De Marokkaanse gemeenschap in België bestaat uit in België levende Marokkanen en Belgen van Marokkaanse afkomst. De Marokkaanse Belgen, of Belgo-MarokkanenMeerderheid Belgo-Marokkanen wil in België oud worden (Het Laatste Nieuws, 17 juli 2009). Gearchiveerd op 18 juni 2018.Heidi Verdonck, Belgische wet misbruikt door Belgo-Marokkanen: een getuigenis (Bruzz, 9 juli 2009) vormen een van de grootste migrantengroepen in het land (minstens 430.000 leden in 2012), maar hun exacte aantal is onbekend omdat België geen etnische statistieken verzamelt.
Tijdens het interbellum kwamen kleine aantallen Marokkanen uit Frankrijk naar België, maar de grootschalige migratie begon vanaf de jaren 1960. De mijn- en industriesector had veel arbeidskrachten nodig waarin de autochtone bevolking niet kon voorzien. Marokkanen werden daarom als gastarbeiders naar België gehaald. Na de oliecrisis van 1973 stopte deze rekrutering. De Marokkaanse gemeenschap blijft groeien door gezinshereniging en natuurlijke groei.
Ze wonen grotendeels geconcentreerd in enkele gemeenten: bijna de helft in Brussel, maar ook in Antwerpen, Vilvoorde en Mechelen. De overgrote meerderheid van de Marokkaanse Belgen bezit de Belgische nationaliteit waarbij een kleine meerderheid in België is geboren. Bijna alle Belgo-Marokkanen identificeren zich meer of minder met België, hoewel de graad van deze identificatie varieert.
Geschiedenis Marokkaanse soldaten tijdens WOI Tijdens de Eerste Wereldoorlog vochten 30.000 soldaten uit Frans-Marokko in Franse dienst. Vanaf november 1914 werden onderdelen van de Marokkaanse Divisie ook in België ingezet. Zo streed de tweede brigade aan het kanaal Ieper-IJzer en het 7e RMT bij Hill 60 in Zinnebeke en daarna op de rechteroever van de IJzer bij Lombaardzijde en Nieuwpoort. De gesneuvelde Marokkaanse soldaten liggen verspreid over de begraafplaatsen voor Fransen.
Interbellum In de jaren twintig kwam er een eerste migratie van Maghrebijnse arbeiders naar België. Een groot deel van de Maghreb behoorde toen tot het Franse koloniale rijk van waaruit arbeiders in Frankrijk kwamen werken. Sommigen staken de grens over naar België omdat de mijnindustrie na de Eerste Wereldoorlog in volle groei en heropbouw was. Autochtone Belgen wilden dat soort werk steeds minder doen en vakbonden probeerden de arbeidsvoorwaarden te verbeteren, maar werkgevers opteerden voor buitenlandse arbeidskrachten: Polen, Joegoslaven, Tsjechen, Russen en ook Maghrebijnen. Deze laatsten werden meestalUit de vreemdelingenregisters van Châtelineau blijkt dat 84% van de Marokkaanse arbeiders tussen 1920 en 1932 via Frankrijk naar België was gekomen. in (vooral Noord-)Frankrijk gerekruteerd hoewel de export van Maghrebijnse arbeiders naar België volgens de Franse wet verboden was., "Les premiers Maghrébins de Belgique - Analyse descriptive de l’immigration maghrébine en Belgique, dans les registres des étrangers de Châtelineau, pendant l’Entre-deux-guerres" (2012)
In november 1923 stonden 3.651 Maghrebijnen ingeschreven en in 1927 waren het er 23.070. 60% van hen waren afkomstig uit Algerije en kleine aantallen uit Tunesië en Tripolitanië. Ongeveer 33% waren Marokkanen, waarvan meer dan 70% uit Souss, een onvruchtbare regio die tevens hard onder de Franse kolonisatie leed. De migranten werkten vooral in de mijnen van de Borinage en de streek rond Luik. De migratie was groot genoeg dat België en Marokko in 1930 een eerste bilateraal akkoord sloten over de vergoedingen bij werkongevallen.Ruben Mooijman, Veertig jaar Marokkaanse arbeidsmigratie (2): Arbeiders, soldaten en avonturiers (De Standaard, 18 februari 2004). Gearchiveerd op 20 maart 2023. Er werd toen geschat dat dit verdrag 6000 mensen betrof.Christian Laporte, 1/2 siècle d’immigration belgo-marocaine (La Libre Belgique, 19 februari 2014)
