen Roetheense boeren.

In het begin van de jaren 1870 dwong de Hongaarse regering Emmanuil Hrabar om het land te verlaten. Olga en de kinderen bleven onder politie toezicht op het Dobryansky domein in Čertižné (nu Slowakije). In 1880 werden de Hrabars tijdelijk herenigd in Rusland. Emmanuil slaagde voor de examens om Duits en Frans te kunnen onderwijzen en vestigde zich met Igor en Vladimir in Yegoryevsk. Olga keerde terug naar Hongarije om er de pro-Russische propaganda verder te zetten; in 1882 werden zij en haar vader uiteindelijk gearresteerd wegens hoogverraad en voor de rechtbank gebracht. Het publiek zag hier een politieke actie achter. Ze werd vrijgesproken bij gebrek aan bewijs en emigreerde naar Rusland. In Rusland leefden de Hrabars onder het pseudoniem Hrabrov. Igor Grabar ging in het begin van de jaren 1890 zijn echte naam (transliteratie uit het Russisch met een G spellen, in tegenstelling tot zijn broer Vladimir Hrabar).

Opleiding Grabar (toen Hrabrov) volgde de middelbare school in Yegoryevsk, waar zijn vader vreemde talen onderwees. De stroom publicaties, die volgde op de moord op tsaar Alexander II van Rusland in 1815, was voor hem de eerste aanzet om te gaan tekenen. In 1882 verhuisden de Hrabars (Hrabrovs) naar Kiev, om het proces tegen hun moeder en grootvader beter te kunnen volgen; later in datzelfde jaar, aanvaardde Emmanuil Hrabar een betrekking in Izmajil. Hij stuurde Igor naar de kostschool van Michail Katkov in Moskou; Katkov aanvaardde geen collegegeld van een collega slavofiel. Door zijn interesse in tekenen, maakte hij snel contacten met de studenten van de Moskouse School voor Schilderkunst, Beeldhouwkunst en Architectuur, met de al gevestigde kunstenaars Abram Archipov en Vasili Polenov en met de Schukins, rijke beschermheren van de kunst. Uit geldnood schilderde hij portretten van collega studenten voor een kleine vergoeding.

In 1889 werd Grabar toegelaten tot de rechtenstudies aan de Staatsuniversiteit van Sint-Petersburg. Hij verdiende de kost met de verkoop van korte verhalen aan tijdschriften en werd al snel de editor van Shut, "het zwakste van de humoristische tijdschriften", dat evenwel goed betaalde. Zijn illustraties van de boeken van Nikolaj Gogol die hij signeerde met Igor Hrabrov, inspireerden de jonge Aleksander Gerasimov (geboren in 1881), maar Grabar bleef meestal ver weg van het tekenen. Later bekloeg hij zich erover dat het tabloid 'bohemisme' hem volledig ingepalmd had. Tijdens zijn tweede jaar aan de universiteit, verhuisde Grabar naar het respectabele Niva magazine. Hij selecteerde afbeeldingen voor Niva en schreef essays over de hedendaagse schilders. De rechtencolleges waren weinig inspirerend voor Grabar en hij bracht zijn tijd door met het volgen van lezingen over geschiedenis en lessen aan de schilderschool van Pavel Chistyakov. Niettemin kon hij zijn rechtenstudies tijdig en succesvol beëindigen in april 1893.

Eind 1894 liet hij zich inschrijven in de klas van Ilja Repin aan de Keizerlijke Academie van beeldende Kunsten die net radicaal hervormd was. Zijn klasgenoten, die hoorden bij de eerste "splendid" post-reform groep waren Alexej von Jawlensky en Marianne von Werefkin die hem lieten kennis maken met het Franse impressionisme, en daarnaast Konstantin Bogaevsky, Oleksandr Murashko, Nikolaj Rjorich en Arkadi Rylov. Ook Filipp Maljavin, Konstantin Somov en Dmitry Kardovsky studeerden samen met Grabar, maar waren eerder aan hun studies begonnen. Grabar bleef voor de rest van zijn leven een bewonderaar van Repin, maar was snel teleurgesteld over de academische studies en in juli 1895 verliet hij de academie voor een korte studiereis naar West-Europa, gefinancierd door het Niva magazine.

