Het Koninklijk Paleis (Italiaans: Palazzo Reale) was eeuwenlang de zetel van de regering van de stad Milaan en van het Koninkrijk Lombardije-Venetië. Tot 1919 was het paleis in het bezit van de koninklijke familie. Het gebouw werd toen door de staat aangekocht en sindsdien wordt het gebruikt voor tentoonstellingen.
Aanvankelijk was het paleis veel groter dan nu en had het twee binnenplaatsen. Later werden delen gesloopt om meer ruimte te bieden voor de Dom. Het paleis ligt ten zuiden van de Dom. De voorgevel van het paleis volgt de lijn van de voormalige binnenplaats. Daarom ligt de ingang een eindje van de Piazza del Duomo af.
Het meest opvallend in het paleis is de Zaal van de Kariatiden op de eerste verdieping. Deze bevindt zich op de plaats van het oude theater dat in 1776 door brand werd verwoest. Deze zaal werd tijdens het bombardement van de geallieerden in 1943 zwaar beschadigd. Na de oorlog bleef het paleis nog ruim twee jaar onaangeroerd liggen. Dit leidde tot nog meer schade, zodat een groot deel van het neoclassicistische interieur verloren ging.
Negenhonderd jaar geschiedenis Van het ontstaan tot de 16e eeuw thumb|De klokkentoren van de San Gottardo in Cortekerk, het enig overgebleven voorbeeld van de Gotiek in het paleis Het koninklijk paleis is nauw verbonden met de geschiedenis van de stad Milaan en heeft dan ook een zeer oude geschiedenis. In de periode van de Italiaanse Stadstaten (1000-1400) ontstond het paleis als Palazzo del Broletto Vecchio. Het was toen de zetel van de regering van Milaan. Het paleis werd tijdens de heerschappij van de families Torriani, Visconti en Sforza het politieke centrum van de stad en zo kreeg het paleis de rol van Hertogelijk paleis en dus het centrum van het Hertogdom Milaan.
Na de bouw van de Dom werden er tijdens het bewind van Francesco Sforza grote veranderingen doorgevoerd in het gebouw
De 16e eeuw Toen in de eerste helft van de 16e eeuw het bewind van de Sforza’s ten val kwam en de Fransen Milaan binnentrokken, kreeg het Castello Sforzesco, dat tot in die tijd het officiële paleis was van de hertogen van Milaan, steeds meer een militair karakter en werd het steeds minder geschikt voor representatieve doeleinden. Onder het bewind van de Franse koning Lodewijk XII en Frans I vond dan ook de verplaatsing van het hof naar het koninklijk paleis plaats. Pas in de Spaanse periode kwam het paleis tot grote bloei. Toen in 1546 de nieuwe gouverneur Ferrante Gonzaga in Milaan arriveerde, maakte hij van het paleis zijn vaste woonplaats en zo werd het gebouw het enige en echte regeringscentrum van Milaan. Het paleis werd in die tijd dan ook Palazzo Gonzaga genoemd. Gonzaga gaf ook opdracht om in het paleis zalen met een representatief karakter te maken. Men begon met de restauratie van het gedeelte tussen de binnenplaats (het huidige voorplein) en de tuin (de huidige binnenplaats). Deze opdracht werd gegeven aan Domenico Giunti. Ook de andere vertegenwoordigende organen van de stad kregen een plek in het gebouw. In de twee zijvleugels kwamen de Senaat van de burgerij, de koninklijke tribunalen en verschillende rechtbanken.
Om de uitvoering van deze projecten mogelijk te maken, liet Gonzaga de oude kerk van Sant’Andrea al Muro Rotto slopen en voegde de grond toe aan het paleisterrein. Een afgesloten binnenweg leidde van de binnenplaats naar de San Gottardokerk. Deze zou voortaan de paleiskapel zijn. In 1535 was Milaan onder Spaans bestuur gekomen en dat zou zo blijven tot 1714. De nieuwe gouverneurs zetelden in het paleis en zij ondernamen grote projecten om het paleis te verbouwen en te vergroten. In het paleis werd in 1594 het eerste theater van Milaan gebouwd. Het werd in 1659 door brand verwoest, maar pas in 1717 weer opgebouwd. In 1776 werd besloten om dit theater af te breken en om tegelijkertijd het nu wereldberoemde Scalatheater te gaan bouwen.
