Wenceslaus II (Tsjechisch: Václav, Pools: Wacław) (27 september 1271Chronicon Francisci, Scriptores Rerum Bohemicarum, II, p. 11. - Praag, 21 juni 1305) was vanaf 1278 koning van Bohemen en vanaf 1300 als Wenceslaus I koning van Polen. Hij was de voorlaatste heerser uit de dynastie van de Přemysliden.
Als kind verbleef hij van 1279 tot 1283 in gevangenschap bij zijn voogd en regent Otto V in Brandenburg. Na zijn terugkeer stond de jeugdige koning in Praag tot 1288 onder de invloed van de Witigoon Záviš van Falkenstein. Als regerende koning verwierf hij naast de Boheemse in 1300 de Poolse kroon en van 1301 tot 1303 voor zijn zoon Wenceslaus III de Hongaarse kroon.
In tegenstelling tot zijn vader Přemysl Ottokar II was Wenceslaus II geen veroveraar, maar vooral een diplomaat. Derhalve werd hij door het nageslacht tot in de 20e eeuw als een zwakke heerser beschouwd die zijn successen vooral aan geld had te danken en anders van zijn raadgevers afhankelijk was., Václav II. Král český a polský, pp. 9-11.
Als koning van Bohemen beschikte hij door de Boheemse zilvermijnen over voldoende middelen om zich staande te houden op het Europese politieke toneel en Bohemen van een langdurige vredestijd te verzekeren.
Geboorte Wenceslaus werd in 1271 als de lang verwachte troonopvolger van koning Přemysl Ottokar II op de Praagse burcht geboren. Zijn vader was sinds 1253 koning van Bohemen en had daarenboven vanaf 1251 de macht in de hertogdommen Oostenrijk, Stiermarken, Karinthië en Krain verworven. Zijn eerste huwelijk met Margaretha van Babenberg bleef kinderloos. Van de kinderen die zijn tweede vrouw, Cunigonde van Halitsch, dochter van heer Rostislav van Slavonië, ter wereld bracht, leefden in 1271 nog slechts twee dochters: Cunigonde en Agnes. Wenceslaus was bij zijn geboorte zijn enige legitieme zoon en daardoor erfgenaam van een gebied dat van het Riesengebirge tot aan de Adriatische Zee reikte.
Het rijk van Přemysl Ottokar II, die onder andere ook het hertogdom Oostenrijk in handen had, ging echter ten onder aan diens conflict met de rooms-koning Rudolf I van Habsburg. Reeds diens verkiezing in 1273 had de Boheemse koning afgewezen en hij verzette zich ook tegen de eis zijn gebieden als Rijkslenen te laten bevestigen. In 1275 sprak Rudolf daarom de Rijksban over hem uit. De vijandschap escaleerde in 1276 in een gewapend conflict: Rudolf belegerde Wenen, waarna Ottokar II in november 1276 gedwongen werd om een verdrag te ondertekenen waarin hij zijn claims op Oostenrijk en de naburige hertogdommen moest afstaan. Hij verloor dus op zijn erflanden na al zijn andere gebieden en moest aan Rudolf de hand van zijn twee kinderen beloven: Cunigonde werd als echtgenote aan Rudolfs zoon Hartmann beloofd, terwijl Wenceslaus met een dochter van de Habsburgers zou trouwen. De verhoudingen tussen beide heersers verslechterden nog meer en eindigde op 26 augustus 1278 met de Slag bij Dürnkrut en Jedenspeigen, waarin Ottokar II werd verslagen en sneuvelde.Aegidius Tschudi, Chronicon Helveticum IV (ed. , I, Bazel, 1734, p. 187). De zevenjarige Wenceslaus werd nu koning van Bohemen.
Gijzelaarschap miniatuur|Op de burcht Bezděz bracht Wenceslaus II in 1279 de eerste maanden van zijn gevangenschap door. Přemysl Ottokar II had als voogd voor zijn zoon voor de slag zijn neef markgraaf Otto V van Brandenburg voorzien, die in de nazomer van 1278 aan de oproep van de koningin-weduwe gehoor gaf en met een meer dan honderd man sterk leger Bohemen binnentrok. Het regentschap van Otto ontaardde al snel in een schrikbewind. De Brandenburgse troepen plunderden het land. De markgraaf had na korte tijd de adel, de kerk en de koningin-weduwe tegen zich in het harnas gejaagd. Cunigonde bad weliswaar reeds in oktober 1278 bij Rudolf van Habsburg om te bemiddelen, doch de behandelende commissie bevestigde Otto als voogd en heerser over Bohemen. Moravië behield Rudolf voor de duur van vijf jaar onder zijn gezag. Om zijn macht te beveiligen, liet Otto van Brandenburg zijn pupil in januari 1279 uit Cunigondes residentie in de stad naar de Praagse burcht brengen. Doch dit volstond niet: op 4 februari werd Wenceslaus samen met zijn moeder naar de burcht Bezděz overgebracht. Vanaf dan was de jonge koning gijzelaar van de regent.
