Esoterie in de klassieke oudheid is het geheel van esoterische fenomenen in de Grieks-Romeinse wereld, zoals magie, waarzeggerij, astrologie en alchemie. Deze fenomenen waren wijdverbreid in alle lagen van de samenleving, en hadden raakpunten met de toenmalige religie, filosofie en wetenschap.Voor een inkadering van het begrip (westerse) esoterie, zie Hanegraaff 2013, blz. 1-2. Er zijn zowel archeologische als tekstuele bronnen, bestaande uit epigrafieën, klassieke literatuur en opgegraven teksten met recepturen en spreuken. De esoterie in de klassieke oudheid vormt een basis voor de verdere westerse esoterie.Von Stuckrad 2005, blz. 12.
Magie en waarzeggerij behoren tot de oudste esoterische praktijken en worden vermeld in de vroegste Griekse literatuur (8e eeuw v.Chr.). Astrologie en alchemie komen daarentegen op in de hellenistische tijd (circa 300 - 30 v.Chr.) en ontwikkelen zich vooral in de Romeinse keizertijd. Vaak gaat het bij esoterische praktijken om zaken die geen deel uitmaken van de publieke, mainstream religie en door de staat onderhouden cultussen. Een uitzondering vormen de orakels. Omdat men vreesde voor kwalijke gevolgen van magie en astrologie, werden deze kunsten herhaaldelijk door autoriteiten veroordeeld. Niettemin ontstonden in het keizerrijk nieuwe en complexere vormen van bijvoorbeeld magie.
Wereldbeschouwing In de klassieke oudheid houdt esoterie het midden tussen religie, volksgeloof, filosofie en in mindere mate wetenschap, met praktijken die veelal gepaard gaan met een zekere geheimhouding, individuele spiritualiteit en afwijking van de gangbare opvattingen over bijvoorbeeld godsdienst en wat kennis inhoudt.
Wat aan esoterie ten grondslag ligt, is een wereldbeschouwing waarin de kosmos een bezielde, levende eenheid is (holisme), waarbinnen de mens, het goddelijke, de hemel en de aarde onderling verbonden zijn in een hiërarchische relatie (microkosmos-macrokosmos). Daartussen zouden occulte krachten werkzaam zijn. Die krachten en de hiërarchische verbondenheid van de aarde en de hemelsferen zouden het binnen deze wereldbeschouwing mogelijk maken om, al dan niet met behulp van geestelijke wezens, aan nieuwe inzichten, mogelijkheden en mystieke kennis (gnosis) te komen. Dit zou magie, waarzeggerij en astrologie mogelijk maken. Volgens sommige strekkingen kon dit vervolgens resulteren in verlossing of eenwording met het goddelijke, zoals bij het neoplatonisme en gnostische religies (eerste eeuwen n.Chr.). Esoterische kennis pretendeert vooral absoluut en alternatief aan gangbare inzichten te zijn, vaak gepaard gaande met geheimzinnigheid. Vandaar dat esoterische kennis ook wordt voorgesteld als openbaringen van wijzen en profeten als Zoroaster en Hermes Trismegistus.Von Stuckrad 2005, hoofdstuk 1. Goodrick-Clarke 2008, blz. 15-16.
Met de verbreiding van de Griekse cultuur door de rijken van Alexander de Grote en zijn opvolgers en vervolgens de uitbreiding van het Romeinse rijk traden verstedelijking, grotere sociale mobiliteit, multiculturalisme en cultuurrelativisme op. Dit leidde tot een toenemende heterodoxie, syncretisme en een groeiende behoefte aan een nieuwe, persoonlijkere religieuze beleving, naast de officiële staatscultussen. Aan die behoefte kwamen wijsgeren, profeten, wonderdoeners, magiërs, waarzeggers, gnostische religies en mysteriecultussen zoals het orfisme tegemoet. Daarnaast ontwikkelden (midden-/neo-)platonisten, stoïcijnen en (neo-)pythagoreeërs theorieën die filosofie een religieuze allure gaven, terwijl nieuwe religies filosofische noties overnamen als theoretische grondslag. Naast filosofie maakte men bij esoterische ideeën en praktijken ook gebruik van wetenschappelijke kennis, zoals botanie (kruiden voor magie), metallurgie (alchemie) en wiskunde (astrologie).Goodrick-Clarke 2008, blz. 15-16.