Toen aan het eind van de 16e eeuw de nieuwe gouverneur Antonio de Guzman y Zuniga, markies van Ayamonte in Milaan kwam, werden er weer nieuwe verbouwingen begonnen. Hij slaagde erin om Pellegrino Tibaldi, de vaste architect van aartsbisschop Carolus Borromeus, te strikken voor het werk. Deze had ook al gewerkt aan de Dom, het aartsbisschoppelijk paleis en kanunnikenhuis van de Dom (Palazzo dei Canonici). Tibaldi werkte tussen 1573 en 1598 aan het paleis. In deze jaren werd de volledige decoratie van de woonvertrekken, de zuilengangen, de privékapel en de San Gottardokerk opnieuw geschilderd. Aan dit project werkten de belangrijkste kunstenaars uit die tijd mee: Aurelio Luini, Ambrogio Figino, Antonio Campi en uiteraard Pellegrino Tibaldi zelf. Het stucwerk en de grotesken werden gemaakt door Valerio Profondavalle, een Vlaamse schildermeester die ook enkele ramen had gemaakt voor de Dom van Milaan.
In deze periode ontstond ook het eerste Hoftheater. Dit was het begin van veel verwikkelingen die in de 18e eeuw zouden uitmonden in de bouw van het Scalatheater.
De 17e en 18e eeuw thumb|Maria Theresia van Oostenrijk, geschilderd door Anton von Maron, Koninklijk Paleis te Milaan. Een teken van haar belangrijke rol voor Milaan De 17e eeuw was een periode van stagnatie en daarom werd er niet veel veranderd aan het paleis. Door verschillende oorlogen en vanwege een pestepidemie liep het gebouw in deze periode daarentegen wel heel wat schade op. In de nacht van 24 op 25 januari 1695 brak er bovendien brand uit in het Hoftheater, waardoor grote delen van het paleis verwoest werden. Dit leidde ertoe dat er meer dan twintig jaar geen theatervoorstellingen aan het hof plaatsvonden.
Na de Spaanse Successieoorlog kwam Milaan definitief in het bezit van Oostenrijk. De eerste gouverneur werd in 1717 graaf Maximiliaan van Löwenstein. Hij begon nog datzelfde jaar met de werkzaamheden voor de bouw van een nieuw theater aan het hof. Het moest groter worden en een betere akoestiek hebben. Het theater kreeg een parterre, vier rangen en een engelenbak. De zitplaatsen werden in hoefijzervorm aangelegd. De uitvoering van het project werd opgedragen aan Francesco Galli da Bibbiena, die ook zijn leerlingen Giandomenico Barbieri en Domenico Valmagni bij het werk betrok. De bouw werd voltooid op 26 december 1717 en het theater werd plechtig in gebruik genomen met een uitvoering van de opera Costantino van Francesco Gasparini. Naast dit theater bevond zich in het paleis een foyer bedoeld voor kansspelen en waar snacks en drankjes en ook maskers en kostuums voor feesten verkocht werden.
In 1723 werd het paleis opnieuw door brand getroffen. Deze trof vooral de ontvangstzalen hard. Gouverneur Wirich von Daun startte nieuwe restauratiewerkzaamheden op en wilde hierbij gelijk het paleis nog luisterrijker maken. Hij liet een van de binnenplaatsen opnieuw schilderen. Het wat donkere uiterlijk dat het paleis sinds de 16e eeuw had veranderde hij door de muren wit te verven en hij omlijstte de ramen met barokke kozijnen naar een ontwerp van Carlo Rinaldi. Ook de San Gottardokerk, die nu ‘koninklijk-hertogelijke kapel’ ging heten, werd opnieuw geschilderd en kreeg daarbij nieuw sierstucwerk en verguldsels.
In deze tijd bevonden zich rond de grote binnenplaats allerlei overheidsdiensten en enkele rechtbanken. Hoewel deze instellingen slechts administratieve taken hadden, coördineerden ze toch alle inkomsten en uitgaven van de staat en beslechtten ze geschillen binnen het gebied van Milaan. Het bestuur van de staat Milaan bevond zich echter in nieuwe kantoren aan de noordkant van de tuin, waar ook de Geheime Raad onder voorzitterschap van de gouverneur bijeenkwam. Toch was de macht hiervan evenwel beperkt, omdat de echte macht bij het hof in Wenen lag.
