Tunesië is sinds 1956 een onafhankelijke Noord-Afrikaanse staat. De geschiedenis van het huidige Tunesische grondgebied begint echter bij het prehistorische Capsien en de oude Punische beschaving. Daarna werd het grondgebied achtereenvolgens gedomineerd door de Romeinen, Vandalen en Byzantijnen. De zevende eeuw vormde een keerpunt in de ontwikkelingsgeschiedenis van een volk dat islamiseerde en zich beetje bij beetje aanpaste aan de Arabische cultuur. Dit gebeurde onder het juk van verschillende dynastieën die te maken hadden met verzet uit Berberse bevolkingsgroepen.
Door de strategische ligging, midden in het Middellandse Zeebekken, werd Tunesië inzet van rivaliteit tussen elkaar opvolgende machten: het Spanje van keizer Karel V, het jonge Ottomaanse Rijk, en daarna Frankrijk, dat om zijn Italiaanse rivaal voor te zijn de leiding nam over de Ottomaanse provincie. Gepaard met grondige structurele en culturele veranderingen, ontstond al snel een Tunesische nationalistische beweging. Deze onderhandelde met de Franse machthebbers over akkoorden die in 1956 tot de onafhankelijkheid leidden. Het land zag zich gedwongen tot modernisering en economische integratie, daarbij gestimuleerd door een tot aan de revolutie van 2011 dominante partij.
Geschiedschrijving in ontwikkeling De Tunesische geschiedschrijving kwam midden jaren ‘80 pas echt op gang. In 1972 beschreef Béchir Tlili al een complexe situatie: ‘Historisch onderzoek komt moeilijk van de grond in Tunesië. Het is misschien wel de meest onderontwikkelde of minst onderzochte sector van de sociale wetenschappen. Buiten een beperkt aantal specialistische werken van Tunesische academici of enkele geschiedkundige essays, zijn hele stukken van de Tunesische historie in feite onbekend en onderbelicht.’ - Béchir TliliIn 1987 wijdde het tijdschrift Ibla van het Instituut van de Arabische Schone Letteren een special aan de Tunesische geschiedschrijving. Daarin besteden schrijvers, onder wie Taoufik Bachrouch, aandacht aan een langzame ontwikkeling in het geschiedkundig onderzoek en aan een nog steeds bestaande ongelijkheid in de mate waarin de diverse domeinen zijn onderzocht, met name wat betreft de hedendaagse geschiedenis. De verandering zette in 1998 door met de publicatie van bijna tweehonderd universitaire werken over de nationale geschiedenis. De geschiedenis werd hierdoor ook toegankelijk voor de overige sociale wetenschappen.
Vooral de sociale, politieke en economische aspecten van de vaderlandse geschiedenis bleven de kern van het werk, terwijl de culturele en godsdienstige aspecten ervan relatief gezien achterbleven. Het belangrijkste deel van het werk, waarop twee derde van het universitair geschiedkundig onderzoek tussen 1985 en 1998 berustte, betrof de nieuwe geschiedenis, die begon met de verovering van Tunesië in 1574, en de nieuwste geschiedenis beginnend met de ondertekening van het Verdrag van Bardo in 1881. Ook de middeleeuwen, die begonnen met de komst van de islam, werden intensief bestudeerd, hoewel de studie van de vroege geschiedenis een geheel eigen plaats inneemt en zich onderscheidt van de studie van latere perioden. Zij kent een veel beperkter aantal werken omdat jonge onderzoekers goede scholing ontberen, met name in de toegang tot bronnenmateriaal. Archeologie en klassieke talen werden relatief weinig onderwezen. Desalniettemin leidden de inspanningen ertoe dat er in 1997 een opleiding klassieke letteren werd opgezet.
