thumb|Het Heilig Roomse hertogdom Neder-Lotharingen ca. 1000 thumb|Ligging van Brussel in het oude bisdom Kamerijk thumb|De oudste vermelding van een Brussels stadszegel dateert uit 1231, vlak na de eerste stadskeure. Dit exemplaar uit 1257 is het oudst bewaarde. Het draagt een Middelnederlands randschrift: INGESIGELE · DER · PORTERS · VAN · BRUSLE thumb|De Anneessenstoren en een deel van de vroeg-13e-eeuwse stadsomwalling (de rondbogen onderaan zijn niet langer door aarden wallen bedekt) thumb|Romaanse delen in het koor van de kathedraal (1226)
Brussel is ontstaan als een verzameling landbouwgehuchten bij een moerassig gebied aan de Zenne. De drassige grond is pas laat in cultuur gebracht. In de 11e eeuw kwam er een haven en werd Brussel een handelshub voor de oplevende landbouw in de omgeving. Dit trok adellijke heren aan, die zich vestigden op de Koudenberg. Ze stimuleerden de ontluikende centrumfunctie, onder meer door een stelsel watermolens aan te leggen bij de haven.
Etymologie Er bestaat nagenoeg consensus over de betekenis van het toponiem "Brussel", afgeleid van de Nederfrankische woorden bruoc (broek, moeras) en sele (woning, verblijf). (red.), Altdeutsches Namenbuch, vol. II, Bonn, 1913, kol. 582-583 Daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat de stad ook midden ín het moeras is ontstaan, al wordt minstens een zekere nabijheid ervan uiteraard verondersteld.
Situering De meanderende Zenne vormde te Brussel drie eilanden en voegde zich daarna terug samen.Voor het Groot Eiland, zie Sint-Goriksplein. De oostflank van de vallei is steil en werd doorsneden door beken die zich langs de rechteroever naar beneden stortten in de Zenne., "Une capitale au berceau: Bruxelles", in: Annales. Économies, Sociétés, Civilisations, 1949, vol. 4, nr. 3, blz. 298-310 Vanuit Brussel kon de scheepvaart via de Dijle en de Rupel de Schelde bereiken. Met platte barken was de rivier ook stroomopwaarts bevaarbaar.
Bestuurlijk lag het prille Brussel in het hertogdom Neder-Lotharingen, meer bepaald in de Brabantgouw, waarvan de rechtspraak verzekerd werd door de schepenbank van Ukkel (eerste vermelding in de 11e eeuw). Religieus maakte Brussel deel uit van het bisdom Kamerijk en dit tot de bisdomhervorming van 1559. De Brusselse omgeving was een perifere regio, behoorlijk ver van de grote steden (Doornik, Gent) en machtige abdijen (Sint-Gertrudis in Nijvel, Sint-Baafs in Gent en Sint-Trudo in Sint-Truiden). De afstand tot deze centra van schriftproductie verklaart de schaarsheid aan bronnen over de vroege stadsgroei. Het had ook gevolgen voor de feodale structuur van de streek, die rond de millenniumwisseling gedomineerd werd door kleine, wereldlijke domeinen.
De grond rond Brussel is deel van de leemplateaus die tot de vruchtbaarste streken van Europa behoren. Hij is doorspekt met zanderige plekken en met vochtige gronden die bijzonder geschikt zijn voor veeteelt. Rond de millenniumwisseling kwam de grote ontginning op gang en ging men bossen rooien. Er kwam een gediversifieerde landbouw tot stand en de bevolking begon toe te nemen. Ze deed vooral aan graanbouw (overwegend rogge) en veeteelt (runderen een groot deel van het jaar op stal; schapen en varkens in open lucht).
Ontwikkeling tot stad Brussel is ontstaan uit verschillende prestedelijke kernen, waarvan de onderlinge chronologie nog niet is uitgemaakt., , en , "The medieval territory of Brussels: A dynamic landscape of urbanisation", in: en , Landscape archaeology between art and science. From a multi- to an interdisciplinary approach, Amsterdam University Press, 2015, blz. 223-238 Er was het eigenlijke Broekzele aan de Zenne, waarschijnlijk van secundair belang en vooral toegewijd aan runderteelt. Op de nabij gelegen Koudenberg bevond zich een andere nederzetting, af te leiden uit een morfologische analyse die een dries herkent rond een ovale meent. Dit werd al vroeg een zetel van vorstelijke macht. Tussenin lagen andere kernen op de hoge gronden van de oostelijke valleiflank (Treurenberg en Oud Korenhuis). Potscherven uit de tiende eeuw getuigen van een verspreide bewoning, typisch voor de hoge middeleeuwen. In dit vroegstedelijke Brussel werd aan landbouw en kleinschalige handel gedaan. Verzegelde lagen donkere aarde wijzen op graven, ploegen, bemesten en afvalstorten (11e-13e eeuw). Er waren velden, weiden, steengroeven en bodemwinningsputten.