De koningin werd klaarblijkelijk niet gevangen gehouden. Ze verliet de burcht na ongeveer twee à drie maanden in de richting van Opava (Troppau), waar haar weduwengoederen lagen. Wenceslaus bleef in Otto's macht. In de nazomer van 1279 bracht de markgraaf de koning naar het buitenland: de reis voerde hen via Zittau en Berlijn naar de burcht van de Ascaniërs Spandau, waar de gevangene eind december aankwam en tot in 1282 zou blijven. Het beeld van de Brandenburgse gevangenschap van Wenceslaus werd lange tijd door de contemporaine beschrijving van de Königssaaler kroniek gevormd, volgens dewelke hij hongerig en haveloos gekleed in ellendige omstandigheden zou zijn gevangen gehouden geweest – een hagiografische element, dat met een korrel moet worden genomen. In werkelijkheid bleven Wenceslaus II en Otto V ook later in nauw contact met elkaar staand, en het lijkt erop dat de jonge koning net in die periode zijn basisopleiding heeft gekregen. Hij sprak later vloeiend Duits en Latijn, bezat kennis van theologie, recht en geneeskunde en vervaardigde verzen. Hij leerde echter niet lezen en schrijven.
Daarentegen was het land Bohemen tijdens de Brandenburgse heerschappij wel in ellende gestort. In de jaren 1281–1282 vond in Bohemen, door de voortdurende gevechten en twee misoogsten, een van de ergste hongersnoden van de middeleeuwen plaats. Het land werd door huurlingen en roversbenden geteisterd en dreigde in chaos te verzinken. Vertegenwoordigers van de adel, de geestelijkheid en enkele steden knoopten onderhandelingen met Otto aan, om de koning weer naar zijn land te doen terugkeren en de bedreigende situatie af te wenden. Deze onderhandelingen wijzen op een fundamentele verandering van de staatsorde. De adel trad – bij afwezigheid van een centrale macht – voor het eerst gezamenlijk als vertegenwoordiging van het land op en nam verantwoording voor dit noodlot op. De eerste eenmakingspogingen in het voorjaar van 1282 mislukten omdat men het oneens was over de hoogte van het losgeld. Otto bracht zijn gijzelaar naar Praag, maar verlangde in plaats van de oorspronkelijk afgesproken 15.000 bijkomend 20.000 pond zilver. Wenceslaus werd opnieuw weggevoerd en bracht het volgende jaar in Dresden aan het hof van de markgraaf van Meißen door. Het was pas toen de onderhandelingsleider de markgraaf een deel van Noord-Bohemen als onderpand toezegde, dat Otto zijn gevangene vrijliet. Op 24 mei 1283 keerde Wenceslaus naar Praag terug.
Záviš van Falkenstein miniatuur|Het zegel van Záviš van Falkenstein. Praag vierde enthousiast de terugkeer van de koning in mei 1283, maar zelfstandig regeren kon de amper twaalfjarige jongen nog niet. De adellijke groep, die zich voor zijn vrijlating hadden ingezet, deelde de hoogste hofambten onder elkaar uit. Hofmeester en daarmee opvoeder en vertegenwoordiger van de koning werd hun aanvoerder Purkart van Janowitz. Deze stand van zaken heeft slechts enkele maanden geduurd. Nog in de loop van 1283 riep Wenceslaus zijn moeder Cunigonde naar Praag terug, en met haar kwam Záviš van Falkenstein aan het hof. Die carrière van de burggraaf uit het invloedrijke Zuid-Boheemse geslacht van de Witigonen had tot op dat tijdstip reeds enkele buitengewone wendingen meegemaakt: in 1276 had hij een opstand tegen Přemysl Ottokar II aangevoerd, maar in 1280 trad hij in Opole (Oppeln) in dienst van de koningin-weduwe en nam deel aan de weerstand tegen het Brandenburgse regentschap. Hij kwam in 1283 naar Praag als Cunigondes nieuwe echtgenoot en vader van haar jongste zoon Jan. Dit huwelijk tussen ongelijken, daarenboven heimelijk, zonder het medeweten van de families aangegaan, was een schandaal, doch daar het reeds was voltrokken, was het naar toenmalig recht geldig. De jonge koning accepteerde de verbintenis, en Cunigonde liet aan Záviš de opvoeding van Wenceslaus over. De Wittigoon was hierdoor feitelijk opgeklommen tot heerser van het land. Hij nam zelf geen ambt op, doch nog in de winter 1283/1284 stelde hij op alle belangrijke positie aan het hof zijn verwanten en partijgangers aan. De uit de macht ontzette groep edelen ging daarop tot de gewapende weerstand over, maar moest in mei 1284 een vierjarige wapenstilstand accepteren. De officiële huwelijkssluiting hielden Záviš en Cunigonde op een niet nader bepaald tijdstip tussen 1283 en 1285.
