Het Ottomaanse of Osmaanse Rijk (Osmaans: دَوْلَتِ عَلِيّهٔ عُثمَانِیّه, Devlet-i 'Aliyye-i Osmaniyye, Turks: Osmanlı İmparatorluğu) was een islamitisch rijk dat bestond van 1299 tot 1922. Het was gesticht door de Oğuzturken onder Osman I, de stamvader van de Ottomaanse dynastie en naamgever van dit rijk.De naam van Osman is de Turkse vertaling van de Arabische naam Uthmān. In Europa werd er eerder gesproken van Othman, hetgeen verder evolueerde tot de benaming Ottomanen en het Ottomaanse Rijk. Het kan beschouwd worden als de opvolger van het Seltsjoekse sultanaat Rûm. Het Ottomaanse Rijk was een wereldrijk dat bij de grootste uitbreiding een enorm gebied in Noord-Afrika, Azië en Europa besloeg.

Pre-Ottomaanse periode De komst van Turkse stammen uit Centraal-Azië naar het Midden-Oosten voltrok zich in twee grote migratiegolven. Tijdens de eerste golf aan het einde van de tiende eeuw stak een groot deel van de Turkse Oghuznomaden de rivier de Oxus over en trok verder tot Khorasan (in het huidige Iran) en Azerbeidzjan. Onderweg naar het westen bekeerde een groot deel van deze Oghuzstammen zich tot de islam. Vanuit Khorasan bouwden deze Turkse nomaden in de elfde eeuw het grote Seltsjoekenrijk op. De Seltsjoeken brachten nieuwe politieke stabiliteit in de verdeelde middeleeuwse moslimwereld en beheersten een uitgestrekt gebied van de Hindoekoesj tot in Anatolië. De Seltsjoeken raakten in conflict met het Byzantijnse Rijk. Met de Slag bij Manzikert begon in 1071 een reeks Byzantijns-Seltsjoekse oorlogen. Na de verovering en plundering van de hoofdstad Constantinopel door de Vierde Kruistocht was het Byzantijnse Rijk in de 13e eeuw niet langer in staat heel Anatolië te verdedigen. Dit opende de weg voor de Turkse volkeren om zich in Anatolië te vestigen. Het rijk van de Seltsjoeken viel in de twaalfde eeuw uiteen in vele kleinere staten.

Opkomst (1302–1453) thumb|Turkse vorstendommen in Anatolië rond het ontstaan van de Ottomaanse dynastie (1300)

Met de neergang van het sultanaat van Rûm (rond 1300) ontstond in Anatolië een groot aantal kleine onafhankelijke staten, de zogenaamde Ghazi-emiraten of beiliks. Het Byzantijnse Rijk was inmiddels ernstig verzwakt en had het grootste gedeelte van Anatolië verloren aan tien verschillende Ghaziprinsdommen. Een prinsdom in het noordwesten van Anatolië werd vanaf circa 1280 geleid door Osman I, zoon van Ertuğrul. Osman Beg was met zijn onmiddellijke voorouders naar Anatolië gekomen tijdens de tweede grote Turkse migratiegolf in de vroege dertiende eeuw, onder druk van de veroveringstochten van de Mongolen onder leiding van Dzjengis Khan. Oorspronkelijk behoorden de Osmanen ook tot de Oğuzen. Osman Beg verplaatste zijn hoofdstad van Söğüt naar Bursa.

Osman Gazi (1299-1325) thumb|Osman Gazi thumb|left|Het rijk aan het eind van de periode van Osman Gazi

De migratie van de Turkse nomaden naar westelijk Anatolië, op de vlucht voor de Mongoolse invallen, was een belangrijke factor in de Ottomaanse staatsvorming. Volgens de Ottomaanse kronieken verzamelde zich in het grensgebied van Söğüt een groep van Turkse nomadische krijgers, de alps, onder leiding van Osman Gazi. Zij namen deel aan de veroveringen, en in ruil daarvoor ontvingen ze een apanage (yurtluk). De alps waren ervaren krijgers en aanvoerders die de migrerende Turkmeense nomadische krijgers (garibs = 'have-nots') in de grensregio wisten te mobiliseren voor gaza-expedities. De Gaza-ideologie betekende voor de vroeg-Osmanen 'uitbreiding van de islam en bescherming van zijn poorten'. Osman Gazi groeide uit tot de primus inter pares. Met de overwinning op een Byzantijns leger in 1302 in de Slag bij Bapheus slaagde hij erin om een onafhankelijke politieke eenheid te creëren. Hiermee kreeg Osman een grote reputatie als Gazikrijger en groeide hij uit tot een charismatische leider die steeds meer volgelingen aantrok. Osman Gazi bracht meerdere gemeenschappen van Turkmeense nomadische krijgers en van ex-Byzantijnse gouverneurs, zoals onder anderen Köse Mihal ('baardloze Michael'), onder zijn vaandel samen.