Hoewel de geschiedenis van de oudheid zich, wat de inhoud betrof, vooral op het sociale vlak en het dagelijks leven richtte en pas meer recentelijk op het schrift en de archeologie, bestrijken studies van de middeleeuwse geschiedenis meer gevarieerde, vooral antropologische en politieke onderwerpen. Terwijl er nog weinig met de 16e en 17e eeuw werd gedaan, komen de 18e en 19e eeuw het meest uitgebreid aan bod dankzij de overvloed aan beschikbare documentatiebronnen, met name over sociale en economische thema’s. Naast studie naar de Tunesische nationale beweging werden ook andere politieke en onderwijskundige onderwerpen besproken. Die verscheidenheid aan onderwerpen wordt ook gezien in de ‘nouvelle histoire’, die gaat over minderheden, vrouwen, bedrijven, enzovoort. De regionale geschiedenis is, mede vanwege de overvloed aan voor onderzoek opengestelde archieven, een thematiek in opkomst die het volgens haar ingewijden mogelijk zal maken om op nationaal niveau verbindingen aan te gaan ter compensatie van de zwakke sociologische situatie van Tunesië.
Prehistorie
De prehistorie van Tunesië beslaat de periode van de eerste aanwezigheid van vroege mensen (geslacht Homo) tot de Fenicische kolonisatie.
Fenicische kolonisatie In de bronstijd was er voor het eerst contact tussen de Feniciërs van Tyrus, de toekomstige Carthagers, die de Punische beschaving stichtten, en de autochtone bevolking van het huidige Tunesië, waarvan de Berbers een wezenlijk onderdeel uit zijn gaan maken.
De overgang van prehistorie naar historie werd vooral gekenmerkt door de inbreng van Fenicische volken, hoewel de oude manier van leven nog enige tijd bleef bestaan naast die van de nieuwkomers. De Fenicische invloed was veelzijdig, vooral in Carthago als centrum van de Punische beschaving in het Westen, waar veel verschillende kleine, maar dynamische bevolkingsgroepen zoals de Berbers, Grieken, Italianen of Spaanse Iberiërs naast elkaar bestonden. De vele gemengde huwelijken droegen bij aan de opbouw van de Punische beschaving. Daarnaast ziet men trouwens sporen van een vredelievend Tunesisch volk terug in de Odyssee van Homerus, wanneer Odysseus de Lotofagen, de Lotuseters die nu op het eiland van Djerba zouden leven, ontmoet. De eerste in 1631 te Dougga door Thomas d'Arco in een Berberse taal gevonden inscriptie was, tot op de dag van vandaag, het onderwerp van talloze onvruchtbare pogingen tot ontcijferen.
Carthago Met de groei van een stad die voortkwam uit een kolonie uit het Nabije Oosten, maakte Tunesië een overweldigende entree in de geschiedenis. De in het begin Fenicische stad ontwikkelde zich snel tot een Punische beschaving.
De Punische expansiepolitiek in het Middellandse Zeebekken baseerde zich op de handel. De thalassocratie stond oog in oog met de Romeinen en hun allesoverheersende expansiedrift op het land. Hoewel hun relatie in het begin vriendelijk was, duurde het niet lang voor ze samen de strijd aangingen. Het was wel duidelijk wie zou winnen, maar de Puniërs zouden zich niet zonder hun sporen na te laten op het Tunesisch grondgebied terugtrekken. Sporen die door de Romeinse macht niet helemaal konden worden uitgewist.
Oprichting en expansie Zoals nogal wat andere mediterrane regio’s (van Marokko tot Cyprus) maakte Tunesië deel uit van een reeks Fenicische koloniën. Volgens overleveringen was de eerste Fenicische kolonie die van Utica (1101 v.C.). Daar ontstond een voor de oudheid belangrijke mogendheid in het Middellandse Zeebekken. In 814 v. C. stichtten uit Tyrus afkomstige Fenicische kolonisten de stad Carthago. Volgens de legende stond koningin Elyssa (Dido voor de Romeinen), zus van koning Pygmalion van Tyrus, aan de wieg van deze stad. Gevoed door archeologische ontdekkingen bestaat er echter twijfel over de juistheid van de door de traditionele literatuur opgegeven datum. De oudste gevonden voorwerpen tot nu toe zijn namelijk Proto-Korintische keramiek uit het midden van de 8e eeuw v. C., afkomstig uit de fundering van de kapel van Cintas, die in 1947 door Pierre Cintas in de tofet van Carthago werd gevonden.
