Dresden is de hoofdstad van de Duitse deelstaat Saksen. De stad aan de Elbe telt inwoners () op een oppervlakte van 328,31 km². De agglomeratie telt 1,1 miljoen mensen, en maakte van 1949 tot 1990 deel uit van de communistische DDR. Bestuurlijk is het een kreisfreie Stadt.

Geschiedenis Eerste vestiging, stichting van de stad en de middeleeuwen Al in het neolithicum waren er de eerste nederzettingen in Dresden en omgeving. De ringgrachten in Nickern uit de vijfde eeuw voor Christus waren de eerste monumentale bouwwerken in het tegenwoordige stadsgebied.

De doorwaadbare plaats door de Elbe ter hoogte van de huidige oude binnenstad (Altstadt) was er waarschijnlijk al in de vroege middeleeuwen. Ondanks de gunstige ligging aan de Elbe en de vruchtbare grond bleef een nederzetting moeilijk vanwege de sterke bebossing. Dresdens, van het Oudsorbische drežďany (= ‘moeras-’ of ‘vochtig loofbosbewoner’) afgeleide naam, duidt op een oorspronkelijk Slavische vestiging. Het nabijgelegen Meißen was van 986 tot 1423 een centrale plaats binnen het markgraafschap Meißen dat in het kader van de uitbreiding en opname van de Sorbische vestigingsgebieden ten oosten van de Elbe en Saale werd gesticht. Het besloeg ongeveer het gebied van de tegenwoordige deelstaat Saksen. Ten zuidoosten van Dresden lag in die tijd het rijksvrije burggraafschap Dohna.

In 1206 wordt Dresden voor het eerst in een bewaard gebleven oorkonde genoemd: Acta sunt hec Dresdene. Dit document, dat in Dresden is opgesteld, gaat over een rechtszitting over het slopen van de burcht Thorun op de Burgwartsberg ten zuiden van Dresden tussen Potschappel en Pesterwitz (in de regio van de tegenwoordige stad Freital). De toenmalige benaming ‘Dresdene’ was vermoedelijk van het Slavische begrip ‘drežďany’ (‘moerasbewoner’, meervoudsvorm) afgeleid, waarmee de oorspronkelijke bewoners van de plaats werden aangeduid. In een oorkonde van 21 januari 1216 wordt Dresden al als stad vermeld: “Acta sunt hec … in civitate nostra Dreseden”.

Er is tot op heden geen oorkonde teruggevonden waarin de stadsrechten worden toegekend, maar in 1350 wordt het aan de rechterzijde van de Elbe gelegen Dresden (Altendresden), de tegenwoordige Innere Neustadt, als zelfstandige vestiging ‘Antiqua Dressdin’ voor de eerste keer genoemd. De toekenning van de stadsrechten aan Altendresden zou op 21 december 1403 door Wilhelm I hebben plaatsgevonden.

Pas op 29 maart 1549 vormden onder keurvorst Moritz de rechter- en linkerzijde van de stad een eenheid.

Vroegmoderne tijd thumb|400px|Dresden rond 1650 Toen op 17 september 1455 het stapelrecht werd verkregen, was Dresden nog een geheel onbelangrijke stad. Echter, na de deling van Leipzig van de gebieden van het Huis Wettin in 1485 werd Dresden eeuwenlang de hertogelijke residentie van de Saksische heersers. De stad werd door de verheffing van het machtsbezit van het Huis Wettin tot keurvorstendom en koninkrijk, opgewaardeerd als politiek en cultureel middelpunt. Door de overgang van de keurvorstentitel binnen het Huis Wettin (Wittenberger capitulatie) werd de stad de hoofdstad van de belangrijkste protestante staat binnen het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie.

In deze tijd werden belangrijke culturele instellingen gebouwd die tot op de dag van vandaag van bijzondere betekenis zijn voor de stad. De in 1556 door keurvorst August van Saksen in de directe omgeving van het residentieslot geopende Muntfabriek Dresden werd na de sluiting van alle staatsmuntfabrieken de enige muntfabriek in het keurvorstendom. Vanwege de aanwezige barok- en rococoarchitectuur kreeg de stad de bijnaam 'Elbflorenz' (Florence aan de Elbe).

Tijdens de Dertigjarige Oorlog is Dresden nooit geplunderd of verwoest, maar de pest en honger en ook de algemene economische stilstand hebben wel de ontwikkeling van de stad geremd. De geschiedenis sinds de Dertigjarige Oorlog is zeer bewogen: aan de ene kant ontstonden er de wereldberoemde bouwwerken en parken; aan de andere kant was de stad bij bijna alle grote Europese oorlogen betrokken en ze werd daarbij meerdere malen beschadigd.