De gastarbeiders probeerden zo snel mogelijk veel geld te verdienen en vertrokken dan naar een andere plaats in België, terug naar Frankrijk, of naar hun geboorteland. Velen probeerden het werk in de mijnen te combineren met een landbouwbestaan in hun thuisland. Het waren dan ook uitsluitend mannen die emigreerden. 21% van de getrouwde Marokkaanse migranten lieten hun echtgenote thuis omdat de dorpstraditie hen verbood hun man te volgen. Hierin onderscheidden de Maghrebijnen zich van de andere nationaliteiten zoals Italianen en Polen van wie een klein deel hun familie wel meenam. Van de Marokkaanse arbeiders reisde minder dan 30% in groep en dus voor het merendeel helemaal alleen. Hierdoor waren ze erg mobiel. De vreemdelingenregisters van Châtelineau tonen aan dat Maghrebijnse arbeiders tussen 1920 en 1932 er gemiddeld slechts 6,5 maanden bleven en de helft minder dan acht maanden. Hun aantal in België was daardoor sterk afhankelijk van de economie. Bij hoogconjunctuur werden ze aangeworven en bij recessie uitgewezen. De Marokkaanse aanwezigheid in België in het interbellum kende daarom vier fasen: tussen 1920 en 1923 groeide de economie en bijgevolg ook het aantal gastarbeiders; tussen 1923 en 1926 stagneerde en daalde hun aantal; in 1929 was er een nieuwe migratiepiek door de heropleving van de economie en na de beurskrach en de daaropvolgende depressie verdwijnen bijna alle Maghrebijnen uit België. Weinigen vestigden zich permanent: van de 1.993 immigranten die tussen 1920 en 1932 toekwamen in Châtelineau trouwden er maar vijf met een Belgische.
De Maghrebijnen waren veelal laagopgeleid – minder dan 20% kon handtekenen – waardoor ze vaak werden ingezet voor het zwaarste en gevaarlijkste werk. Ze kregen een lager dagloon (21-25 BEF) dan hun autochtone collega's (28-30 BEF), hoewel ze meer overuren deden. Ze verbleven in weinig hygiënische huurwoningen zonder comfort. Zo stierven in 1925 in Châtelet vier Maghrebijnen aan verstikking in zo een krot. Uit vrees voor uitwijzing durfden velen zich niet tot een vakbond wenden en werden soms ingezet als stakingsbrekers.
De autochtonen keken neer op de immigranten. Ze werden beschimpt als Saracenen. In een vakbondsverslag uit 1924 wordt over hen geschreven: "Ze hebben deplorabele zeden. Ze zijn altijd vuil, slecht gewassen, slecht gekleed. Het zijn vurige, oneerlijke, jaloerse en verraderlijke individuen die altijd ergens een mes verstopt hebben dat ze zonder te twijfelen gebruiken tijdens schermutselingen die ze vaak zelf uitlokken. De autochtonen staan hen absoluut vijandig tegenover."Oorspronkelijke tekst: Ils ont des mœurs déplorables. Ils sont toujours sales, mal nettoyés, mal habillés. Ce sont des individus farouches, sournois, jaloux et traitres, qui ont toujours le couteau caché quelque part et qui n’hésitent pas à s’en servir dans les bagarres qu’eux-mêmes, le plus souvent provoquent. Les indigènes leur sont absolument hostile. De migranten hadden dan weer, ook door hun gebrekkige kennis van het Frans, weinig contact met de autochtone bevolking.
Marokkaanse soldaten tijdens WOII thumb|islamitisch graf op de militaire begraafplaats van Chastre Tijdens de Tweede Wereldoorlog vertrokken velen van de overgebleven arbeiders terug naar hun vaderland. Tegelijk vochten wederom Marokkaanse soldaten in dienst van het Franse leger in België. Al bij het begin van de Duitse invasie op 10 mei 1940 waren Marokkaanse soldaten in België. De Franse cavalerie, waaronder ook Marokkaanse spahis, trok de Ardennen in om verkenning uit te voeren en tijd te winnen voor de rest van het leger.historiek.net, De Marokkaanse militaire bijdrage aan de strijd tegen nazi-Duitsland 1940-1945 (deel I)
Enkele dagen later deed de Eerste Marokkaanse divisie (vooral uit mannen uit Marrakesh en Meknes) mee aan de Slag om Gembloers. Dit was een (succesvolle) poging de Duitse opmars door het zogenaamde 'gat van Gembloers' te stoppen. Het was de enige Duitse nederlaag in mei 1940, die echter uiteindelijk niets opleverde voor de geallieerden door de Duitse doorbraak in de Ardennen. Tussen 14 en 15 mei verloren de Marokkaanse tirailleur-regimenten twintig tot vijftig procent van hun manschappen. Zij zijn begraven op de Franse militaire begraafplaats van Chastre; tussen de kruisen staan 340 witte zuilen met Arabische inscripties (zie rechts).Niels Ruëll, "Duizenden Marokkanen sneuvelden in de strijd tegen de nazi's - De vergeten helden van Gembloux" (De Standaard, 3 mei 2003) De film La Couleur du sacrifice gaat over deze soldaten en de Slag om Gembloers.