München miniatuur|De dikke vrouwen (1904) Na zijn terugkeer in Sint-Petersburg verliet hij de Academie definitief. In mei 1896 ging hij met Kardovsky via Berlijn en Parijs naar München; Jawlensky en Werefkin vervoegden zich later die zomer bij hen. Zij schreven zich in aan de private schilderschool van Anton Ažbé. Grabar, die al snel assistent werd van Ažbé, beschreef hem als "een weinig begaafde schilder, maar een uitmuntend tekenaar en een uitstekende leraar". Twee jaar later, toen Grabar afgestudeerd was bij Ažbe, kreeg hij de kans om een eigen, concurrerende, school op te richten, maar Ažbé deed een tegenbod en sloot met Grabar een partnerschap. De samenwerking hield minder dan een jaar stand, van juni 1899 tot de lente van 1900, dan accepteerde Grabar een lucratieve aanbieding van Prins Shcherbatov en verliet München.

Grabar had nog steeds nauwe banden met kunstenaars en uitgevers in Sint-Petersburg. In januari–februari 1897 moest hij een artikel leveren voor Niva, en hij schreef een tekst die de avant-garde kunst verdedigde tegen Vladimir Stasov. Het artikel sloeg in als een bom en was de aanleiding van aan campagne van Stasov tegen de geschiktheid van Repin als deken van de Academie. Een ander artikel gepubliceerd in 1899 veroorzaakte een conflict tussen Ilja Repin en Mir Iskoesstva.

Door zijn verblijf in München raakte Grabar geïnteresseerd in architectuur en de geschiedenis ervan, dit werd al snel zijn tweede beroep. In 1901, voltooide Grabar een opleiding als architect aan de Technische Universiteit München evenwel zonder zijn eindexamen af te leggen.

Mir Iskoesstva links|miniatuur|Sneeuw in maart, 1904 In 1901-1902, presenteerde Grabar twaalf van zijn schilderijen op een tentoonstelling georganiseerd door Mir Iskoesstva, het waren de eerste "echt Franse" impressionistische werken van een Russische schilder die in Rusland getoond werden. Een schilderij ging direct naar de Tretjakovgalerij, de andere werden geveild en verkocht aan privé verzamelaars.

De periode van 1903-1907 was het hoogtepunt in Grabars carrière als schilder. Grabar zelf, in zijn autobiografie, liet de top samenvallen met het begin van de Russisch-Japanse Oorlog (februari–april 1904). In dit seizoen schilderde hij in een divisionistische stijl met elementen van de pointillistische techniek. Drie schilderijen uit deze periode die Grabar beschouwde als maatgevend voor zijn latere werk (Glazuur van februari, Maartse Sneeuw en Stapels Sneeuw) kregen van de kritiek en van het publiek positieve reacties. Kazimir Malevitsj schreef dat, “indien Grabar niet het lineaire perspectief bewaard had in zijn Maartse Sneeuw, als een overblijfsel van het verhaal uit de negentiende eeuw, het schilderij een uniforme schilderkunstige textuur zou tonen, zonder duidelijk gedefinieerde voorgrond en middenvlak." In 1905 reisde Grabar opnieuw naar Parijs om de nieuwe technieken van de Franse postimpressionisten in verband met de volledige scheiding van kleurpigmenten te bestuderen.

rechts|miniatuur|De vorst, eind 1905 Eind 1905 begin 1906, tijdens de Revolutie van 1905 toen Moskou in rep en roer stond, schilderde Grabar De vorst, een nieuw uitdagend onderwerp, en ging tegelijkertijd meer tijd investeren in het schrijven. Sneeuw en winter bleven zijn favoriete onderwerpen voor de rest van zijn leven.

De betrekkingen tussen Grabar en de oprichters van Mir Iskoesstva waren gespannen. Sergej Djagilev tolereerde Grabar voor zijn lucratieve steun maar vreesde en wantrouwde hem als een potentiële nieuwe leider van de beweging. Grabars financiële steun verstrekt door Shcherbatov leek hem erg bedreigend voor zijn positie. Djagilevs hielenlikkers Nurok en Nouvelle leidden de oppositie, en Jevgeni Lansere en Konstantin Somov volgden. Valentin Serov was waarschijnlijk het enige lid die Grabar met sympathie behandelde. Grabar gebruikte inderdaad fondsen van Shcherbatov en Nadezjda von Meck om zijn eigen kunstbeweging te starten, die echter geen lang leven beschoren was, Mir Iskoesstva hield stand en Grabars beweging viel snel uit elkaar. Volgens memoires uit de periode, hoewel subjectief, was Grabar geen gemakkelijk man. Volgens Alexandre Benois was hij erg neerbuigend en had hij totaal geen gevoel voor humor. Niemand twijfelde aan zijn talent en aan zijn encyclopedische kennis, maar hij was niet in staat om mensen te overtuigen en kon nauwelijks met anderen samen werken in een kleine groep zoals Mir Iskoesstva. Als reactie brak Grabar in 1908 volledig met Mir Iskoesstva en trachtte, tevergeefs trouwens, een eigen kunstmagazine te lanceren.