Van 1407 tot 1695 vonden er in Dresden heksenvervolgingen plaats. Veertien vrouwen en acht mannen moesten tijdens heksenprocessen terechtstaan. Daaronder waren in 1567 twee Joden: Aron, geboren in Praag, en Salomon, afkomstig uit Poznań, zij werden ervan beschuldigd een toverboekje in hun bezit te hebben. Vier vrouwen werden verbrand. Ook in de Dresdense stadsdelen (Ortsteile) Cotta, Lausa en Leuben vond heksenvervolging plaats. Sophia von Taubenheim van Schloss Noschkowitz werd in Dresden geëxecuteerd omdat zij bij een heksenproces veroordeeld was.

In 1685 brandde Altendresden volledig af. In de decennia die volgden werd het opnieuw opgebouwd en pas in 1732 was het stadsdeel als "nieuwe koninklijke stad" voltooid. Om deze reden wordt het stadsdeel al lange tijd ‘Neustadt’ genoemd. Onder Friedrich August I die ‘August de Sterke’ werd genoemd, verkreeg Dresden door zijn barokke stijl de culturele betekenis die tot in de moderne tijd zou blijven gelden.

In december 1745 werd de stad tijdens de Oostenrijkse erfoorlog voor het eerst door Pruisen veroverd. In 1756 werd de stad tijdens de zevenjarige oorlog opnieuw zonder succes door Pruisen bezet. Toen het Oostenrijkse leger de stad naderde, riep de gouverneur van Pruisen op tot vergeldingsacties en liet de stad gedeeltelijk afbranden. In 1760 belegerde Pruisen Dresden zonder succes en bombardeerde daarbij de binnenstad.

In 1785 schreef Friedrich Schiller voor de vrijmetselaarslogen ‘Zu den drei Schwertern’ in Dresden het gedicht Ode an die Freude. Ludwig van Beethoven heeft dit gedicht voor zijn Negende Symfonie op muziek gezet. De melodie van een gedeelte van deze compositie is het volkslied van de Europese Unie.

In het voorjaar van 1791 begon in het nabijgelegen Pillnitz met de verklaring van Pillnitz de meer dan 150 jaar durende vijandigheid tussen Duitsland en Frankrijk. Hierin riepen de voornamelijk Duitse monarchen de Europese machten op de Franse Revolutie te beëindigen.

19e en begin 20e eeuw thumb|Aanzicht rond 1900 Tijdens de Zesde Coalitieoorlog tegen Napoleon in 1813 vonden er in de wijde omtrek van Dresden vele niet beslissende slagen van de Volkerenslag bij Leipzig plaats. Saksen, en daarmee Dresden, streed aan de zijde van Frankrijk; de stad werd door de Fransen verder versterkt en door hun troepen beschermd. Op 27 augustus 1813 behaalde Napoleon bij de Slag om Dresden een van zijn laatste overwinningen op Duits grondgebied. De voorsteden ten zuiden van Dresden werden deels zwaar verwoest en de stad Dresden zelf leek door het hoge aantal gewonden op een groot veldlazaret.

De Dresdense Mei-opstand van 3 tot 9 mei 1849 die op de Maartrevoluties volgde, dwong de Saksische koning Friedrich August II om de stad te verlaten. Hij kon de stad pas met steun van Pruisen heroveren. Bekende deelnemers aan de opstand waren Richard Wagner en Gottfried Semper; beiden hebben Saksen daarna verlaten. Na de onderdrukking van de Revolutie vonden hier in 1850 / 1851 de Conferenties van Dresden plaats, de enige in de tijd van de Duitse Bond waarop alle staten waren vertegenwoordigd.

Verdere oorlogen bleven Dresden in de 19e eeuw bespaard en de stad werd de hoofdstad van een van de welvarendste bondsstaten van het Duitse Rijk. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vonden er in de stad geen gevechtsacties plaats. Desondanks liep het inwonertal tussen 1910 en 1919 – het eerste jaar na de oorlog – met 20.000 terug.

