Victor Willy De Donder (Dendermonde, 14 oktober 1939 – Westerlo, 9 oktober 2015) was een Vlaams journalist, auteur, essayist en historicus. Hij was een schrijver, bekend om zijn plastische stijl. Hij werkte 32 jaar als reporter, cultuurredacteur, opiniërend redacteur en eindredacteur voor de kranten De Standaard en Het Nieuwsblad.

Hij schreef 21 boeken: romans, essays, reisverhalen en historische werken. Zijn bekendste boeken zijn Kom eens naar mijn kamer, En we zijn er van de klas, Troje. De machtigste mythe van Europa, Zonsverduistering boven Brugge, In de naam van Vlaanderen en Glimlach van de kunst. Met De lokroep van de zeemeermin, in vijf talen vertaald, kende De Donder internationaal succes.

Biografie Jeugd en studies Vic De Donder werd in Dendermonde op 14 oktober 1939 geboren. Hij was het eerste kind van Alfons De Donder, een werfopzichter bij diverse bouwbedrijven en van Maria Lanckbeen, huismoeder. Hij maakte als kind de oorlogsjaren mee. Hij was vijf toen het gezin uit Dendermonde vluchtte voor de geallieerde bombardementen. In Mespelare zag hij na de bevrijding de Amerikaanse Shermantanks op het dorpsplein rijden en kreeg hij van G.I.’s chocolade in z’n handen gestopt. Het waren beelden die hem altijd scherp zijn bijgebleven.De Donder, V., Toen Dolf ‘knor, knor’ deed, in: De Standaard, 24 november 1999, blz. 2. Na de oorlog keerde het gezin weer naar Dendermonde terug. In 1951 verhuisde het naar Gent.

Door de oorlogsperikelen liep De Donder achterstand in de lagere school op. Hij startte pas op z’n 14de in de zesde Latijnse, in het Gentse Sint-Lievenscollege. Hij leerde er zijn vriend Paul De Broe kennen en was er lid van de Scoutsgroep. Toch trok hij in 1957 voor zijn derde Grieks-Latijnse naar de benedictijnen van de Abdijschool in Dendermonde. De paters drukten op hem een culturele stempel. Hij schreef toneelstukken, stond zelf op de planken en etaleerde zijn journalistieke talent door het schoolblad Kontakt vol te pennen. Hij kreeg er ook de liefde voor klassieke muziek mee, waardoor de opkomst van de popmuziek hem is ontgaan.

In 1960 keerde De Donder naar Gent terug om aan de Rijksuniversiteit (RUG) wijsbegeerte en Oosterse Talen te studeren. Hij behoorde tot de eerste studenten, die van de jonge moraalfilosoof, ethicus en assistent Etienne Vermeersch les kregen. Vermeersch werd nadien een goede vriend. De Donder was in het academiejaar 1962-1963 voorzitter van de Oosters-Afrikaanse Kring aan de RUG. Hij studeerde af in 1964 en ging onder de wapens tijdens de klas van 1965. Hij was in het Duitse Kaster kandidaat reserveofficier (KRO) voor sociale en culturele informatie bij de 9de Wing van de Luchtmacht, met de tactische Nike-raketten. In december 1965 zwaaide hij als reserveonderluitenant af. Hij kreeg in 1981 voor zijn ‘bewezen militaire diensten’ het Kruis van Ridder in de Kroonorde.

Journalistieke carrière In mei 1967 nam De Donder deel aan het eerste examen voor journalist bij NV De Standaard. Hij werd geselecteerd uit 600 kandidaten.Durnez, G., De Standaard. Het levensverhaal van een Vlaamse krant van 1948 tot de VUM, Lannoo, Tielt, 1993. Hij behoorde tot de eerste lichting journalisten met een universitaire opleiding. Hij begon bij De Standaard en Het Nieuwsblad als reporter/verslaggever. Hij schreef over diverse onderwerpen en bracht verslag uit van actuele gebeurtenissen in het binnen- en buitenland. In ‘Beknopt Verslag’ schreef hij in zijn bekende plastische stijl over het dagelijkse leven.

Oud-collega Guido Despiegelaere omschreef reporter De Donder als volgt: ‘Vic trok naar Turkije toen de meeste Turken nog niet wisten dat Atatürk al overleden was. Op een van zijn Zuid-Amerikaanse trips botste hij in een revolutieland ook werkelijk op een revolutie. Hij stoof in 1970 Gilbert Staepelaere na tijdens de wereldrally Londen-Mexico en kreeg de primeurs om met vliegtuigen als de DC10 en de Boeing 747 in de lucht te hangen.’Despiegelaere, G., Mijnheer VDD reporter, in: Een halve eeuw Vic De Donder in Vlaanderen, Zellik, 1989.

