thumb|Ontwapening, Brugge, 29 mei 1940|alt=
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd België bezet door Nazi-Duitsland. De bezetting begon met de inval op 10 mei 1940 en duurde tot de uiteindelijke bevrijding vanaf begin september 1944 tot aan het laatste deel op 1 oktober 1944. Later werd nog een deel opnieuw bezet tijdens het Ardennenoffensief.
De neutraliteit van België voor de Tweede Wereldoorlog thumb|Historicus Herman Van Goethem over de rol van de Belgen tijdens de Tweede Wereldoorlog - Universiteit van Vlaanderen Op 7 september 1920 ondertekenden België en Frankrijk te Parijs een "Frans-Belgisch defensief militair akkoord". Toen men de Frans-Belgische bezettingstroepen uit het Rijnland terugtrok ging het Belgische ministerie van Buitenlandse zaken vanaf maart 1931 de verplichtingen van het defensieve militaire akkoord afzwakken. De economische crisis en de politieke onzekerheid in Europa breidde zich in de latere jaren verder uit en vooral Vlamingen bekeken dit akkoord steeds kritischer omdat men vreesde dat de Fransen België ongewild in een preventieve oorlog tegen Duitsland zou meesleuren.
Op 20 juli 1936 kondigde Paul-Henri Spaak, minister van Buitenlandse Zaken vanaf dan een "uitsluitend en fundamenteel Belgische" buitenlandse politiek aan. Deze nieuwe diplomatieke koers kreeg de steun van eerste minister Paul van Zeeland en koning Leopold III en zorgde voor de steun van een parlement met Vlaamse meerderheid te krijgen voor hogere defensie-uitgaven. Deze "onafhankelijkheidspolitiek" van een regering van nationale eenheid onder leiding van Van Zeeland kreeg een zeer grote meerderheid in het parlement.
Op 24 april 1937 stuurden Frankrijk en Groot-Brittannië een diplomatieke nota aan Paul-Henri Spaak. Daarin onthieven ze België van zijn verplichtingen maar hun belofte tot bijstand hernieuwden ze, "voor het geval dat"... Op die manier probeerden ze het beste te maken van de situatie. De Duitsers van hun kant, via minister Konstantin von Neurath, stuurden op 13 oktober 1937 een nota aan de Belgische ambassadeur in Berlijn waarin ze het grondgebied van België garandeerden. De voorwaarde was wel dat de Belgische regering geen nadelige maatregelen voor Duitsland zou treffen in geval van conflict met een derde mogendheid. In de context van die periode en de aard van het naziregime kon men voorspellen wat deze garantie waard was.
België realiseerde zich de toegenomen oorlogsdreiging en tussen 1934 en 1939 steeg de defensie-uitgave van 14,4% naar 24% van het totaal van de begroting.
Operatie Fall Gelb
Onaangekondigd viel het Duitse leger binnen op 10 mei 1940. Al tijdens de eerste uren werd de Belgische luchtmacht op de grond vernietigd na massale bombardementen, waarbij enkele duizenden doden vielen.https://web.archive.org/web/20150522072734/http://pieterserrien.be/2015/05/21/duitse-bombardementen-op-belgie-tijdens-de-tweede-wereldoorlog/ Met vliegtuigen en tanks trokken de Duitsers door de Belgische en Franse Ardennen. Daarvoor werden fietsen massaal ingezet op een klein deel van het front. Het als oninneembaar geachte fort Eben-Emael bij Luik viel na één dag in Duitse handen. De bruggen bij Vroenhoven en Veldwezelt over het Albertkanaal vielen intact in Duitse handen. De Bunkerlinie Briegden-Neerharen werd op 10 mei 1940 verlaten. De Maas werd overschreden te Dinant, Monthermé en Sedan. De Franse stellingen werden opgerold en weldra stormden de Duitse tanks in de richting van Abbeville.
De doorbraak in het zuiden en de uitzichtloze situatie van het Nederlandse leger in het noorden na drie dagen (Nederland capituleerde op 14 mei) dwongen de legerleiding om de goede stellingen (zoals het Albertkanaal en de KW-linie) prijs te geven zonder of na weinig strijd, waardoor het moreel van de Belgische troepen werd geschaad. Toch werd nog gepoogd om op vier opeenvolgende linies (Scheldelinie, Terneuzen - Gent - Oudenaarde, Leielinie en de lijn Ieper - Roeselare) stand te houden tegen de overweldigende overmacht.