Naast veroveringen ging Osman allianties aan met de naburige Byzantijnse gouverneurs om zijn invloedssfeer uit te breiden. Hij verenigde de afzonderlijke rijkjes en bouwde nieuwe netwerken op via handelsbetrekkingen en strategische huwelijken. Osman trouwde met de dochter van Sheik Edebali, een van de meest invloedrijke religieuze leiders in Bithynië, die Osmans spirituele gids en adviseur werd.

Al in de jaren 1320 bereikte Osmans politieke onderneming een complexe militaire en bestuurlijke structuur. Er werden munten geslagen, ambten toegekend aan trouwe bevelhebbers, en (religieuze) waqfinstellingen ontvingen financiële steun. Osman maakte gebruik van voormalige Seltsjoekse schrijvers die in het Perzisch schreven en in 1350 een Perzisch en Arabisch ambtelijk vocabulaire vertaalden naar het Turks. De vroeg-Ottomaanse staat had dan ook veel kenmerken die overeenkwamen met de Perzisch-islamitische en Centraal-Aziatische bestuursopvattingen.

Orhan Gazi (1324-1362) thumb|Portret van Orhan I, negentiende eeuw, schilderij door Konstantin Kapıdağlı thumb|left|Gebiedsontwikkeling van Ottomaanse Rijk Osmans zoon Orhan I (1324-1362) volgde hem zonder strijd of twist op. De Osmanen verdeelden dus niet het rijk onder de verschillende erfgenamen, zoals de andere prinsdommen dat wel deden volgens Turks-Mongools gebruik. Een apanage werd gezien als een prinselijk leengoed. Wanneer een van de kroonprinsen de hoofdstad bereikte om zijn vader op te volgen, werden de anderen onterfd of geëlimineerd. Hoewel in de volgende generaties veel strijd tussen de kroonprinsen heeft plaatsgevonden, hebben de Osmanen staatsmacht nooit gedeeld met andere erfgenamen. Zo'n deling zou mogelijk de politieke eenheid hebben bedreigd, en dat werd als onwenselijk beschouwd. De Ottomaanse praktijk van opvolging culmineerde uiteindelijk in de wetgeving op broedermoord door sultan Mehmet II (1451-1481). Deze was bedoeld om elke mogelijkheid tot fragmentatie te voorkomen en om de centrale staatsmacht te consolideren. In de praktijk was het gebruikelijk dat iedere troonopvolger al zijn broers en meestal ook zijn neven liet vermoorden.

De Ottomaanse staatsvorming verliep trager dan de opkomende Anatolische Turkse staten om hen heen en de snelle opkomst van het Seltsjoekenrijk. Aan het begin van de veertiende eeuw waren andere Anatolische Turkse staten zoals die van Menteşe, Germiyan of Karaman machtiger dan de Osmanen. Hun gedecentraliseerde bestuur en leiderschap gaf echter veel problemen. Ze slaagden er niet in om de ambities van hun eigen commandanten in toom te houden. Dezen creëerden onafhankelijke politieke entiteiten voor zichzelf. Een aantal commandanten van het Huis van Germiyan veroverde de Egeïsche kust en riepen hier de onafhankelijkheid uit, in plaats van trouw te blijven aan de Germiyaniden. Op deze manier kwamen de staten van Karasi, Saruhan, Menteşe en Aydın tot stand. De Osmanen trokken lessen uit deze versnippering in de naburige beiliks. Zij voorkwamen uitbreiding van gedecentraliseerde eenheden door strikt toezicht op hun legeraanvoerders uit te oefenen. Eerder dan de andere beiliks, waren ze in staat om de onafhankelijke gazikrijgers om te vormen tot een staand leger.