Interbellum: Weimarrepubliek en nationaalsocialisme thumb|Alledaags tafereel voor het centraal station in Dresden aan het einde van de gouden jaren 20 Na de Novemberrevolutie van 1918 werd Dresden de hoofdstad van de (eerste) vrijstaat Saksen. De stad hoorde bij de tien grootste Duitse steden en vormde een cultureel en economisch middelpunt van de Republiek van Weimar. In 1919 werd de Dresdner Sezession, waarvan Otto Dix het bekendste lid was, opgericht. Deze groep werd voor de Eerste Wereldoorlog al voorafgegaan door de kunstenaarsgroep Brücke. In 1925 werd met de Palucca School Dresden, naast de bestaande Hogeschool voor Beeldende Kunsten een belangrijke school voor beeldende kunst opgericht. De Staatsopera van Saksen was een toonaangevend podium voor premières. Tegen 1913 ontstond het Schauspielhaus van het staatstheater.

Vanaf 1889 was Dresden dankzij Heinrich Ernemann dé plek voor de Europese fotografische industrie. Diverse technologische vernieuwingen kwamen ervandaan zoals de eerste eenogige kleinbeeld (24 × 36 mm) spiegelreflexcamera ter wereld. Verder was Dresden in de 20e eeuw de thuishaven van de VEB Pentacon-fabriek die, in de DDR-tijd (1949-1990), onder meer de Praktica maakte. Begin 20e eeuw werd de kunstenaarsgroep Die Brücke in Dresden opgericht.

Nog in de 19e eeuw verplaatste de in 1872 opgerichte Dresdner Bank haar hoofdkantoor naar Berlijn. Dresden bleef echter een belangrijk bankencentrum, vooral voor de kleinere private banken (familiebedrijven) tot in de jaren 20 van de 20e eeuw. Tussen 1918 en 1933 bestonden er toonaangevende ondernemingen in de (elektro)machinebouw, farmacie en cosmetica, alsook in de tabaksverwerking en de levens- en genotsmiddelenindustrie. Deze bedrijven zijn deels (vaak in een nieuw opgerichte vorm) tot op de dag van vandaag blijven bestaan. De trambedrijven die in 1909 door de stad waren overgenomen werden in 1930 als Dresdner Straßenbahn AG weer geprivatiseerd.

thumb|links|Sempersynagoge (in 1938 door de nationaalsocialisten verwoest). Lithografie van Ludwig Thümling, circa 1860 Het interbellum markeerde ook de gestage opmars van de NSDAP en het nationaalsocialisme. De ongeveer 5.000 Joodse inwoners van Dresden die in 1933 nog inwoners van de gemeente waren, werden verdreven of later naar concentratiekampen afgevoerd. Het antisemitisme in Dresden is vooral gedocumenteerd in de dagboeken van Victor Klemperers ("Ich will Zeugnis ablegen bis zum letzten"). Na de Tweede Wereldoorlog woonden er nog 41 Joden in de stad.

Bij de boekverbrandingen op 10 mei 1933 moest onder andere het werk van de uit Dresden afkomstige Erich Kästner ‘symbolisch voor altijd worden uitgeroeid’. Het met name expressionistische culturele leven in Dresden uit het eerste kwart van de 20e eeuw eindigde in 1933. De werken van Ernst Ludwig Kirchner, Max Pechstein, Karl Schmidt-Rottluff of Otto Dix uit deze periode maakten deel uit van de tentoonstelling ‘ontaarde kunst’. Er werden 56 werken van Galerie Neue Meister in beslag genomen.

Ook de Staatsopera die met name bekend was vanwege de werken van Richard Strauss raakte in nood. Al in maart 1933 werd Fritz Busch, al jarenlang befaamd eerste dirigent, door een door de SA geënsceneerd theaterschandaal bij een uitvoering van Rigoletto uit Dresden verdreven. De eens door Busch ontdekte Erna Berger, die inmiddels werkzaam was bij de Staatsopera in Berlijn en die avond als Gilda een gastrol speelde, werd getuige van deze wreedheid. De Strauss-opera ‘Die schweigsame Frau’ kon er in 1935 niet doorgaan vanwege haar Joodse librettist. Alleen omdat de componist zo prominent was, kon de opera daar in première gaan, deze moest echter na drie herhalingen van de speellijst worden geschrapt en verdween in Duitsland van het toneel.

Tijdens de Kristallnacht in november 1938 werd de oude synagoge (Sempersynagoge) platgebrand. Diverse winkels en woningen werden voor de ogen van de politie verwoest en geplunderd, Joodse burgers werden mishandeld. De mannelijke welgestelde Joodse burgers werden daarop naar concentratiekampen afgevoerd om ze tot emigratie te dwingen en om hun vermogen in Duits bezit te brengen.

Tweede Wereldoorlog

thumb|Uitzicht vanaf de Rathausturm na het bombardement op 14 februari 1945 – opname van Richard Peter thumb|Hetzelfde uitzicht in 1958, na het weghalen van het puin in 1949