Smaad is in het Nederlandse strafrecht een belediging waarbij iemands eer of goede naam wordt aangetast door een concrete beschuldiging, die gedaan wordt met het doel daaraan ruchtbaarheid te geven. Wanneer smaad gepleegd wordt door middel van een geschrift, afbeelding of geluidsdrager spreekt men van smaadschrift.
Smaad en smaadschrift behoren tot de uitingsdelicten en zijn in Nederland als misdrijven al sinds de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 daarin strafbaar gesteld. Sindsdien zijn de bepalingen over smaad en smaadschrift door de wetgever niet wezenlijk veranderd. Ze zijn alleen aangepast aan technologische en maatschappelijke ontwikkelingen.
Smaad verschilt van andere beledigingsvormen door het vereiste van een concrete beschuldiging en door het doel daaraan ruchtbaarheid te geven. De beschuldiging hoeft niet onwaar te zijn; ook een beschuldiging die betrekking heeft op een ware gedraging kan smaden. Iemand die te goeder trouw kon aannemen dat de beschuldiging op waarheid berustte en bovendien het algemeen belang diende is echter niet strafbaar. Hetzelfde geldt voor iemand die handelde tot noodzakelijke verdediging. Onder omstandigheden kan ook de vrijheid van meningsuiting een veroordeling wegens smaad in de weg staan.
Laster is in het Nederlandse strafrecht een gekwalificeerde vorm van smaad. Er is sprake van laster wanneer alle bestanddelen van smaad vervuld zijn en de pleger bovendien weet dat de beschuldiging niet waar is.
Geschiedenis thumb|Blad 83r uit de Dresdner Sachsenspiegel bevat een vroege passage waarin gesproken wordt over smatheit (smaad). Ca. 1350 na Chr. Het woord smaad is afgeleid van het Middelnederlandse woord smade, dat 'aantasting van iemands waardigheid' betekent. Het is verder verwant aan het Oudhoogduits smahen dat de betekenis heeft van 'vernederen, kleineren, geringschatten'.Etymologisch Woordenboek, lemma smaad; Van Dale, lemma smaad. In die betekenis van 'opzettelijk grieven' werd het woord ook gebruikt in juridische teksten. Omstreeks 1300 verwees de Sachsenspiegel bijvoorbeeld naar de 'smatheit mit worten oder mit tat'.Die Dresdner Bilderhandschrift des Sachsenspiegels, Mscr.Dresd.M.32, folio 83r.Vrije vertaling: smaad gepleegd door woorden of daden.
In de zeventiende eeuw maakte Hugo de Groot een dogmatisch onderscheid tussen de belediging door woorden, die hij 'lasteringh' noemde, en de belediging door daden (de 'hoon'). Met een incorrecte verwijzing naar de Sachsenspiegel stelde hij 'smaet' gelijk aan mondelinge belediging door 'lasteringh'. Naar aanleiding van de theorieën van rechtsgeleerden als Hugo De Groot, werden langzaamaan verschillende vormen van belediging van elkaar onderscheiden. In de Duitse, en in mindere mate de Nederlandse, rechtspraktijk begon men eenvoudige belediging middels scheldwoorden te onderscheiden van de grievende lasteringen. Het woord smaad werd in de rechtspraktijk echter nog gebruikt in de algemene betekenis van 'vernedering en grievende uiting', zoals in een Utrechtse verordening die het 'smedelijke rimen ende andere scrifte' verbood.Janssens 1998, p. 18-21.Vrije vertaling: smadelijke rijmen en andere geschriften.