Ook al leek de macht van Záviš in Bohemen onaantastbaar, voor het hof van de rooms-Duitse koning bleef de parvenu inacceptabel. Dit blijkt duidelijk uit het verloop van Wenceslaus' eigen huwelijkssluiting met Judith van Habsburg. Beiden waren reeds in 1278/1279 met elkaar verloofd en mogelijkerwijs ook reeds getrouwd.Chronicon Colmariense (= Monumenta Germaniae Historica, Scriptores, XVII, p. 252), Chronica Pragensis (Chronicon Francisci) I 3 (= Scriptores Rerum Bohemicarum, II, p. 28). Het huwelijk kon echter pas in januari 1285 worden voltrokken tijdens een bijeenkomst van de families in Cheb (Duits: Eger), toen bruid en bruidegom 13 jaar oud waren en daarmee zo goed als meerderjarig waren. Wenceslaus legde bij deze gelegenheid ook bij zijn schoonvader de leeneed af voor zijn erflanden. Záviš was bij de ceremonie niet aanwezig, en toen Rudolf I Cheb verliet, nam hij zijn dochter weer met zich mee. Pas in de zomer van 1287 gaf de Habsburger toe aan de druk van Boheemse zijde en de koningin trok met haar gevolg naar het Praagse hof. Een jaar later nam Wenceslaus II de regeringszaken in eigen hand. Een van zijn eerste zelfstandige ambtsverrichtingen was een samenzwering tegen zijn stiefvader in 1288, die juist, drie jaar na Cunigondes dood, een nieuw huwelijk was aangegaan en wiens vrijwillige verzaking aan de macht in het land niet te verwachten viel. Wenceslaus liet Záviš onder een voorwendsel naar de burcht roepen en nam hem gevangen. Na een tweejarige kerkerstraf stierf Záviš van Falkenstein in 1290 voor het kasteel Hluboká door het zwaard. De diepgelovige koning zou zwaar onder deze beslissing hebben geleden. Het Cisterciënzerklooster Zbraslav stichtte hij volgens contemporaine bronnen als boetedoening voor zijn verraad.
Regering Zowel de vergelijking met zijn charismatische vader Přemysl Ottokar II, als ook de spectaculaire en mogelijk een schandaal veroorzakende gebeurtenissen tijdens zijn jeugd hebben het oordeel over de koning eeuwenlang bepaald. Hij gold als een zwakkere heerser, zijn persoonlijkheid werd als neurotisch tot zelfs ziekelijk omschreven, waardoor de interesse voor zijn regeringsperiode gering was. Zo oordeelde reeds zijn tijdgenoot Dante Alighieri als volgt over vader en zoon:
Politiek en economisch herleefde Midden-Europa in de jaren 1290–1305, in de periode van Wenceslaus II zelfstandige regering, evenwel een periode van rust en stabiliteit. In tegenstelling tot zijn voorgangers had de koning een regeringsstijl, die op vakkundige raadmannen en diplomatie in plaats van op oorlog en verovering stutte. Het bezit van zijn vader in de Alpen wist hij niet terug te krijgen. De Boheemse buitenlandse politieke was voornamelijk op het oosten gericht: op het markgraafschap Meißen, het Pleißenland en in het bijzonder op Polen. Als Keurvorst was hij ook een van de hoofdrolspelers in de politiek van het Heilige Roomse Rijk. De rooms-Duitse koningen Rudolf I, Adolf van Nassau en Albrecht I waren zijn leenheren. De rijkdom en macht van de Boheemse kroon maakte dat ze vaak als gelijken onderhandelingen voerden maar ook vaak tegenstanders van elkaar werden.
Bohemen miniatuur|Koning Wenceslaus II verstrekt de Kuttenbergse mijners zijn mijnorders. miniatuur|Praagse groot