De eerste expeditie naar Bali in 1846 was een strafexpeditie van het Nederlands-Indische leger naar een deel van de vorstendommen op Bali. De actie richtte zich op Singaraja en de daarnaast gelegen havenplaats Buleleng in het vorstendom Buleleng aan de noordkust van het eiland.

Voorgeschiedenis Bali zelfstandig Bali is een van de Soenda-eilanden ten oosten van Java. Het eiland werd voor het eerst door Nederlanders bezocht gedurende de Eerste Schipvaart in 1597. Het bestond uit negen zelfstandige hindoeïstische koninkrijken die handel dreven met de VOC maar ook met anderen. Het belangrijkste vorstendom was Klungkung, met aan het hoofd de Dewa Agung (vorst, letterlijk: Grote God) die door de andere vorsten vooral gezien werd als spiritueel leider en niet zozeer als politiek leider. Hij werd aangeduid als de susuhunan van Bali en Lombok. Hier was ook de belangrijkste rechtbank gevestigd. Belangrijk voor de onderlinge relaties tussen vorstendommen waren afkomst, huwelijken en persoonlijke vriendschappen bekrachtigd en onderhouden door hindoe-rituelen en door giften en ruil van goederen.

De vorstendommen voerden deels gezamenlijk, deels ieder voor zich, een eigen buitenlands beleid wat voortduurde tot in de eerste decennia van de 19e eeuw.Wiener, 1995, blz.151

In 1826 vestigde zich een Nederlands agentschap in Kuta, Zuid-Bali met onder andere als doel het werven van Balinese huursoldaten voor het Nederlands-Indisch leger. Nederland concentreerde zich vóór die tijd voornamelijk op Java, de Molukken en op een deel van Sumatra; men hield de handen af van Bali en Lombok. Bij verdrag van 1824 was de archipel verdeeld in een Nederlandse en een Engelse invloedssfeer maar Bali en Lombok vielen hierbuiten. Er bestond echter een toenemende handel vanuit Singapore met deze eilanden, het gerucht ging dat de Engelsen controle wilden krijgen over de lucratieve rijsthandel. Nederland vreesde dat ze in het verlengde hiervan ook hun politieke invloed wilden uitbreiden en besloot de contacten met Bali en Lombok te intensiveren.Schulte Nordholt, 2010, blz. 160Agung schrijft:"...dat door middel van deze handelsrelaties de Engelsen vanuit Singapore politieke contacten met de Balinese vorsten konden aanleggen waardoor zij in een gebied zo dicht bij Java politieke invloed konden verkrijgen welke de positie van de Nederlands-Indische regering zou ondermijnen." Agung, (1990), blz. 31 Angst voor toenemende Engelse invloed lijkt voor de Nederlandse regering (inclusief koning Willem I der Nederlanden, die zich er persoonlijk mee bemoeide) leidend te zijn geweest bij haar besluitvorming in dezen.Agung, 1990, blz. 33 - 35 Tot die tijd vielen deze eilanden niet onder het officiële Nederlands-Indische bestuur, er waren geen verdragen met Balinese vorsten.

Onderhandelingen Geen verdragen De Nederlandse gezant H.J. Huskus KoopmanIndische Letteren. Jaargang 2(1987)– [tijdschrift] Indische Letteren, Henk Schulte Nordholt, "Dekker, Havelaar en Bali". Gearchiveerd op 30 november 2022. legde tussen 1840 en 1843 een vijftal bezoeken af aan de Balinese koningen. Hij moest nagaan of met hen verdragen konden worden gesloten waarin werd vastgelegd dat ze geen verbintenissen zouden aangaan met andere Europese staten (vooral Engeland). Ook zouden ze een clausule tegen het plunderen door de Balinezen van gestrande schepen moeten accepteren. Als verdragen niet mogelijk waren moest hij nagaan waarom niet. Ook moest hij de Britse activiteiten in de regio Bali-Lombok inventariseren.Wiener, 1995, blz. 158