In die betekenis hanteerde het Crimineel Wetboek voor het Koningrijk Holland van 1809 (het eerste Nederlandse strafwetboek) ook de term. Dat Wetboek kende een bepaling die, onder andere, 'smadelijke bedrijven' jegens een ander als hoon strafbaar stelde.Art. 164 CW: "Die, door slaan, dreigen of andere smadelijke bedrijven, aan of omtrent iemands persoon, woning of plaats waar hij zich bevindt, gepleegd, of ook door schimpende vertooningen, of door het maken en verspreiden van teekeningen of prenten, of op eenige andere dergelijke wijze, eenen anderen opzettelijk honen, tergen, bespotten, hatelijk of verachtelijk zoeken te maken, zullen naar de omstandigheden gestraft worden [...]" Het Crimineel Wetboek gold slechts twee jaar. In 1810 werd het Koninkrijk Holland ingelijfd in het Eerste Franse Keizerrijk, waarna het Wetboek in 1811 werd vervangen door de Code pénal. De Code bevatte een paragraaf met opschrift 'lastering, smaadwoorden of smaadredenen, geheimverbreking'. Daarin werd strafbaar gesteld het uiten en verspreiden van 'smaad- of scheldwoorden' (in het Frans injures) die geen tenlastelegging van een bepaald feit bevatten maar slechts een specifieke ondeugd inhielden.Art. 375 CP: "Wat betreft smaad- of scheldwoorden, en beleedigende uitdrukkingen, die geenerlei te lastelegging van eene bepaalde en omschreven daad maar van eene aangeduide ondeugd behelzen mogten, in gevalle zij op of in openbare plaatsen of bijeenkomsten zijn uitgesproken, of in gedrukte of ongedrukte geschriften, die verspreid en in omloop gebragt zijn geworden, geplaatst zijn, zal de straf in eene geldboete van zestien tot vijf honderd franken bestaan." Daarnaast werden alle andere 'smaadwoorden of beleedigende uitdrukkingen' (injures ou expressions outrageantes) als overtredingen strafbaar gesteld.Janssens 1998, p. 23-27.Art. 376 CP: "Alle andere smaadwoorden of beleedigende uitdrukkingen, waarbij deze dubbele hoedanigheid van zwaarte en openlijkheid geen plaats heeft, zullen slechts aan bloote policiestraffen plaats geven.'' In zowel het Crimineel Wetboek als de Code pénal was echter nog geen sprake van een specifiek delict smaad en werd het woord in de alledaagse betekenis van 'vernederen, kleineren en beledigen' gebruikt.
Ontwerp Wetboek van Strafrecht thumb|Johan de Wal (1816-1892) was voorzitter van de Staatscommissie die belast werd met de samenstelling van een nieuw strafwetboek. Op 28 september 1870 werd bij koninklijk besluit no. 21 een staatscommissie ingesteld voor de samenstelling van een nieuw Wetboek van Strafrecht.Smidt I, p. 1. Voor de bepalingen inzake belediging wilde de Commissie breken met het eerdere systeem van de Code pénal. Voorzitter De Wal stelde voor om het Italiaanse ontwerpstrafwetboek van 1870 als voorbeeld te nemen. Het Italiaanse ontwerp onderscheidde drie soorten strafbare belediging. Allereerst openbaar gemaakte en verspreide smaadschriften (libello famoso). Daarnaast eerroof (diffamazione) door mededeling van de belediging aan meerdere personen. Tot slot eenvoudige belediging (ingiuria) die niet aan de vereisten van smaadschrift en eerroof voldeed.Dorst Notulen I, p. 165. Het voorontwerp vertaalde diffamazione nog als eerroof.Dorst Bijlagen I, no. 42. De Pinto stelde voor om deze naam te veranderen, omdat het een misdrijf betrof dat veel lichter was dan laster, wat niet uit het woord eerroof bleek. Volgens De Pinto paste het woord 'smaad' hier veel beter, ook vanwege het nauwe verband tussen eerroof en smaadschrift. De Commissie deelde deze bezwaren en nam de benaming smaad over.Dorst Notulen II, p. 454; Janssens 1998, p. 34-35.