Ondanks het protest van koning Leopold III van België moest op bevel van de Franse opperbevelhebber generaal Maurice Gamelin de Scheldelinie (Antwerpen - Brussel - Kanaal Charleroi-Brussel tot de Franse grens) nog dezelfde dag verlaten worden. Het VIIe Franse Leger, dat intussen in Nederland door een Duitse pantserdivisie was teruggeslagen, trok zich samen met het Belgische leger terug en liet de vijand ongehinderd de Schelde oversteken. In de Franse pers kregen de Belgen de schuld van deze terugtrekking: uit egoïstisch belang ("om hun mooie huizen in Brussel te vrijwaren") zouden de Belgen het prijsgeven van deze linie van het geallieerd commando hebben afgedwongen en zo de geallieerde plannen in de war hebben gestuurd. Op de intergeallieerde conferentie van Ieper op 21 mei, werd erkend dat de Belgische troepen heldhaftige vertragingsmanoeuvres uitvoerden, zoals onder meer de Ardeense Jagers op de Dender (18 mei), het 4e Lansiers te Zwijndrecht (19 mei) en het 3e Jagers gesteund door het 10e Artillerie op de Schelde (20 mei). Alleen aan de Leie, een niet voorbereide stelling, werd zwaar slag geleverd tijdens de Leieslag, waarbij aan Belgische zijde circa 2500 doden vielen.
Vanaf 10 mei werden meer dan 300.000 jonge reserverekruten opgeroepen om zich naar de Westhoek en later naar Frankrijk te begeven. Deze zogenaamde CRAB's waren tussen de 16 en 35 jaar en kregen het bevel om zich naar Zuid-Frankrijk te laten evacueren. Naar schatting 150.000 kwamen daar terecht, maar toen had België reeds gecapituleerd. In augustus 1940 keerden de jongens terug naar België.
Einde Achttiendaagse Veldtocht
thumb|Twee Duitse soldaten bij een Belgische T13-tank Ondertussen was het voor de Belgische koning en de legerleiding duidelijk geworden dat de strijd verloren was. Het Belgische leger kon alleen nog de aftocht van het Britse Expeditiekorps via Duinkerke dekken. De munitievoorraad was praktisch volledig opgebruikt. Koning Leopold III waarschuwde de geallieerde hoofdkwartieren dat het Belgische leger zonder geallieerde logistieke steun zou moeten capituleren. Er kwam echter geen hulp meer. De politici die de krijgsverrichtingen niet van nabij volgden, hoopten op een nieuw mirakel aan de Marne.
Leopold III vreesde een definitieve Duitse overwinning en een daaruit voortvloeiend vredesverdrag ten koste van België. Hij besloot dan ook tegen het advies van zijn ministers in om zijn functie van opperbevelhebber (zie het toenmalige artikel 68 of het huidige artikel 167 van de Belgische Grondwet) te laten primeren op die van politiek staatshoofd en net zoals zijn vader, koning Albert I, bij zijn soldaten te blijven en hun lot te delen. Hij capituleerde samen met zijn troepen op 28 mei 1940. Deze beslissing werd zowel door de naar Parijs gevluchte Belgische premier Hubert Pierlot, de voltallige Belgische regering samen met 170 parlementsleden in Limoges (31 mei), als door de Franse premier Paul Reynaud zwaar bekritiseerd. Deze laatste beledigde de Belgische koning en ontnam hem bij decreet zijn Grootkruis van het Legioen van Eer.
Ongeveer 6.000 Belgische soldaten en ongeveer evenveel burgers hadden het leven gelaten door de militaire operaties. De Britten waren ondertussen ingescheept vanuit Duinkerke, maar ook vanuit Oostende, Nieuwpoort en De Panne vertrok men richting de Engelse Kanaalkust. Het Franse leger staakte de strijd op 22 juni.
Van de in totaal 600.000 Belgische militairen werden er 225.000 naar Duitse krijgsgevangenkampen gebracht. Na enkele maanden werden de meeste Vlamingen vrijgelaten. Circa 70.000 (alle officieren, die na enige tijd gegroepeerd werden te Prenzlau, beroepsonderofficieren en Waalse militairen) bleven tot het einde van de oorlog gevangen.