Filosofie en religie De Griekse filosofie droeg bij tot de ontwikkeling en verbreiding van ideeën die gangbare esoterische opvattingen zouden worden. In de hellenistische periode werd religie prominenter in de filosofie, en vooral in de Romeinse keizertijd groeiden filosofie en religie naar elkaar toe, waarbij ook Midden-Oosterse invloeden een rol speelden.
Pythagorisme De vroege pythagoreeërs vormden een mystiek-filosofisch broederschap dat zich bezighield met vroege wiskunde, getallenmystiek en het nastreven van individuele reinheid van lichaam en geest via ascetisme. Men geloofde in een onsterfelijke ziel en in reïncarnatie (metempsychosis) en stelde de kosmos voor als een goed geordend en harmonieus geheel. De zeven planeten die men onderscheidde, zouden in hun eigen sfeer rondom de aarde draaien en daarbij een fijne muziek veroorzaken met wiskundig bepaalde intervallen (harmonie van de sferen). Muziektonen correspondeerden met die hemelsferen, en men ontdekte wiskundige verhoudingen in die tonen. Volgens pythagoreeërs vormden getallen dan ook het ordenende principe in de wereld.Von Stuckrad 2005, blz. 15-16.
Stoïcisme Volgens het stoïcisme werden de bezielde kosmos en het individuele leven bepaald door een goddelijke rede of wet (de Logos). Daarbij is sprake van een strikte causaliteit en noodlot (heimarmene). Daar sloot de notie van kosmische sympathie (sympatheia) op aan: wat noodzakelijk moet gebeuren met een deel, is van invloed op het geheel. De hemelsferen, sterren en hemellichamen zouden dan ook van invloed zijn op het aardse leven. Deze noties werden overgenomen door het neoplatonisme en waren van invloed op de astrologie.Von Stuckrad 2005, blz. 16-17.
Platonisme Plato nam enkele noties van het pythagorisme over, waaronder reïncarnatie. Voor hem was de ziel het onsterfelijke en ware wezen van de mens dat deelnam aan de principes van het goede en goddelijke. Het lichaam was slechts een tombe.Gorgias 493a; Phaedo 250c; Wetten 958c. Ook stelde hij de planeten voor als levende, goddelijke wezens die onderling waren verbonden met een ziel.Timaeus 40b. In het neoplatonisme vanaf de 2e eeuw worden theorieën uitgewerkt om voor de ziel na het aardse leven verlossing te vinden en goddelijke krachten te benutten om de ziel af te stemmen op het transcendente en intrinsiek goede goddelijke, bijvoorbeeld via theürgische magie.Von Stuckrad 2005, blz. 13-15.
Een dergelijke focus op spiritualiteit begon met het hellenistische middenplatonisme (1e eeuw v.Chr.), dat tevens een voedingsbodem was voor gnostische religies, waarin men geloofde dat verlossing en zelfs vergoddelijking al tijdens het leven te vinden was in het bereiken van gnosis, kennis van het wezen der dingen en van de transcendente god. Al deze stromingen benutten de noties van een harmonieuze kosmos als bezielde eenheid met meerdere hemelsferen en goddelijke krachten. Sinds het middenplatonisme en het contemporaine neopythagorisme groeide de overtuiging dat Plato's filosofie terugging op die van Pythagoras en Midden-Oosterse culturen, zoals de Perzen en Egyptenaren (platonisch oriëntalisme). Oosterse bronnen en ideeën werden in de keizertijd dan ook gecombineerd met Griekse filosofie en mystiek, waarbij men zocht naar overeenkomsten tussen de diverse bronnen.
Openbaring en verlossing De Grieken en Romeinen waren traditioneel weinig bekend met het fenomeen van de openbaring van goddelijke, mystieke of esoterische kennis. Dit verschijnsel is joods (vanaf de 3e eeuw v.Chr.) en hangt samen met het geloof in de mogelijkheid tot een hemelvaart (zoals het aanschouwen van Gods troonwagen) door uitverkoren personen. Dit geloof werd een belangrijk onderdeel van de joodse mystiek in de late oudheid, blijkens de hechalot-literatuur. Het kwam in de eerste eeuwen ook voor bij het vroege christendom en gnostische religies voor, waar het geloof in verlossing en het opstijgen van de ziel doorheen de hemelsferen tevens werd verbonden met de filosofische noties van kosmische sympathie en heimarmene.Von Stuckrad 2005, blz. 18-26.