Hij werd dus gestuurd om de politieke invloed te bewerkstelligen, die nog steeds niet concreet was. Daarbij bleef de angst voor politieke invloed van Engeland leidend. De Nederlandse doelstellingen werden in de loop van zijn vijf bezoeken exacter, Huskus Koopman moest feitelijk alle Balinese vorsten een contract laten tekenen waarin ze het gezag van Nederland aanvaardden, aldus hun onafhankelijkheid prijsgevend.Hanna, 2004, blz. 67 Het was voor Nederland lastig opereren in het complexe politieke systeem van Bali. Huskus Koopman ervoer: "alles is schimmig, niets is rechttoe-rechtaan".Schulte Nordholt, 2010, hoofdstuk 1 en blz. 160 Met name de eerste reis (april - december 1840) van Huskus Koopman naar Bali is door hem gedocumenteerd. Zijn werkwijze heeft hij gedetailleerd beschreven, met name zijn ontmoetingen met de vorsten van Badung en Klungkung en hun gedeputeerden.Wiener, 1995, blz. 159 e.v. Hieruit blijkt dat Huskus Koopman op diverse fronten slecht was voorbereid. Hij kon Bali en de daar heersende verhoudingen niet peilen, was onbekend met de cultuur en gewoontes en hij beschreef daarbij ook zijn blunders zonder dat hij dit besefte. De taal sprak hij niet, steeds waren tolken nodig. Bij de drie "gesprekken" die hij had met de Dewa Agung van Klungkung deed laatstgenoemde er vaak het zwijgen toe. Diverse malen uitte Huskus Koopman zich ondiplomatiek en manoeuvreerde hij onhandig.Wiener, 1995, blz. 167

Hij had een brief meegenomen van de gouverneur-generaal in Batavia, bestemd voor de Dewa Agung betreffende het doel van zijn missie, maar moest geruime tijd op antwoord wachten. De vorst van Klungkung raadpleegde vóór hij antwoordde eerst de andere vorsten van Bali, ook meldde hij regelmatig aan Huskus Koopman dat hij hem wegens "ziekte" niet opnieuw kon ontvangen. In de antwoordbrief die hij uiteindelijk meekreeg schreef de Dewa Agung dat hij niets met de Nederlanders te maken wilde hebben en Huskus Koopman diende uiterlijk de volgende dag te vertrekken.Wiener, 1995, blz. 170

Alsnog verdragen Het kwam er dus op neer dat de Balinese koningen geen interesse hadden in contracten met de Nederlands-Indische overheid. Ze waren voldoende bekend met het koloniale bestuur over Java om geen bemoeienis met hun zaken te willen. Rond 1841 leek de kans op verdragen klein, toch keerde de gezant na nieuwe bezoeken wel met positieve resultaten terug naar Batavia.Schulte Nordholt, 2010, blz. 161

Huskus Koopman was opnieuw naar Bali gegaan voor een crematie. Daarbij had hij een ontmoeting met Gusti Kesiman, de vorst van Badung. Dit contact verliep prettig en in juni 1841 sloot hij een conceptverdrag met dit vorstendom. De Gusti adviseerde hem om geduld te hebben met Klungkung, dat hof was nog anti-Nederland. In december 1841 lukte het echter om ook contracten te sluiten met Buleleng, Karangasem en zelfs Klungkung.Hanna, blz. 69 - 70 Waarom de Dewa Agung van mening veranderde is niet bekend; Huskus Koopman maakte geen aantekeningen van deze nieuwe besprekingen.Agung, (blz. 47 - 61) maakt in zijn beschrijving van deze processen minder duidelijk onderscheid tussen de verschillende reizen van HK; wat gebeurde er tijdens welke reis. Hij gaat uitgebreider in op het kliprechtprobleem. Hij maakt geen melding van de door Wiener beschreven onhandige optredens. Hij is zelfs positief over de door HK bereikte resultaten, behalve dat daarbij misleiding is toegepast. Binnen enkele jaren zou de houding van Klungkung echter weer veranderen in het tegendeel.

Toen Huskus Koopman met de overeenkomsten, gesloten met een deel van de Balinese vorsten, in Batavia terugkeerde bleken er nuanceverschillen te bestaan tussen hem en het gouvernement over de verdere aanpak.Wiener, blz. 171 De Balinezen wilden bijvoorbeeld geen afstand doen van het traditionele kliprecht dat hen toestond de op hun kust gestrande schepen te plunderen. Een dergelijk schip gold voor hen als een geschenk van Batara Baruna, de god van de zee.Hanna, 2004, blz. 61 In 1841 liep het Nederlandse fregat 'Overijssel' op een rif bij Kuta aan de zuidkust van Bali en werd door de Balinezen in beslag genomen. Het was niet de eerste keer dat op deze wijze een Nederlands schip met zijn lading verloren ging. Dit keer waren er Nederlandse passagiers aan boord, die verder niets overkwamen maar het gouvernement zette de zaak op scherp en wilde het kliprecht middels de verdragen verbieden. Huskus Koopman achtte het niet verstandig dit bij zijn besprekingen met de vorsten aan de orde te stellen en daarbij de kans op contracten te verspelen. Het betrof een eeuwenoud recht van de kustbewoners, de vorsten hadden nauwelijks de bevoegdheid iets ertegen te doen.Agung, blz. 48 - 56 Ook hoopte hij dat deze kwestie vanzelf goed zou komen als Nederland eenmaal de soevereiniteit zou hebben.Hanna, blz. 70/71 Gouverneur-generaal Pieter Merkus zond hem echter terug naar Bali teneinde over een aanvullende clausule betreffende het kliprecht te onderhandelen, hetgeen gelukte.Agung, blz. 57-58