Gastarbeiders na WOII Na de Tweede Wereldoorlog groeide de Belgische economie erg snel en de arbeidersbehoefte (vooral in de mijnsector) dus ook. De jaren tussen 1948 en 1974 worden daarom de Trente Glorieuses genoemd. Tijdens deze 'gouden dertig jaar' kon de eigen bevolking niet instaan voor deze arbeid net zomin als de buurlanden die een gelijkaardige evolutie doormaakten. Daarom sloot België in 1946 een overeenkomst met Italië voor het ronselen van mijnwerkers (zie Italiaanse gemeenschap in België). Na de mijnramp van Marcinelle (1956), waarbij 136 Italianen omkwamen, besloot de Italiaanse regering deze immigratie stop te zetten. België sloot daarop overeenkomsten met Spanje (1956) en Griekenland (1957) en later ook met Marokko.Sarah Van den Broucke et al., Vlaamse Migratie- en Integratiemonitor 2015. Gearchiveerd op 4 augustus 2018.
In deze periode had Marokko het economisch, sociaal en politiek moeilijk. De bevolking groeide terwijl de stagnerende economie deze mensen niet van werk kon voorzien en de landbouw niet genoeg voedsel kon produceren om ze te voeden. Ook vond de Marokkaanse overheid het niet erg leden van de (vaak opstandige) Berbers-talige minderheden te zien vertrekken.
Op 18 februari 1964 sloot België uiteindelijk ook een overeenkomst met Marokko. Op dat moment waren er al Marokkaanse gastarbeiders in België. De vraag naar mijnwerkers was zo groot dat men de wettelijke voorschriften bewust negeerde. Veel arbeiders kwamen bijvoorbeeld met een toeristenvisum naar België en werden pas later geregulariseerd. De overeenkomst was voornamelijk bedoeld om deze bestaande 'spontane migratie' te regulariseren.Ruben Mooijman, Veertig jaar Marokkaanse arbeidsmigratie (1): Van de medina naar de mijnen (De Standaard, 17 februari 2004). Gearchiveerd op 20 maart 2023. Dit lukte niet omdat de procedures bijzonder arbeidsintensief bleken. De spontane migratie bleef, maar er kwamen daarenboven tienduizenden Marokkanen naar België. In 1960 waren 461 Marokkanen geregistreerd in België; in 1974 waren het er 40.000. (Ook natuurlijke bevolkingsgroei speelde hierin mee. In 1971 was al ongeveer 20% van de in België wonende Marokkanen daar geboren.)
De Belgische overheid moedigde deze mensen ook aan hun gezinnen over te brengen. Zo wou men de arbeiders binden aan de streek. De industrie- en mijnsector in de buurlanden bood immers betere lonen en lokte zo arbeiders weg. Ook was men zich toen al bewust van de demografische gevolgen van de (vooral in Wallonië) dalende geboortecijfers. Met immigratie wilde men deze tegengaan. Artikel 13 van het in 1964 ondertekende verdrag bepaalde dan ook dat een gastarbeider die minstens drie maanden in België gewerkt had en over geschikte huisvesting beschikte zijn vrouw en minderjarige kinderen mocht laten overkomen. Een later koninklijk besluit bepaalde zelfs dat de overheid de helft van de reiskosten van deze personen kon overnemen, op voorwaarde dat het gezin al minstens drie minderjarige kinderen telde.
Einde van de arbeidsmigratie Vanaf de jaren zeventig ging het slechter met de Belgische economie. Door de eerste oliecrisis stokte de economie en nam het aantal werkelozen toe. De overheid maakte een einde aan de politiek van arbeidsmigratie en begon de buitengrenzen te sluiten. Veel illegale arbeiders die zich al op het Belgisch grondgebied bevonden, lieten zich daarop nog snel regulariseren. De beslissing om de grenzen te sluiten verschijnt daarom in de statistieken als een immigratiepiek in de jaren 1974 en 1975.