De Donders eerste artikelenreeks in De Standaard ging over grensarbeid.In De Standaard, 15 - 18 januari 1968. Zijn eerste grote buitenlandse reportage-opdracht was voor Het Nieuwsblad: dagelijks verslag uitbrengen over de monsterrally Londen-Mexico in 1970, waar de befaamde Belgische rallyrijder Gilbert Staepelaere aan deelnam.In Het Nieuwsblad, 17 april - 27 mei 1970. De eerste grote reportage voor De Standaard ging over Haïti (1971).In De Standaard, 21 - 26 juni 1971. De Donder doorkruiste samen met fotograaf Filip Tas het armste land ter wereld op zoek naar de ziel van dit stukje Antillen. In 1973 kende hij met een buitenlandse reportage een journalistiek hoogtepunt. Na zes weken Mexico, opnieuw met Filip Tas, publiceerde hij de zesdelige reportagereeks ‘Alfabetisatie en Derde Wereld’.In De Standaard, 26 - 31 december 1973. Hij kreeg er in mei 1974 de gegeerde prijs van de Vlaamse Journalistenclub of de Vlaamse Persprijs voor.

Nog in 1974 stond De Donder Wetstraatjournalist Hugo De Ridder bij in het onderzoekswerk naar de RTT-zaak en de betrokkenheid van topman Germain Baudrin. ‘Ze gaven een almaar indrukwekkender beeld van het vreemde leventje aan de RTT-top’, aldus oud-collega Gaston Durnez.Durnez, G., De Standaard. Het levensverhaal van een Vlaamse krant van 1948 tot de VUM, Lannoo, Tielt, 1993. Het journalistieke graafwerk resulteerde in een rechtszaak. Datzelfde jaar trok De Donder ook voor de eerste keer naar de Ronde van Frankrijk om voor Het Nieuwsblad dagelijks een cursiefje over gebeurtenissen in de marge van de koers te schrijven.

In oktober 1975 koos De Donder voor een carrièrewending. Hij werd kabinetsattaché bij minister van Nederlandse Cultuur Rika De Backer (CVP), voor de persrelaties en het sportbeleid (zie ‘Panathlon’). Zeven jaar later, in april 1982, keerde hij naar zijn geliefde De Standaard terug. Hij werd eindredacteur en taalman. Er was ondertussen veel veranderd: André Leysen had de krant gered en de Vlaamse Uitgeversmaatschappij (VUM) opgericht. De Emiel Jacqmainlaan in hartje Brussel was ingeruild voor de Gossetlaan in Groot-Bijgaarden.

De Donder combineerde zijn redactionele taken met reportages en interviews. Hij publiceerde opmerkelijke artikels, zoals het interview met de Gentse professor cultuurfilosofie en wijsbegeerte Freddy Verbruggen. Die hekelde in 1985 het hoera-geroep rond Flanders Technology en dat ging niet ongemerkt voorbij. De filosoof waarschuwde voor techniek en wetenschap als ideologie en voor de existentieel-menselijke wanhoop. Hij ging in tegen de verwetenschappelijking en de vertechnisering van de maatschappij.De Donder, V., Symbool Flanders Technology bedreigt onze maatschappij, in: De Standaard, 4 maart 1985, blz.3.

Geleidelijk schakelde De Donder over op culturele onderwerpen, vooral archeologie en geschiedenis. Als eerste bracht hij in december 1988 in de Standaard der Letteren de archeologische site van Sagalassos, het levenswerk van professor Marc Waelkens (KU Leuven), onder de aandacht.De Donder, V., ‘Sagalassos is een droomsite’, in: Standaard der Letteren, bijlage bij De Standaard, 31 december 1988, blz.3. In 1989 verhuisde De Donder naar de cultuurredactie en specialiseerde hij zich tevens in klassieke muziek. Hij schreef ook culturele reisreportages.

In oktober 1990 publiceerde De Donder een artikelenreeks over Troje: Had Heinrich Schliemann toch gelijk?In De Standaard, 6 - 11 oktober 1990. Hij volgde de Duitse professor Manfred Korfmann tijdens diens opgravingen op de Hissarlikheuvel en zoektocht naar de waarheid inzake Heinrich Schliemanns beweringen. De reeks mondde uit in een standaardwerk over Troje. (zie‘Auteur’)

In november 1997 werd De Donder chef opiniepagina. Dat hij nauwelijks nog kon schrijven, lag hem zwaar. Zijn laatste artikel in De Standaard, op 29 oktober 2003, ging over de expo ‘Neanderthalers in Europa’ in het Gallo-Romeins Museum van Tongeren.De Donder, V., Een sprong naar de ijstijd, in: De Standaard, 29 oktober 2003. Van begin 2004 tot aan zijn pensioen in oktober dat jaar was hij nog halftijds eindredacteur. Hij was vanaf het academiejaar 2000-2001 tot aan zijn pensioen ook nog gastdocent aan de Erasmus Hogeschool in Brussel, in de opleiding journalistiek.

