thumb|Murusraptor barrosaensis Murusraptor barrosaensis is een vleesetende theropode dinosauriër, behorend tot de Tetanurae, die tijdens het late Krijt leefde in het gebied van het huidige Argentinië.
Vondst en naamgeving In 2001 werd dertig kilometer ten noordoosten van Plaza Huincul door Sergio Saldivia, preparateur van het Museo Carmen Funes, in een rotswand het skelet gevonden van een theropode. Dat jaar en in 2002 werd het skelet geborgen. left|thumb|Vindplaats en stratificatie In 2016 werd de typesoort Murusraptor barrosaensis benoemd en beschreven door Rodolfo Anibal Coria en Philip John Currie. De geslachtsnaam is een combinatie van het Latijn murus, "muur", een verwijzing naar de rotswand, en raptor, "rover". Er is op gewezen dat een correctere combinatie de vorm "Muriraptor" zou hebben opgeleverd. De soortaanduiding verwijst naar de herkomst uit de Sierra Barrosa.
Het holotype, MCF-PVPH-411, is gevonden in een laag van de Sierra Barrossa-formatie die dateert uit het Coniacien. Het bestaat uit een gedeeltelijk skelet met schedel van een jongvolwassen dier. Bewaard zijn gebleven: de rechterachterzijde van de schedel met traanbeen, prefrontale, postorbitale, quadratum, pterygoïde, epipterygoïde en ectopterygoïde; het linkerpterygoïde; de hersenpan met achterhoofd en voorhoofdbeenderen en wandbeenderen; de achterzijde van de rechteronderkaak; eenendertig losse tanden, twaalf wervels van de rug, het heiligbeen en de voorste staart; elf ribben, een chevron, buikribben, een handklauw, beide darmbeenderen, de bovenkanten van beide schaambeenderen, de onderkanten van beide zitbeenderen, het rechterscheenbeen en een hielbeen.
In 2017 werd de hersenpan apart beschreven. In 2019 werd de osteologie opnieuw beschreven.
Tafonomie MCF-PVPH-411 werd aangetroffen in een stroomkanaalafzetting die met zand opgevuld was (Engels : "channel lag deposit"). Zo'n afzetting is samengesteld uit sediment dat door de actie van wind en water gesorteerd is; eolische processen, fluviatiele processen en getijdeprocessenGetijden veroorzaken dikwijls sterke stromingen. Aangedreven door de wind zijn golven verantwoordelijk voor erosie en sedimentatie. kunnen de fijnere, lichtere componenten van een sedimentaire afzetting verwijderen (erosie), zodat het meer resistente, zwaardere en hardere materiaal overblijft.
De tafonomische kenmerken van de vindplaats leren ons dat het grootste deel van het skelet was uiteengevallen, alhoewel de beenderen dicht bij elkaar in anatomisch verband lagen. Zowel grote als kleine beenderen bleven bewaard. De meeste ribben bevonden zich in een natuurlijke reeks parallel aan elkaar, wat erop wijst dat het skelet gedeeltelijk in anatomisch verband lag toen het door sediment ingebed werd. Kleinodules waren vermengd met de beenderen. Een nodule is een kleine, onregelmatig afgeronde “knol” waarvan de samenstelling typisch contrasteert met de samenstelling van het insluitende sediment of van het sedimentair gesteente. De oriëntatie van de ribben en van de schaambeenderen, en de verspreiding van de beenderen wijzen erop dat het dier op zijn rechterzijde lag. De beenderen lagen opgestapeld in vier lagen. Het rechterdarmbeen stond vertikaal en ondersteboven in de afzetting. Het linkerdarmbeen was volledig en was het enige bot dat, voordat de afzetting plaatsvond, gebroken was. Het preacetabulaire blad was afgebroken langs de top van een grote ruggenwervel en was iets afgescheiden van de rest van het darmbeen. De andere beenderen zijn onvolledig ten gevolge van erosie. Verschillende beenderen vertonen boorgangen van dermistide Coleoptera (familie Dermistidae)Rogers RR. Non-marine borings in dinosaur bones from the Upper Cretaceous Two Medicine Formation, northwestern Montana. Journal of Vertebrate Paleontology. 1992;12(4):528–53. doi: 10.1080/02724634.1992.10011479.Hasiotis ST, Fiorillo AR. Dermestid beetle boring in sauropod and theropod dinosaur bones, Dinosaur National Monument, Utah—keys to the taphonomy of a bone bed. Combined Rocky Mountain/South central Geological Society of America Meeting. Abstracts with Program, El Paso, Texas, 1997;29(2):13A. die karakteristieke sporen van benige fragmenten achterlieten in het sediment. Delen van het skelet vertonen pathologische schade.
Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken Het holotype van Murusraptor heeft een geschatte lengte van zes à zeven meter. Het was echter misschien nog niet volgroeid.
De beschrijvers wisten in 2016 enkele onderscheidende kenmerken vast te stellen. De voorste tak van het traanbeen is langer dan de neergaande tak hoog is. In de onderkaak heeft het surangulare een horizontale plaatvormige verdikking aan de buitenzijde onder de groeve tussen het foramen surangulare anterior en de inkeping voor de bovenste achterste tak van het dentarium die bijdraagt aan het zijgewricht. De sacrale ribben zijn hol en buisvormig. De zitbeenderen zijn kort, overdwars afgeplat en verticaal licht verbreed. De laatste twee kenmerken zijn zeker autapomorfieën, unieke afgeleide eigenschappen, want uniek binnen de Theropoda.
Daarnaast is er een unieke combinatie van op zich niet unieke kenmerken. In de hersenpan zijn de processus basipterygoidei aan de voorste onderkant van het basisfenoïde gelegen terwijl de doorgang van de recessus basisphenoideus naar boven en achteren gericht is. Het basisfenoïde heeft een ondiepe brede inkeping tussen de tubera basilaria en de processus basipterygoidei. De chevrons zijn nogal recht.
In 2019 erkende men, binnen de toen gevonden fylogenie, maar één autapomorfie: de ondiepe brede inkeping tussen de tubera basilaria en de processus basipterygoidei. Er werd op gewezen dat de verhouding tussen takken van het traanbeen en de verdikking van het surangulare ook bij tyrannosauroïden voorkomen. Dat de processus basipterygoidei aan de voorste onderkant van het basisfenoïde is gelegen terwijl de doorgang van de recessus basisphenoideus naar boven en achteren gericht is, wordt gedeeld met Aoniraptor en Megaraptor.
Skelet Schedel miniatuur|Diagram van schedel en bewaarde skeletelementen Hoewel alleen het achterdeel van de schedel bekend is, meenden de beschrijvers uit de vorm van het pterygoïde in het verhemelte en de lengte van de voorste tak van het traanbeen te kunnen opmaken dat de snuit langgerekt en smal moet zijn geweest. Van verschillende verwanten wordt hetzelfde vermoed.
Het traanbeen is T-vormig, met een bewaarde lengte van 171 millimeter. De voorste tak is uitzonderlijk lang, langer dan de achterste en 10% langer dan de neergaande tak. De voorste en achterste tak zijn ook nogal dun en teer. In de hoek tussen de voorste en neergaande tak bevindt zich een inkeping met een kanaal dat naar de fenestra antorbitalis loopt. In de inkeping liggen pneumatoporen die de voorste en achterste tak binnendringen. De neergaande tak is niet verstevigd door een richel en maar één centimeter dik overdwars. De tak wordt vooraan niet uitgehold door de fossa rond de fenestra antorbitalis. Er is geen spoor van een hoorntje of een neusrichel. Er zijn echter wel vrij dikke facetten met het prefrontale en het voorhoofdsbeen. Onder het raakvlak met het prefrontale lopen twee traanbuizen naar voren tot naar de inkeping in de hoek. Een voorste uitloper van het prefrontale onderligt het traanbeen tot bijna de bovenste traanbuis. Het prefrontale steekt naar binnen in het voorhoofdsbeen. Bij het postorbitale kromt zowel de voorste als de achterste tak omhoog. Het postorbitale heeft een vrij lange tak richting jukbeen.