Vanaf de laat-hellenistische periode werd de legendarische Hermes Trismegistus beschouwd als een profeet die kennis aan de mens had geopenbaard over magie, astrologie en alchemie. Tevens zou hij de weg hebben gewezen tot het verkrijgen van gnosis. Naast de verspreiding van openbaringsliteratuur won het begrip gnosis aan belang en stond het centraal in het manicheïsme, het mandeïsme, de gnostiek en het hermetisme, een syncretistische religie met Egyptische, Griekse en joodse invloeden. Als bron van esoterische kennis gold Hermes Trismegistus later ook als autoriteit voor neoplatonisten zoals Jamblichus en Proclus, maar ook bij sommige christenen.Hanegraaff 2013, blz. 18 e.v. Von Stuckrad 2005, blz. 18-20.
Magie
Het woord magie is van Perzische afkomst, en zowel Grieken als Romeinen associeerden magie met Meden, Perzen, Syriërs en Babyloniërs. Mogelijk waren er Mesopotamische invloeden op de ontwikkeling van magie in de Myceense periode of in de 8e eeuw v.Chr. Men kende verschillende vormen, en er bestonden professionele magiërs die men kon inschakelen tegen betaling. Het doel was om een gegeven situatie eenzijdig te manipuleren door op rituele wijze een beroep te doen op een onzichtbare kracht (dynamis), zoals van de doden, demonen of goden. Het doel kon kwaadaardig (zwarte magie) zijn, of goedaardig (witte magie), zoals bij medicinale spreuken, exorcisme of voor het succesvol maken van een kunstwerk.
Magie was deel van het volksgeloof, maar werd tevens bedreven in onder andere joodse gemeenschappen,Bijvoorbeeld de Sefer ha-Razim.Voor joodse magie, zie Bohak 1999. gnostische stromingen en (mysterie)cultussen in bijvoorbeeld Efeze, een belangrijk centrum voor magie.Bijvoorbeeld Handelingen 19:18-20, waarin Paulus de bewoners van Efeze aanspoort magische boeken te verbranden.Luck 2006, blz. 48. H.D. Betz, in Faraone & Obbink (red.) 1997, blz. 249-253. In de hellenistische en Romeinse keizertijd wordt magie in toenemende mate syncretistisch, en worden elementen opgenomen uit onder andere de Hebreeuwse, Egyptische en Mesopotamische cultuur. Hoewel magie was verbonden met religie, maakte het geen deel uit van de geaccepteerde publieke godsdienst, maar bleef het een private en geheime aangelegenheid.Bijvoorbeeld Theophrastus, Karakterschetsen: de bijgelovige persoon.Petropoulos 2008, blz. 3-5. In Romeinse bronnen associeerde men magie vooral met waarzeggerij, maar sommigen zagen magie als deel van de filosofie.Pythagoreeërs en Eudoxus van Cnidus.Ogden 2002, blz. 44. In de hellenistische en vooral Romeinse keizertijd werd de legendarische figuur Hermes Trismegistus gezien als vermeende bron van magische, astrologische en alchemistische kennis.
Wetgeving miniatuur|In de Twaalf Tafelen, vroege Romeinse wetten, worden de schadelijke gevolgen van magie gesanctioneerd, maar magie als zodanig niet. In oud-Griekse en Romeinse wetteksten werd magie (als onderdeel van de religie) veroordeeld uit vrees voor de mogelijk schadelijke gevolgen ervan. Personen die zich met magie inlieten, werden soms vervolgd omdat ze werden beschouwd als goddeloos of schadelijk voor de samenleving. Het praktiseren van magie als zodanig leidde echter niet tot vervolging. In de Romeinse keizertijd volgden diverse maatregelen van staatswege om magische kennis en praktijken in te perken, zoals het verbranden van magische handboeken en een verbod op de handel in bepaalde kruiden.Suetonius, Augustus 31. Justinianus, Digesten.Ogden 2002, blz. 275-299.
Magiërs miniatuur|Mythische vrouwen als Circe (afbeelding) en Medea stonden bekend om hun toverkunsten. De vrouwelijke magiër (heks) werd mettertijd negatiever voorgesteld, en werd een populair figuur in de Romeinse literatuur. De meeste voorstellingen behoren tot een geheel fictieve traditie.