In deze tijd werden ook de grote feestzaal en de audiëntiezaal op de begane grond gerestaureerd. De gouverneur en zijn gezin verbleven in de nieuwe vertrekken aan de noord- en zuidkant van de tuin. In de logeerkamers verbleef in 1739 Maria Theresia tijdens haar bezoek aan Milaan.
Investeringen van Pallavicini thumb|Toegangshal tot de binnenplaats thumb|koninklijk paleis en het voorplein gezien vanaf het dak van de Dom In 1745 kwam Giovanni Luca Pallavicini als nieuwe gouverneur en gevolmachtigd minister naar Milaan. Hij hield zich voor alles bezig met de herinrichting van het paleis. Hij begon bij de meubels, die hij op eigen kosten volledig liet vernieuwen. Ook richtte hij zich daarbij op het vervangen van het porselein, het zilverwerk en de kroonluchters.
Ondertussen werden ook de nieuwe vertrekken rondom de tuin gerestaureerd onder leiding van Francesco Croce, een gerenommeerd architect die ook werkte in de koepel van de Madonninakapel in de Dom. Hij zorgde in enkele van deze zalen ook voor het ophangen van de wandtapijten in de stijl van Rafael die speciaal voor deze zalen besteld waren bij de firma Gobelin.
De belangrijkste verandering in het paleis is het samenvoegen van de grote feestzaal en de audiëntiezaal tot een grote balzaal van 46 bij 17 meter (de huidige Sala delle Cariatidi). Aan de korte zijden werden podia gemaakt voor orkesten.
Een andere vernieuwing van Pallavicini was het inrichten van een grote Salle à manger, een zaal die uitsluitend bedoeld was voor galadiners. In Frankrijk was dit toen in de mode, maar in Milaan was dit nog onbekend. Pallavicini liet hiervoor een ruimte ten noorden van de kleine binnenplaats vergroten. Deze stond in verbinding met de keukens in de verdieping eronder en zo was het gemakkelijk om het eten op te dienen. Voordat hij in 1752 Milaan verliet slaagde hij erin om veel van het meubilair dat hij had meegebracht te verkopen aan het paleis en zo kwam dit alles in het bezit van de staat.
Verdere vernieuwing: de ingrepen van Piermarini thumb|left|De voorgevel van het paleis volgens het ontwerp van Piermarini uit de tweede helft van de 18e eeuw. In de tweede helft van de 18e eeuw, onder het bewind van de Habsburgers, kende het paleis een weelderig hofleven, waar veel belangrijke kunstenaars en architecten aan het werk waren met verdere vernieuwingen geïnspireerd op de rococostijl.
Een eerste project werd in gang gezet door keizer Jozef II, tijdens zijn verblijf in Milaan op 26 juni 1769. Hij was eerst van plan om de architect Luigi Vanvitelli te belasten met een opdracht, maar wellicht uit geldgebrek zag hij hier toch van af en bleef het paleis voorlopig ongewijzigd.
Ferdinand, een van de zonen van Maria Theresia trouwde op 15 oktober 1771 in de Dom van Milaan met Maria Beatrice d'Este en werd vervolgens de nieuwe gouverneur van Lombardije en moest daarom in het koninklijk paleis gaan wonen. Hij wilde graag wedijveren met de andere grote residenties in Europa, vooral met Schönbrunn in Wenen, waar zijn broer woonde. Zijn eerste idee was om een nieuw koninklijk paleis te laten bouwen voor zichzelf en om het bestaande paleis over te laten aan de overheidsdiensten, die toch extra ruimte nodig hadden. Vanuit dit plan verhuisde hij met zijn vrouw naar Palazzo Clerici in afwachting van een compromis: het oude paleis zou dan verbouwd worden zodat hij eindelijk een plaats had die waardig was voor de huisvesting van een Aartshertog. De meeste kantoren zouden dan moeten verhuizen om ruimte te kunnen bieden aan het hof. Ondertussen waren er in 1771 ook allerlei festiviteiten in het paleis vanwege dit huwelijk van aartshertog Ferdinand, waaronder een uitvoering van L'insubria consolata van Maria Teresa Agnesi en de opvoering van Ascanio in Alba van Wolfgang Amadeus Mozart. Hij werd in eerste instantie aangesteld als hofmeester in Milaan, maar dat werd geweigerd door keizerin Maria Theresia, die haar zoon dit per brief liet weten. thumb|De neoclassicistische eretrap in het paleis