De vroegchristelijke grafstenen in de Sint-Servaasbasiliek zijn een vijftal grafstenen met inscripties uit de vroegchristelijke periode in de Sint-Servaasbasiliek in de Nederlandse stad Maastricht. Vier van de vijf grafstenen bevinden zich tegenwoordig in het lapidarium van de kerk in de oostcrypte; één steen is ingemetseld in het westwerk van de kerk. De grafmonumenten uit de vijfde en zesde eeuw zijn, samen met Maastrichtse aardewerkfragmenten met christelijke symbolen, de oudste tastbare bewijzen van christendom in Nederland.Tummers (1993), pp. 34-35.De la Haye (2015), p. 188.
Historische achtergrond: Maastricht in de vijfde en zesde eeuw Vroege stadsontwikkeling Maastricht was in de Romeinse tijd een relatief kleine nederzetting. Anders dan de meeste andere (en grotere) plaatsen, behield het na het uiteenvallen van het Romeinse Rijk een zekere strategische functie door de aanwezigheid van de Romeinse Maasbrug. Het in 333 gebouwde castellum van Maastricht beschermde deze brug, een essentiële schakel in de Via Belgica, de grote weg van Keulen via Tongeren naar de kust. Vanaf de zesde eeuw kregen de Merovingische vorsten het in Maastricht en het Maasland voor het zeggen en begon de moeizame integratie tussen de nieuwkomers, de Franken, en de inheemse Gallo-Romeinse bevolking.De la Haye (2015), p. 189. Binnen de castellummuren zijn nauwelijks bewoningssporen uit de Merovingische periode aangetroffen, terwijl daarbuiten juist dikke ophogingslagen duiden op intensieve bewoning. Mogelijk was het castellum in deze periode in gebruik bij de Merovingische koningen, regionale hertogen of bisschoppen, die het fort slechts af en toe bewoonden.Panhuysen, T. (1984), p. 39.
De publicaties van de Leidse mediëvist Frans Theuws hebben na 2000 tot nieuwe inzichten geleid over de vroeg-stedelijke ontwikkeling van Maastricht. Waar voorheen werd uitgegaan van een centrale rol van het castellum, legt Theuws de nadruk op het Sint-Servaascomplex, waar vanaf de late vierde eeuw het graf van Sint-Servaas de katalysator was voor de groei van de stad. Waar zich in deze tijd het burgerlijk en handelscentrum bevonden, de vicus en de portus, is nog niet met zekerheid vastgesteld, hoewel Wyck alleen al vanwege de naam een sterke kandidaat lijkt.Theuws (2005), pp. 106-114.Theuws (2015), p. 178.
Bij diverse archeologische opgravingen in en rondom de Sint-Servaaskerk en op het Vrijthof zijn tot nu toe ongeveer 1135 graven uit de laat-Romeinse en vroegmiddeleeuwse periode gevonden, waarvan enkele honderden uit de 5e en 6e eeuw.Panhuysen, R. (2005), p. 54, tabel 3-1; pp. 77-79, 86-90. Een groot aantal graven bevatte grafgiften, zoals glas en aardewerk, messen, bijlen (saxen) en andere werktuigen, gespen, munten, kralen van goud, glas en barnsteen, halskettingen, oorringen, armbanden, ringen, broches, spelden en andere sieraden. Met name het aantal kralen (enkele duizenden) is opvallend.Kars (2011), pp. 134-171. De bijgaven duiden op niet-christelijke begravingen. Elders zijn sporen van nijverheid aangetroffen, zoals metallurgie, pottenbakkerij, hertshoornbewerking (onder andere kammen) en glasfabricage (met name van kralen).Cillekens/Dijkman (2006), pp. 32, 38-40. De schaal van de economische activiteiten is voor de Merovingische periode uitzonderlijk te noemen. Maastricht lijkt aan het eind van de zesde eeuw met de aanduiding urbs treiectinsis (stad van Tricht) bij Gregorius van Tours, een volwaardige stedelijke nederzetting te zijn geworden.Panhuysen, R. (2005), p. 33.
Het bisdom Tongeren-Maastricht In de Romeinse tijd was Tongeren (Atuatuca Tungrorum) waarschijnlijk de grootste stad (municipium) in de huidige Nederlanden en tevens de civitas-hoofdplaats van de Tungri. Het christendom had hier al vroeg aanhangers, mogelijk al rond het midden van de derde eeuw, de periode waarin de eerste bisschoppen van Trier actief waren. Volgens de overlevering was de derde bisschop van Trier, Maternus (begin vierde eeuw), tevens de eerste bisschop van Tongeren. De bekendste Tongerse bisschop was Servatius, die tevens de eerste bisschop van Maastricht zou zijn geweest. Sulpicius Severus noemt deze Servatio Tungrorum episcopus als een van de deelnemers van het Concilie van Rimini in 359.