Een van de alleroudste teksten waarin Brussel figureert, geeft aan dat toen al groenten werden geteeld. In het heiligenleven van Veronus van Lembeek, geschreven door Olbert van Gembloers rond 1015-1020, is sprake van een meisje dat door God gestraft is voor het oogsten van haar moestuin op zondag. Ze trekt naar Lembeek om genezing te verkrijgen van Veronus en passeert onderweg in een portus genaamd Brosella., De Sancto Verono Lembecae et montibus Hannoniae in: e.a. (red.), Acta Sanctorum Martii, vol. 3, 1865, blz. 846: quaedam illuc puella a portu, Brosella dicto, advenerat. Meteen is dus ook het bestaan van een haven aangetoond, tenzij het woord portus gebruikt wordt in de betekenis van handelsnederzetting., Brussel, de ontwikkeling van een middeleeuwse stedelijke ruimte, Proefschrift Geschiedenis, Universiteit Gent, 2008, blz. 270-275
Een belangrijk gegeven is de vondst van munten met het opschrift Brocsa en Bruocsella. De oudste munten, gesitueerd in de eerste decennia van de elfde eeuw, zijn wellicht het werk van een rondreizend atelier. Een exemplaar uit 1073 wijst eerder in de richting van een gevestigde muntslagerij.
Dat de stadsbevolking in het midden van de elfde eeuw al flink was aangegroeid, toont een document uit de Abdij van Lobbes. In 1060 droegen de monniken hun patroonheilige Ursmarus in processie door Vlaanderen en veroorzaakten ze op de terugweg in Brussel een volkstoeloop.Miracula sancti Ursmari in itinere per Flandriam facta, MGH, SS, 15/2, (red.), Hanover, 1888, blz. 841-842: iamque accelerando iter nostrum, redeundo venimus Bruxellam die octavo. Concurrente turba [...] Het heiligenleven van Guido van Anderlecht verraadt de eerste spanningen tussen stad en platteland. Het verhaalt hoe Guido, een eerbare koster uit het landelijke Laken, wordt omgepraat door een Brusselse koopman om zijn dorp te verlaten en handel te gaan drijven op de Zenne.mercator de Bruxella, vicino castello (metonymie) Later ziet hij het heilloze van deze weg in.Vita Guidonis, ca. 1112
Het statuut van stedelijke vrijheid bekwam Brussel aan het eind van de 11e of in het begin van de 12e eeuw. Binnen deze Kuip van Brussel waren de Brusselse costumen van toepassing. Logisch genoeg volgde dit kort op de komst van de graven van Leuven. Het Huis Leuven had zijn machtsbasis in Haspengouw. Zonder bezittingen in het Brusselse moesten de graven omzichtig te werk gaan. Begin 11e eeuw hadden ze voet aan de grond gekregen in Asse, een oud centrum van de Brabantgouw. Eind 11e eeuw installeerden ze vlak bij de Abdij van Affligem. Eerder had Lambert II Balderik het kapittel van Sint-Goedele gesticht in de Sint-Michielskerk. De religieuze stichtingen hielpen de grafelijke macht het gebied te organiseren. Ook de machtige Sint-Gertrudisabdij van Nijvel was al vroeg in de stad aanwezig.Ze bezat er stadium unum in Bruocsella, volgens een passage die ca. 1050 geïnterpoleerd werd in een oorkonde van Keizer Otto I uit 966. Het stadium uit de patrimoniale akte kan een stuk grond zijn of zelfs een overslagplaats. Tot de 18e eeuw zou de abdij een kleine heerlijkheid behouden aan de huidige Beurs.
Geleidelijk voltrok zich onder impuls van de graven een herinrichting van de Brusselse regio volgens een schema stad-platteland. Beiden groeiden in tandem. Het omliggende platteland was in volle expansie. De ontginning gebeurde zowel door lokale aristocraten als door kloosters (vrouwenabdij van Vorst gesticht in 1105). Op de vruchtbare gronden in de omtrek groeiden grote landbouwdorpen: Laken, Ukkel, Molenbeek. Het surplus van de agrarische en artisanale productie vond zijn weg naar het nieuwe centrum, dankzij ingrepen als een haven, een markt en een reeks watermolens op het Sint-Gorikseiland (1080-1150)., Bruxelles et sa rivière, Brepols, 2003, blz. 80 De bijzondere hydrografie van Brussel verraadt intensief menselijk ingrijpen. De natuurlijke loop van beken en rivieren werd verlegd in functie van economische activiteiten. Ook werden dijken aangelegd en Zennearmen rechtgetrokken.