Duits bestuur thumb|Alexander von Falkenhausen Ondanks aandringen van de SS van Heinrich Himmler voor een burgerlijk bestuur (Zivilverwaltung), bleef België, samen met Noord-Frankrijk, als het Reichskommissariat Belgien-Nordfrankreich tot 7 juni 1944 onder militair bestuur (Militärverwaltung). De mogelijkheid om alsnog vrede met het Verenigd Koninkrijk te kunnen sluiten en de aanwezigheid van de Belgische vorst in zijn thuisland, kunnen deze beslissing van Hitler hebben beïnvloed. De 62-jarige Pruisische generaal Freiherr Alexander von Falkenhausen werd als militair gouverneur (Militärbefehlshaber) aangewezen. Zijn taak was om de rust en orde in zijn gebied te bewaren, maar ook om het economisch en menselijk potentieel daarvan optimaal aan te wenden voor de Duitse oorlogvoering.
Daartoe vormde hij een Verwaltungsstab onder leiding van Eggert Reeder en een Kommandostab onder leiding van majoor Bodo von Harbou. De eerste was bevoegd voor de burgerlijke aspecten van het bestuur, de tweede voor de militaire.
Voor de uitvoering beschikte hij over de bezettingstroepen, de Feldgendarmerie en de Geheime Feldpolizei en kon ook een beroep doen op hulpeenheden zoals de Vlaamse Wacht, Garde Wallonne en Hilfsfeldgendarmerie. Daarnaast opereerden ook nog de Abwehr en de SIPO-SD (Sicherheitspolizei - Sicherheitsdienst) in bezet gebied. De eerste hing af van het Oberkommando der Wehrmacht en de laatsten van het Reichssicherheitshauptamt van Himmler. De beruchte Gestapo was een onderafdeling van de SIPO-SD. Een groot deel van de politionele taken gebeurde echter door de Belgische politie en rijkswacht, waar Von Falkenhausen de controle over had.
In 1941 richtte Gérard Romsée een hulp-politiedienst op voor de bescherming van landbouwvelden die toen te lijden hadden onder diefstal. De Boerenwacht was op gemeentelijk niveau georganiseerd maar kende weinig succes wegens de stempel van de collaboratie met de bezetter.
Aangezien de aanhang van de collaboratiebewegingen, zoals Rex en het Vlaamsch Nationaal Verbond te klein was, konden de Duitsers in België geen Quisling-regering zoals in Noorwegen tot stand brengen. Ze besloten het praktisch bestuur van het land over te laten aan de twaalf secretarissen-generaal van de ministeries, die door de wet van 10 mei 1940 ruime bevoegdheden hadden gekregen en op post waren gebleven. Eind 1941 waren acht van de oorspronkelijke secretarissen-generaal door collaborateurs vervangen.
Dadelijk na de Achttiendaagse Veldtocht stond de uitgedunde administratie (velen waren gevlucht) voor de opdracht de dringende problemen van het land aan te pakken, onder meer inzake voedsel- en energievoorziening en inzake transport- en communicatielijnen: bruggen, kanalen, spoor- en autowegen en telefoonverbindingen waren immers vernield of buiten werking. Reeds vanaf 11 mei 1940 (en tot 31 december 1948) werd de voedselvoorziening gerantsoeneerd.
Direct na de inval werd er een oproep gedaan om in Duitsland te gaan werken. In België zaten 500.000 mensen zonder werk, terwijl er in Duitsland volop werk was in de oorlogsindustrie. Velen gingen noodgedwongen vrijwillig op de oproep in. Op 6 oktober 1942 werd er een verplichte tewerkstelling afgekondigd. Mannen tussen 18 en 50 jaar en vrouwen tussen 21 en 35 jaar konden opgevorderd worden. Dit leidde tot massaal protest en zorgde ervoor dat velen onderdoken om aan de opvordering te ontkomen.
Koning Leopold III werd als krijgsgevangene op 29 mei 1940 overgebracht naar zijn Kasteel van Laken. Desondanks poogde hij herhaalde malen zich met het bestuur van het land in te laten: zo verzette hij zich tegen de verplichte tewerkstelling in Duitsland en tegen de Jodenvervolging. Telkens werd hij hiervoor door Hitler terechtgewezen. Op 15 januari 1944 stelde de koning richtlijnen op over hoe het land aan het einde van de oorlog moest bestuurd worden voor het geval hijzelf niet bij de bevrijding aanwezig zou kunnen zijn. In dit "politieke testament" repte de koning met geen woord over het verzet en stelde hij dat politici, die sinds het uitbreken van de oorlog onverantwoorde uitspraken hadden gedaan, voortaan buiten het politieke leven moesten gehouden worden. Na de bevrijding weigerde de Belgische regering dit testament te publiceren.