Problemen met de verdragen Vier Balinese vorsten erkenden dus vrij onverwacht de Nederlandse soevereiniteit over hun gebieden, een vijfde werd, althans door Nederland, geacht onder de Dewa Agung van Klungklung te vallen. Aanvankelijk was niet duidelijk hoe de gezant in zijn missie was geslaagd, gaandeweg bleek dat er met de contracten iets niet klopte. Er zijn aanwijzingen dat de Balinese vorsten door de Nederlandse gezant zijn misleid en dat door hem was geknoeid met de tekst van de verdragen voordat hij deze indiende bij het Nederlands-Indisch gouvernement.Schulte Nordholt, blz. 162 Huskus Koopman voelde zich mogelijk onder druk staan om met goede resultaten terug te komen. Dit kwam aan het licht toen de assistent-resident van Oost-Java, J. Ravia de Ligny in 1844 naar Bali ging voor uitwisseling van de geratificeerde verdragen, voor de Balinezen overigens een volstrekt ongebruikelijke procedure. Aanleiding hiervoor waren nieuwe plunderingen van gestrande schepen op de noordkust.Agung, blz. 65 Daarom ging hij naar Buleleng om hiertegen te protesteren en ook de verdragen definitief te sluiten met de radjas (vorsten) van Buleleng en Karangasem (dit waren broers van elkaar).Hanna, blz. 73-74 Toen bleken tussen partijen meningsverschillen te bestaan over de betekenis en inhoud van de verdragen en zelfs of ze eigenlijk wel waren gesloten. Van Balinese zijde werd dit laatste in elk geval ontkend, ze toonden verbazing over de inhoud en pretendeerden de verdragen niet te begrijpen.Wiener, blz. 172 De beschuldiging door de assistent-resident aan het adres van Huskus Koopman (die in 1844 overleed) betreffende geknoei met de verdragen werd in Batavia echter niet onderzocht.In een voetnoot haalt Schulte Nordholt twee 19e-eeuwse bronnen aan, o.a. van de liberale Indië-deskundige Wolter Robert van Hoëvell die misstanden in de koloniën, waaronder ook de slavernij in Suriname, aan de kaak stelde.

Waarschijnlijk was de verbazing van de Balinese vorsten oprecht, de verdragen waren in het Nederlands en Maleis opgesteld, niet in het Balinees.Schulte Nordholt, blz. 162 - 163 De Balinezen dachten dat de overdracht van hun bezittingen en soevereiniteit aan Nederland slechts een holle frase was, zoals Balinezen dat onderling ook uiten tegenover goede vrienden. Daarbij hadden ze Nederland slechts uitgenodigd van hun bezittingen gebruik te maken, zoals vrienden dat onderling doen ("wat van mij is, is van jou", zie ook culturele verschillen nr. 1 hieronder). Huskus Koopman was daarvan op de hoogte en heeft de vorsten dan ook misleid.Agung, blz. 51 - 52 Ze voelden zich bedrogen omdat ze aannamen dat Nederland geen feitelijk gebruik zou gaan maken van hun verworven "rechten", dat was nooit de intentie van de Balinezen geweest.Hanna, blz. 71-72 De vertaling van het woord 'soevereiniteit' naar het Balinees bleek daarbij ook nog eens problematisch, aangezien het in het Balinees niet bestaat.

Culturele verschillen en escalatie Volgens Wiener en Schulte Nordholt kunnen cultuurverschillen ook hebben geleid tot verschil in opvattingen over de verdragen: Wat Nederlanders en Balinezen verstonden onder overdracht van soevereiniteit of grondgebied verschilde. Bij Balinezen kon bijvoorbeeld een stuk land zowel in gebruik respectievelijk bezit zijn van een boer, de koning en de goden. Wat Nederlanders verstaan onder overdracht (een eenmalige actie), is bij Balinezen het aangaan van een langdurige (vriendschappelijke) relatie.