De originele bevolking van het Tunesisch grondgebied was van Berberse afkomst, en werd omdat zij dicht bij de koloniën leefde door de Puniërs beïnvloed. Daarvan getuigen bijvoorbeeld de archeologische ontdekkingen van stèles met slordig ingegraveerde motieven van de Noord-Afrikaanse godin Tanit die vooral op plekken zoals het oude Clupea, het huidige Kélibia, gevonden zijn.
Omdat Carthago direct aan zee lag, richtte de stad zich ook structureel op groei richting het buitenland. Deze vreedzame groei veroorzaakte - voor zover men weet uit de bestaande bronnen - een machtsstrijd die tot meerdere conflicten leidde. Honderdvijftig jaar na de stichting van hun stad, breidden de Carthagers of Puniërs hun invloed in het westelijk deel van het Middellandse Zeebekken uit. Zij deden zich gelden in Sicilië, Sardinië, op de Balearen, in Spanje, op Corsica en in Noord-Afrika, van Marokko tot Libië. Noord-Afrika was verdeeld tussen de Grieken van Cyrene en de Carthagers met inbegrip van de Carthagers die aan de Atlantische kust van Marokko woonden. Hun aanwezigheid nam verschillende vormen aan, waaronder kolonisatie, maar bleef vooral gericht op de handel en het sluiten van handelsverdragen.
Ook steunden de Carthagers op de in deze regio Fenicische aanwezigheid, die er al was voordat Carthago werd gesticht, behalve misschien langs de Atlantische kust. De nieuwe Carthaagse macht elimineerde de toch al ondergaande macht van de oude Fenicische steden in dit deel van het Middellandse Zeegebied. De Carthagers sloten zelfs een verbond met de Etrusken en hun verenigde vloot kwam als winnaar uit de zeeslag van Alalia (ter hoogte van Corsica) tegen de Grieken van Massalia (het huidige Marseille). Deze Grieken waren afkomstig van Ionië, de huidige Turkse kust, en zij probeerden zich op Corsica te vestigen, een eiland gelegen tegenover Etrurië en ten noorden van het door de Puniërs beïnvloede en gekoloniseerde Sardinië. Laatstgenoemde eiland was ook het meest centrale punt tussen het Griekse Massalia en de andere Zuid-Italiaanse steden in Griekse handen en daarnaast, wat verder weg, het oostelijk deel van het Middellandse Zeegebied. Met de ondergang van de Etrusken kwam Corsica onder invloed van Carthago en vormde zich een nieuwe zeemacht. miniatuur|De Carthaagse invloedssfeer vlak voor het begin van de Eerste Punische Oorlog (264 v.Chr.) De overgang naar een meer op het vasteland gelegen rijk stuitte op weerstand van de Grieken op Sicilië en daarna op die van de groeiende macht in Rome en haar bondgenoten uit Massalia, en ook op die van het toenmalige Campanië en centraal-Italië. Het hart van Carthago dat Tunesië aan de vooravond van de Punische oorlogen was, beschikte over een grotere agrarische productiecapaciteit dan Rome en haar bondgenoten. De exploitatie ervan wekte bewondering bij de Romeinen. Dit werd verder versterkt door de geografische voordelen, met name de rijke graanvelden van de Medjerdavallei, en het landbouwkundig talent van het volk: de Punische landbouwencyclopedie van Mago genoot lange tijd waardering.
Ondertussen was de supermacht op het gebied van handel en landbouw op zee en het vasteland hard op weg de Grieken in Sicilië te verslaan. De Spaanse nederzettingen op Sardinië werden steeds sterker en Sardinië werd gekoloniseerd.
Carthago en Rome: van verdraagzaamheid naar de Punische oorlogen De verhouding tussen Rome en de Punische thalassocratie was in eerste instantie goed, zoals het eerste getekende verdrag in 509 v. C. liet zien. Echter, naarmate de twee stadstaten zich ontwikkelden, verslechterde de relatie en maakte plaats voor wantrouwen. Vanaf dan was confrontatie onvermijdelijk.
Met de bloei van beide steden nam de strijd tussen Rome en Carthago in omvang toe, te zien aan de drie Punische oorlogen, die bijna leidden tot de inname van Rome, maar na een drie jaar durend beleg, in 146 v.C., uitmondden in de vernietiging van Carthago.