Auteur De Donder debuteerde in 1984 bij Standaard Uitgeverij met de historische roman Carolus. In enkele maanden tijd vloeide het vlotte, maar brute verhaal, doordrongen van wreedheid en vroomheid, uit zijn pen. De Donder wilde niet alleen een verhaal vertellen, hij wilde ook enkele ideeën over de mensheid poneren. De wreedheid zit in de mens, stelde hij. En het mens-zijn werd volgens hem door de omstandigheden gekneed. Naargelang ’s levens grillen is de mens zowel tot het beste als tot het slechtste in staat.Geerts, L., ‘De wreedheid zit in iedereen’, in: De Nieuwe, 19de jg., nr. 1047, 14 juni 1984, blz. 21-23.

Gaston Durnez schreef over De Donders eerste roman: ‘Zijn ‘zedenles’ beeldde hij uit in een historisch decor, zo nauwgezet en tegelijk zo suggestief als weinig Vlaamse auteurs dat nog kunnen en durven. Ook op dit gebied had hij zich grondig gedocumenteerd en zijn onderwerp bestudeerd. Een vrolijke roman is het niet geworden. De lezer moet een sterk geestelijk gestel hebben om de schokken te kunnen doorstaan, ...’Durnez, G., De gesmeerde bliksem, in: Een halve eeuw Vic De Donder in Vlaanderen, Zellik, 1989.

De Donder wou de thema’s die hem intrigeerden, nog eens via een eigentijds verhaal brengen. Zijn tweede roman Verbrande parels speelt zich af in het verscheurde en door oorlogsgruwel geteisterde Libanon uit de jaren tachtig van de vorige eeuw. Een rijke Vlaming is geschokt door een foto in zijn krant, waarop twee gewonde kinderen te zien zijn. De man wil ze redden, maar komt zelf niet levend uit Beiroet. De Donder wilde zijn afkeer voor geweld nog eens verwoorden en hij hekelde vooral de ver-van-mijn-bed-houding.Van Hulle, J., Ver van mijn bed, in: Standaard der Letteren, bijlage bij De Standaard, 28 maart 1987, blz 1.

In 1986 schoof De Donder het verhalend proza terzijde. Op vraag van Gaston Durnez begon hij boeken over het dagelijkse leven in Vlaanderen te schrijven, voor een nieuwe reeks bij uitgeverij Elsevier, later Standaard Uitgeverij: ‘Waar is de tijd?’. De voormalige collega van De Donder wilde de ‘historische documentaire’ in Vlaanderen een duw geven. Het ging over boeken die het recente verleden evoceren en bij lezers herinneringen opwekken.

De eerste titels waren Bij ons in ’t dorp van voormalig administrateur-generaal van de BRT Cas Goossens, over het verloren gegane dorpsleven en Kom eens naar mijn kamer van De Donder. Hij beschreef een halve eeuw collegeleven in Vlaanderen. Het werd geen geschiedenis, maar wat hij noemde ‘een nostalgische terugblik, gekruid met honderden anekdotes en verhalen uit tientallen scholen.’Van Hove, J., Colleges en dorpen verdwenen voorgoed, in: Standaard van de boekenbeurs, bijlage bij De Standaard, 30 oktober 1986, blz. 17. Het boek was met meer dan 15.000 verkochte exemplaren een bestseller. In 2002 gaf uitgeverij Van Halewyck het opnieuw uit.

In dezelfde ‘nostalgische’ reeks schreef De Donder tussen 1988 en 1993 nog drie bestsellers. En we zijn er van de klas (1988) ging over het soldatenleven in het Belgische leger na 1945. In Zou men armoe lijden? (1990) beschreef hij het verdwenen fenomeen van de grote gezinnen. Patrouilleleiders komen getreden (1993) evoceerde de activiteiten van de katholieke scouts en gidsen in Vlaanderen. Drie jaar later beschreef De Donder in In Naam van de Heer ook het leven van de parochiepriester, maar dat verscheen bij Uitgeverij Scoop. Met zijn vulgariserende historische verhalen over sociale, culturele en maatschappelijke fenomenen in België en Vlaanderen bereikte De Donder een breed lezerspubliek. Zijn historisch-evocerende boeken haalden samen een oplage van zo’n 40.000 exemplaren.