Een zeldzaam vroege inkijk op de exportfunctie biedt de moeilijk dateerbare notitie van Sint-Pieters-Leeuw. Angela, een adellijke vrouw uit Brabant, schenkt bij testament een allodium aan de Sint-Pieterskerk van Keulen. De tekst legt uit hoe de horigen graan naar de Zennebrug in Brussel moeten dragen om te verschepen naar Keulen.Per mansus zijn twee jaarcijnzen verschuldigd: naargelang het geval vier mudden tarwe, vijf mudden rogge of zes mudden haver (Duas angarias debent: in angaria si triticum est, IIIIor modios portant, si sigilo est, quinque, si avena, sex usque pontem Senne in Brosele, qui appelatur sancte Othele [Sint-Goedele?], mensuratus eadem mensura qua ipsi avena solvunt, et de ponte sublevatur asser unus, ut per pontem grana transfundatur in navim.) Deze passage wordt naargelang de auteur ergens tussen 1000 en 1100 gesitueerd.
In de twaalfde eeuw ontstond een handelsroute van Brugge over Gent naar Keulen. Brussel profiteerde van zijn ligging op deze verbindingsweg en onderhield commerciële contacten met Vlaanderen en het Rijnland. De portus rond Sint-Goriks breidde zich uit richting Sint-Niklaas, waar een gasthuis en een marktplaats werden geconstrueerd. Tegelijk bleef de primaire sector belangrijk en werden bijvoorbeeld viskweekvijvers aangelegd. Uit de schapenteelt op vochtige gronden groeide een lakennijverheid, die in de 13e eeuw een hoge vlucht zou nemen en van Brussel een internationale textielstad maken.
Vanaf die eeuw was Brussel een belangrijk politiek, industrieel en kerkelijk centrum. De stad kreeg een stenen omwalling en in 1229 een eerste stadskeur.
Bestuurlijke context Bij zijn ontstaan lag Brussel in het hertogdom Neder-Lotharingen, meer bepaald in de Brabantgouw, waarvan de rechtspraak verzekerd werd door de schepenbank van Ukkel (eerste vermelding in de 11e eeuw). Het verdrag van Meerssen (870) leert ons dat de Brabantgouw bestond uit vier deelgraafschappen. Het graafschap waartoe Brussel behoorde, was het enige van de vier dat later deel zou uitmaken van het hertogdom Brabant.Chièvres en Halle gingen naar het Graafschap Henegouwen en Biest groeide uit tot het Vlaamse Land van Aalst Keizer Otto II beleende Neder-Lotharingen in 977 aan Karel van Frankrijk, die het graafschap waarin Brussel lag als bruidsschat meegaf aan zijn dochter Gerberga, ter gelegenheid van haar huwelijk met Lambert I met de baard (ca. 1005).Gesta Abbatum Gemblacensium 32, (ed.), Monumenta Germaniae Historica, Scriptores, VIII, Hannover, 1848, p. 537 Hierdoor kwam Brussel in handen van de graven van Leuven.
Een bron uit het laatste kwart van de 11e eeuw heeft het over Henricus senior de Bruxella. Deze associatie van graaf Hendrik III van Leuven met Brussel wijst erop dat zijn aanwezigheid in de stad meer dan episodisch was., "Bruxelles et le Coudenberg: des relations ambiguës", in: Le Palais du Coudenberg à Bruxelles. Du château médiéval au site archéologique, 2014, blz. 37, 40 Het grafelijk verblijf (manerium) op de Koudenberg was echter niet versterkt, in tegenstelling tot een ander gebouw ernaast, het castrum castellani. Dit kasteel werd bewoond door de burggraven van Brussel, die verwant waren aan de machtige geslacht van Aa/Anderlecht.In 1096 is reeds een burggraaf Franco vermeld in het cartularium van de abdij van Affligem. Vanaf de 14e eeuw is hun kasteel bekend als "Oude Borg". Dit wijst erop dat de graven van Leuven omzichtig tewerk zijn gegaan en een vorm van machtsdeling met de lokale aristocratie hebben aanvaard. Hun aanspraken op Brussel waren dan ook beperkt en het grafelijk domein was er gering in omvang.