Orhan Gazi nam drie grote Byzantijnse steden in: Bursa (1326), Iznik (1331) en Izmit (1337). In 1336 liet Orhan Gazi zilveren munten slaan en verklaarde zich onafhankelijk. In de jaren 1340 wist Orhan Gazi de controle over de lange kustlijn en de kleine vloot van het rivaliserende Turkse prinsdom van Karasi te verwerven. Hij bereikte zo het strategisch belangrijke schiereiland aan de overkant van de Bosporus in Gallipoli wat de oversteek naar de Balkan (Rumeli) vergemakkelijkte. Orhan Gazi vormde met de Byzantijnse troonpretendent Kantekouzenos een alliantie en huwde met zijn dochter prinses Theodora. Hij hielp Kantekouzenos op de Byzantijnse troon en verleende hem later ook militaire steun tegen de invasie van de Servische koning Stefan Uroš IV Dušan. In 1352 versloeg Orhans zoon Süleyman Paşa als bondgenoot van de Byzantijnen het Servische leger in Thracië. Hetzelfde jaar vormde Orhan Gazi ook een alliantie met Genua, dat verwikkeld was in een oorlog met Venetië over de controle over de handelsroute in de Zwarte Zee. Vanaf 1354 verwierven de Osmanen een permanente vestigingsplaats in de Balkan en in 1361 werd daar Edirne veroverd, dat de nieuwe hoofdstad werd. De vestiging van de Ottomaanse bases in Zuidoost-Europa was een van de militaire verworvenheden van Orhans bestuur.

Sultan Murat I (1362-1389) Hüdavendigar thumb|Portret van sultan Murat I door Kapidagli Kostantin

In deze periode breidden de Ottomaanse territoria zich uit over het oostelijke gebied van de Middellandse Zee en de Balkan. De belangrijke stad Thessaloniki werd in 1387 veroverd op de Republiek Venetië en de overwinning in de slag op het Merelveld in 1389 maakte een eind aan de Servische macht in de regio. Daarmee was de weg vrij voor verdere expansie in Europa. Bij de slag op het Merelveld kwam sultan Murat I om het leven. Gedurende het bestuur van Murat I (1362-1389) werden de fundamenten van de centrale staat gelegd. Murat I bouwde een gecentraliseerde en geïnstitutionaliseerde staat vergelijkbaar met sommige staten in West-Europa in de vijftiende eeuw. Het Ottomaanse islamitische keizerlijke Rijk, met een sultan en bureaucratie, een staand leger, provinciale cavalerie en met gazikrijgers aan de grenzen begon zich te vormen. De Osmanen begonnen ook de politieke macht in het centrum te bundelen en creëerden hiervoor het eerste staande leger in het moderne Europa. De bekendste subeenheid van het Kapıkululeger waren de befaamde Yeniçeriler (janitsaren) of de 'nieuwe soldaten'. Het betrof gedwongen rekrutering van jongens uit – vrijwel altijd – christelijke gezinnen uit met name de Balkan onder het regime van wat aangeduid wordt als devşirme. Elke provincie moest een bepaald quotum jongens van 12 tot 16 jaar oud leveren. De jongens werden afgesneden van hun ouders, regionale, culturele en religieuze achtergrond. De bedoeling was dat zij geen andere loyaliteit zouden kennen dan die aan de Ottomaanse staat en de sultan.

Naarmate het Ottomaanse Rijk zich verder ontwikkelde, veranderde ook het concept van de staat. De bestuurlijke en rechterlijke taken werden uitgevoerd door de oelema (religieuze geleerden) die vanuit de centra van de moslimwereld kwamen. Murat rekruteerde zijn bestuurders uit de voormalige Seltsjoekse centra in Anatolië, Iran en Egypte. De eerste viziers waren bureaucraten van de oelema die de klassieke concepten van staatsbestuur, afkomstig uit het Nabije Oosten, vestigden in dit nieuwe en snel groeiende rijk van de Osmanen.

In 1385 kwamen de Ottomanen voor het eerst Albanië binnen op uitnodiging van de Albanese prins Karl Thopia. De reden van deze uitnodiging was om een alliantie te vormen tussen de Ottomanen en de Albanezen om de Balsha-dynastie, heersers van Zeta, te verslaan bij de Slag bij Savra. De Ottomanen hadden enige invloed in sommige Albanese gebieden na deze gewonnen veldslag, maar hadden geen directe heerschappij over Albanië. Hoewel de Ottomanen de heerschappij over alle Albanese wel bleven claimen, werd het grootste gedeelte van Albanië nog altijd geregeerd door middeleeuwse Albanese adellijke families.

Sultan Yıldırım (Bliksemslag) Bayezid I (1389-1402) thumb|left|Sultan Yıldırım Bayezid I. thumb|Slag bij Nicopolis, 1396. Bayezid I bij het kasteel van Nicopolis, belegerd door de kruisvaarders.

In 1389 volgde Bayezid I zijn vader op. In Anatolië onderwierp Bayezid de Turkse vorstendommen en bracht ze onder direct bestuur van de gecentraliseerde staat via zijn bureaucraten van de kapıkulu (dienstplichtige dienaren van de dynastie). Maar de gebeurtenissen in Europa dwongen Bayezid om naar het westen terug te keren.