Opgravingen in de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek in Tongeren hebben mogelijk restanten van een kerk uit de late vierde of vijfde eeuw aan het licht gebracht. Toch is het algemene beeld van de stad in deze periode er een van achteruitgang. Wanneer de bisschopszetel verplaatst werd naar Maastricht, is niet duidelijk; wellicht hadden de bisschoppen geen vaste residentie of wisselde deze in de loop der eeuwen. De geschiedenis van het bisdom Maastricht tot aan het begin van de zesde eeuw berust louter op apocriefe teksten.De la Haye (1985), pp. 11-15. Pas in de zesde eeuw blijkt Maastricht werkelijk bisschopsstad te zijn. In 535 ondertekende Domitianus van Hoei de acta van het Concilie van Auvergne als bisschop van de kerk der Tungri, "quod est Traiectum" ("die te Maastricht is"). Voor die tijd werd slechts gesproken van het "bisdom der Tungri". Bisschop Monulfus koesterde in de tweede helft van de zesde eeuw grote ambities voor de bisschopszetel. Op de Romeinse begraafplaats, waar zich een zekere cultus rond Servatius had ontwikkeld, vond hij het graf van de heilige en bouwde daarboven zijn magnum templum. Door sommige auteurs wordt hieruit geconcludeerd dat Monulfus waarschijnlijk Sint-Servaas creëerde. Anderen houden vast aan zijn historiciteit.De la Haye (2015), p. 191.Theuws/Kars (2017), pp. 36-37.
Vroegmiddeleeuwse kerken in Maastricht Volgens de traditionele opvatting was de Onze-Lieve-Vrouwekerk de oorspronkelijke bisschopskerk van het bisdom Maastricht en was de Sint-Servaaskerk de grafkerk van de bisschoppen, ontstaan rondom het graf van de eerste bisschop, Sint-Servaas. Bij die zienswijze kunnen veel vraagtekens worden gezet. De Onze-Lieve-Vrouwekerk bevond zich immers binnen het castellum, dat volgens de meeste historici koninklijk bezit moet zijn geweest. Later bleken de Luikse bisschoppen het hier voor het zeggen te hebben. Bij de Sint-Servaaskerk is het precies andersom: de eerste stenen kerk werd gebouwd door de bisschoppen, maar later bleek de kerk koninklijk bezit te zijn. Een bezitsruil, voorgesteld door Piet Leupen, roept evenveel vragen op als er beantwoord worden.Theuws (2015), p. 179. Over eventuele voorlopers van de Onze-Lieve-Vrouwekerk tast men in het duister, aangezien in deze kerk nooit archeologische opgravingen hebben plaatsgevonden. Een Merovingisch kapiteel dat hier werd aangetroffen, zou kunnen wijzen op een zeer hoge ouderdom. Ook zijn nabij de kerk relatief veel potscherven met vroegchristelijke motieven aangetroffen.Panhuysen, T. (2011), pp. 19-21.
Van de Sint-Servaaskerk daarentegen is de bouwgeschiedenis min of meer bekend, vooral na de grootscheepse opgravingscampagne onder leiding van Titus Panhuysen in de jaren 1980. Gregorius van Tours schreef eind zesde eeuw dat op het graf van de heilige een houten grafkapel stond, die diverse malen herbouwd was, totdat bisschop Monulfus hier de eerste Merovingische kerk (ca. 560-675) stichtte. Bij de opgravingen ontdekte Panhuysen fundamenten en muurresten van een laat-antieke kapel, mogelijk de door Gregorius genoemde cella memoriae. Een waterbassin of piscina (wellicht een doopbekken) aan de zuidkant van dit gebouwtje kon aan de hand van muntvondsten gedateerd worden op circa 400.Panhuysen, T. (1991), pp. 18-19. Bij dezelfde opgravingscampagne is ook de kerk van Monulfus teruggevonden, de magnum templum. Het gebouw was 15 meter breed. Doordat in de elfde eeuw een deel van de fundamenten is verwijderd, is niet bekend hoe ver dit gebouw naar het oosten doorliep. Waarschijnlijk is de kerk rond 650 een vijftal meters in westelijke richting uitgebreid, waardoor de cella memoriae uit de eerste bouwfase binnen de Merovingische kerk kwam te liggen.