Het voorhoofdsbeen heeft een lengte van 111 millimeter en een breedte van 54 millimeter. Het achterdeel heeft een rechthoekig profiel; misschien dat het profiel bij jonge dieren driehoekig was, net als bij Megaraptor. Het gedeelte vóór de driesprong met het postorbitale en traanbeen versmalt naar voren abrupt tot een breedte van vijfendertig millimeter. Dit stuk is aan de bovenkant over de volle lengte diep uitgehold, vermoedelijk omdat het overgroeid werd door de achterste tak van het neusbeen. Currie speculeerde dat deze overlapping een grote neuskam ondersteund zou kunnen hebben maar moest toegeven dat bij Megaraptor, waar dezelfde overgroeiing aanwezig is, de wel bewaarde neusbeenderen geen spoor van een zulke kam laten zien. Naar achteren wordt het voorhoofdsbeen verticaal dikker en op hun gezamenlijke middenlijn bereiken de frontalia een dikte van vijfendertig millimeter. Zo wordt een lage richel gevormd die naar achter overloopt in de middenkam tussen de wandbeenderen. De wandbeenderen zijn niet vergroeid, een teken dat het exemplaar nog niet volwassen was. De wandbeenderen zijn drieëndertig millimeter lang. Ze hebben in bovenaanzicht samen een zandloperprofiel, waarbij het voorste raakvlak met de voorhoofdsbeenderen een breedte heeft van tien centimeter, de insnoering tussen de bovenste slaapvensters vierenvijftig millimeter breed is en de dwarskam op het achterhoofd twaalf centimeter wijd is. De middenkam en de dwarskam zijn niet bijzonder hoog. thumb|De hersenpan In de hersenpan zijn verschillende elementen niet versmolten, wat weer wijst op de jonge leeftijd van het exemplaar. De hele linkerzijde van het achterhoofd is misvormd door zware infecties, vermoedelijk ten gevolge van een beet door een andere theropode. Twee tandafdrukken zijn zichtbaar schuin voor en onder de linkerzijde van de dwarskam. Het bovenste centrale element van het achterhoofd, het supraoccipitale, draagt onderaan 5,5 millimeter bij aan het achterhoofdsgat. Het draagt een naar boven verwijdende middenrichel. De wandbeenderen maken ook nog een band van het achterhoofd uit. Dat supraoccipitale en deze band erg glad bot tonen, moet volgens Currie worden verklaard door een kap van kraakbeen. Het ronde achterhoofdgat heet een doorsnede van vijfentwintig millimeter. Eronder bevindt zich de achterhoofdsknobbel die niervormig is, vijfentwintig millimeter hoog en vijfendertig millimeter breed. De nek van de knobbel heeft aan de bovenkant en de onderkant een uitholling; die laatste wordt doorboord door een pneumatopoor. Aan de linkerzijde is de processus paroccipitalis door infectie niet goed gevormd maar het rechteruitsteeksel heeft een lengte van vijfentachtig millimeter en een hoogte van drieënveertig millimeter. De basis ervan is niet gepneumatiseerd. Het basioccipitale loopt van de achterhoofdsknobbel verticaal naar beneden tot tussen de afhangende uitsteeksels van de tubera basilaria. Iedere tuber is aan de onderzijde ingekeept zodat zich twee facetten vormen, de een verticaal gericht, de ander horizontaal; dit is wellicht een uniek kenmerk. Tussen de tubera basilaria loopt een dwarsrichel die de achterste begrenzing vormt van een diepe grote ovale uitholling in het basisfenoïde, de recessus basisphenoideus. Deze inzinking wordt doorboord door twee gepaarde pneumatoporen die schuin naar achteren en boven lopen, het lichaam van het basioccipitale in. De zijwanden van de recessus basisphenoideus worden gevormd door de processus basipterygoidei die naar voren uitlopen in de richelvormige vijfendertig millimeter hoge voorwand ervan. Naar voren loopt het basisfenoïde uit in het dolkvormig uitsteeksel, het voorste punt van de hersenpan, dat een trog in de bovenkant heeft waarin vermoedelijk het kraakbeenschot tussen de oogkassen paste. Meer naar achteren is er een enkelvoudige middelste uitgang voor de reuklobben, vermoedelijk gevormd door een verbeend orbitosfenoïde waarvan de beide helften nog niet versmolten zijn. Iets daarvoor zijn er gepaarde verbeende sfenethmoïden die contact maakten met de onderkanten van de voorhoofdsbeenderen. In de hogere zijkant van de hersenpan is de uitgang voor de naar het oog lopende tak van de nervus trigeminus tunnelvormig overkluisd, een typisch kenmerk van meer afgeleide Coelurosauria.