De Staatscommissie bracht op 13 mei 1875 verslag uit aan de Koning, waarna het ontwerp nog op enkele punten werd gewijzigd door de regering. Op 22 februari 1879, werd het Oorspronkelijk Regeeringsontwerp (O.R.O.) voor een Wetboek van Strafrecht naar de Tweede Kamer gestuurd.Kamerstukken II 1878/79, 110, nr. 1. Nu het Italiaanse ontwerpstrafwetboek als uitgangspunt was genomen week de regeling van strafbare belediging in het O.R.O. op belangrijke punten af van de Code pénal. Volgens de regering was deze wijziging noodzakelijk omdat het oude systeem in de rechtswetenschap en de rechtspraktijk geen navolging meer kende. Bovendien waren de beledigingsbepalingen uit de Code pénal, en dan met name de laster, nog steeds niet in het 'volksbewustzijn' doorgedrongen.Smidt II, p. 387. Een van de wijzigingen was het aantal zelfstandige beledigingsdelicten. De Code pénal onderscheidde drie verschillende beledigingsvormen, namelijk laster, hoon en scheldwoorden. Het nieuwe wetboek kende slechts twee hoofdvormen. In navolging van het Italiaanse ontwerp werd er onderscheid gemaakt tussen smaad/smaadschrift en eenvoudige belediging.Janssens 1998, p. 22; Smidt II, p. 388. De eenvoudige belediging was een restcategorie voor beledigingen die niet de kenmerken van smaad of smaadschrift bezaten.Smidt II, p. 388. Laster verdween als zelfstandig delict en werd een gekwalificeerde vorm van smaad.Janssens 1998, p. 36.Dit heet een gekwalificeerd delict. Dat is een strafbaar feit waarin, ten opzichte van het gronddelict, extra bestanddelen zijn toegevoegd, waardoor het gekwalificeerde delict met een zwaardere straf bedreigd wordt.
In zijn proefschrift over strafbare belediging stelt Janssens dat de ontwerpbepaling inzake smaad ook overeenkomsten vertoont met het in 1819 in Frankrijk ingevoerde delict diffamation.Janssens 1998, p. 37.De Franse tekst van art. 13(1) loi du 17 mai 1819 luidt: "toute allégation ou imputation d'un fait qui porte atteinte à l'honneur ou à la considération de la personne ou du corps auquel le fait est imputé est une diffamation." Onder andere de term 'eer of goede naam' zou zijn oorsprong vinden in deze Franse wet.Janssens schrijft deze bewering toe aan David Simons, die deze gebezigd zou hebben in zijn proefschrift De vrijheid van drukpers in verband met het Wetboek van Strafrecht ('s-Gravenhage: Belinfante 1883). Naast overeenkomsten zijn er echter ook duidelijke verschillen. De Franse wet uit 1819 maakte het mogelijk om ook een collectiviteit (bijvoorbeeld een rechtspersoon of een bestuursorgaan) te beledigen. De Nederlandse ontwerpbepaling daarentegen erkende slechts individuen als slachtoffer van belediging. De delicten smaad en smaadschrift werden in een afzonderlijke titel met opschrift beleediging geplaatst. De tekst in het O.R.O. luidde:
Behandeling O.R.O. in de Tweede Kamer De Commissie van Rapporteurs van de Tweede Kamer kon zich in de ontwerpbepaling van artikel 279 O.R.O. niet goed vinden.De Commissie van Rapporteurs moest namens de Tweede Kamer het wetsvoorstel van commentaar voorzien. Dit commentaar werd in de vorm van een verslag aan de regering geschreven; de regering reageert vervolgens met een antwoord op het verslag. Zij was het met de regering eens dat het oude stelsel van laster in de Code pénal niet effectief was, maar zij kon zich evenmin vinden in het nieuwe stelsel. Het grootste probleem met de oude lasterbepaling was dat die alleen betrekking had op mededelingen die in het openbaar gedaan werden, terwijl de meest strafwaardige laster vaak in het geheim werd gedaan en dus aan bestraffing ontsnapte.Kamerstukken II 1879/80, 47, nr. 25, p. 153. De Commissie vond de nieuwe smaadbepaling op dat punt onduidelijk geformuleerd en willekeurig omschreven, waardoor het doel voorbijgestreefd werd. Zij vond het onder meer inconsistent dat de mededeling van een beschuldiging aan één persoon onvoldoende is om smaad op te leveren, maar de mededeling aan twee personen met een tussenpoos van meerdere jaren wel. Immers, de mededeling aan twee personen kan voor de beledigde zonder gevolgen blijven, terwijl de bekendmaking aan één persoon grote gevolgen kan hebben voor de gesmade persoon. Ook vond de Commissie dat het ontwerp zijn doel voorbij streefde door strafvervolging mogelijk te maken wanneer de smaad in een beperkte kring zou blijven.