De relatief vroege aanwezigheid van het christendom in Maastricht zou een verklaring kunnen zijn voor een wijziging in de manier van begraven vanaf de vierde eeuw. Vóór die tijd cremeerde men de doden en begroef men de as, waarbij vrijwel altijd grafgiften werden meegegeven. Na die tijd vonden met name dicht bij de Sint-Servaaskerk voornamelijk inhumaties plaats, waarbij de dode met het voeteneind naar het oosten werd gelegd, en waarbij grafgiften meestal ontbreken.Panhuysen, R. (2005), p. 23. Dat niet alle Maastrichtenaren in de vijfde en zesde eeuw het christelijk geloof aanhingen, blijkt uit het blijvend hoge aantal graven met bijgaven. Uitzonderlijk goedgevulde graven uit de zesde eeuw zijn het "graf van de rijke dame" (graf 94) in de Sint-Servaaskerk en het "graf van Bobo" op het terrein van de Romeinse villa Borgharen-Pasestraat.Cillekens/Dijkman (2006), pp. 35-36. Op het platteland had het christendom zeker tot de zevende eeuw weinig invloed.De la Haye (2015), p. 199.
Beschrijving grafstenen Van de vijf vroegchristelijke grafstenen in de Sint-Servaasbasiliek bevinden er zich vier in het lapidarium van de kerk in de oostcrypte, waar op een informatiepaneel uitleg wordt gegeven over deze bijzondere stenen. De vijfde grafsteen bevindt zich in het westwerk van de kerk. Slechts een van de stenen is (mogelijk) in situ aangetroffen, dat wil zeggen op de plaats waar de betreffende overledene begraven is; in dit geval de laat-Romeinse en vroeg-Frankische begraafplaats op en rondom het Vrijthof. De andere stenen zijn in de elfde eeuw bij de bouw van het westwerk van de kerk secundair gebruikt als spolia. Vier van de vijf stenen zijn afkomstig van een kindergraf. Wellicht zijn die stenen, die kleiner en dus handzamer waren, bewaard gebleven doordat ze in hun geheel als bouwsteen gebruikt konden geworden. Van vier overledenen wordt de naam op de steen genoemd. De opschriften zijn zonder uitzondering in het Latijn en ingebeiteld in Romeinse kapitalen.De la Haye (1988), p. 304.Panhuysen, T. (1992), p. 507.
Grafsteen van Amabilis Deze steen is in 1901 in de westbouw van de kerk gevonden, werd daarna enkele tientallen jaren in de schatkamer bewaard en bevindt zich sinds 1992 in de oostcrypte. Het grafmonumentje van Limburgse mergel is 36,5 cm hoog en 53 cm breed. De dikte bedraagt 29,8 cm. De steen dateert uit het begin van de vijfde eeuw, wat op te maken valt uit het grafschrift. De lettergrootte varieert tussen de 4 en 5 cm. Van de vijfregelige inscriptie is de vierde regel moeilijk en de vijfde nauwelijks leesbaar. Het opschrift luidt: (H)IC PAVSAT · AMABELES · IN C(H)RISTO · Q(U)I VIXIT AN(NOS) · [IIII] M(ENSES) VI D(IES) XII, wat vertaald kan worden als: Hier rust in Christus Amabilis, die 4 jaar, 6 maanden en 12 dagen leefde. De inscriptie geldt algemeen als de oudste christelijke in Maastricht.Boppert (1986), pp. 68-72. Amabilis is daarmee tevens de eerste christen in Nederland, waarvan de identiteit onomstotelijk vaststaat.
Grafsteen van Saturninus Ook deze steen is in 1901 in de westbouw van de kerk aangetroffen, waar hij ondersteboven was ingemetseld in de trap van de zuidelijke toren.Van Nispen tot Sevenaer (1926/74), pp. 365-366. De steen belandde in de schatkamer en bevindt zich sinds 1992 in de oostcrypte. Het beschadigde monumentje van kalksteen meet 38 x 25 cm en is 18,5 cm diep. De lettergrootte varieert tussen de 4 en 5,6 cm. Het zeer slecht leesbare opschrift luidt waarschijnlijk: [TE]TOLVM · [S]ATVRN[INO (?) INI (?)] · [Q]VI VIXSIT[--- (?) AM] · [I]CVS DV[LCI] · [S]SIMVS A[MICO], wat vertaald kan worden als: dit is het graf van Saturninus die [... jaren leefde], voor zijn vriend als beste vriend. Niet geheel duidelijk is waarom diverse auteurs deze grafsteen als christelijk hebben betiteld. Saturninus leefde waarschijnlijk in de vijfde eeuw, misschien in het begin van de zesde eeuw.Boppert (1986), pp. 72-75.
Grafsteen van Aluuefa