Dit artikel gaat over criminaliteit en rechtspraak in de vroegmoderne tijd in Nederland.
Vervolging Heden ten dage is het opsporingsproces, het onderzoek naar strafbare feit, uitgebreid beschreven in het Wetboek van Strafvordering. In de vroegmoderne periode was er geen sprake van uitgebreide codificatie van strafvordering. Desondanks was het onderzoeksproces opvallend zorgvuldig en uitgebreid. Hierbij werden modern ogende onderzoeksmethoden zoals verhoor, huiszoeking en autopsie ingezet om de waarheid boven tafel te krijgen. Daarbij werd tussen de verschillende politieapparaten zelfs provinciegrensoverschrijdende samenwerking aangegaan.
Arrestatie De ‘apprehensie’ of arrestatie van een verdachte was meestal het startschot voor de rechtsprocedure. Deze arrestatie vond in sommige gevallen op heterdaad plaats, oftewel op het moment dat het misdrijf plaatsvond. In de meeste gevallen werd iemand gearresteerd na een aangifte of een tip van een bezorgde burger. Door de hoge sociale controle viel crimineel gedrag al snel op.Heijden, Misdadige vrouwen, 66-67 Vermogensdelicten, zoals diefstal, werden vaak ontdekt door burgers waarna klapwakers (nachtwachten) of gerechtsdienaren werden gewaarschuwd. Delicten zoals accijnsontduiking werden in de meeste gevallen ontdekt door overheidsfunctionarissen zoals de belastingpachter. Deze arrestaties liepen met regelmaat uit de hand, waarbij de gearresteerden zich hevig verzetten. Zo schoten de draaideurcriminelen Marten Jans en Berent Jansz in 1694 met pistolen op de gerechtsdienaren om arrestatie te voorkomen.HCO, SAZ, inv. nr. 3795, f. 163v-165r, 165v-166v
Verhoor De verdachte werd na de arrestatie verhoord door de gerechtsdienaar in het bijzijn van enkele schepenen met als doel een bekentenis te ontlokken. Een afgelegde bekentenis werd beschouwd als het belangrijkste bewijsmiddel en leidde steevast tot een veroordeling.GAK, RAK, inv. nr. 4, f. 76v-77v In het geval dat een verdachte betrokkenheid ontkende, werd na toestemming van de schepenen, in veel gevallen tortuur (ook wel foltering of marteling) toegepast. Aangezien bij tortuur ernstig lichamelijke pijn werd toegebracht, werd een bekentenis van de verdachte in de meeste gevallen bereikt. Tortuur werd grofweg in twee gradaties toegepast. Ten eerste een mildere variant waarbij de verdachte werd gegeseld middels zweepslagen tot de aanwezige schepen het voldoende achtte. Ten tweede, een zwaardere variant waarbij de scherprechter diverse martelingswerktuigen zoals scheen- of duimschroeven gebruikte om de verdachte tot een bekentenis te dwingen.Faber, Strafrechtspleging, 112 Wanneer een bekentenis was afgelegd, diende de verdachte de bekentenis nogmaals ‘vrijwillig en buiten pijn en banden’ (zonder tortuur) te herhalen voor de rechtbank.Pieter van Heijnsbergen, De pijnbank in de Nederlanden (Groningen 925) 61-62 Dat tortuur geen kinderspel was blijkt wel uit de zaak van de van diefstal beschuldigde Isaac Jacobs. Hij werd op 8 april 1723 dusdanig zwaar gemarteld dat hij de volgende dag in zijn cel overleed.HCO, SAZ, inv. nr. 3796, f. 30r Toepassing van tortuur werd op 1 mei 1798 in de gehele Republiek afgeschaft.
Huiszoeking De huiszoeking, in juridische termen 'doorzoeking van een plaats' genoemd, lijkt een modern opsporingsmiddel. In de vroegmoderne periode werd dit middel echter ook veelvuldig ingezet om bewijs te verzamelen. Zo stelt een gerechtsinstructie uit 1731 uit Zwolle het volgende: “Ende indien een sodaanen fugitiven retireerde in een huis, zal hetzelve mogen bezet en beswaard worden en met kennisse van den hogen of lagen officier ter plaetse huis soekinge gedaan (…) worden”.GAK, RAK, inv. nr., f. 19r-20v Dat deze huiszoekingen het sleutelbewijs konden opleveren blijkt wel uit de zaak van Marregje Swarts. De 25-jarige Marregje Swarts werd verdacht van diefstal van lood van verschillende huizen samen met de soldaat Abraham de Smit. Ondanks dat Marregje de ontdekking van het gestolen lood trachtte te voorkomen door het te verbranden in haar haardvuur, werd het lood tijdens de huiszoeking door de gerechtsdienaren brandend aangetroffen. Op basis van de huiszoeking werd Marregje veroordeeld tot geseling, drie jaar tuchthuis en levenslange verbanning uit Overijssel.GAK, RAK, inv. nr. f. 8v-10v
Autopsie thumb|Anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp, geschilderd door Rembrandt van RijnHet vaststellen van de doodsoorzaak bij een onnatuurlijke dood gebeurt middels een zogenaamde autopsie; het inwendig onderzoeken van een lichaam, ook wel gerechtelijke sectie genoemd. Ook in de vroegmoderne periode vonden secties plaats. Deze werden verricht door een chirurgijn, de medicus van de stad, die gedetailleerd verslag uitbracht aan de gerechtsdienaren en schepenen. De conclusies met betrekking tot de doodsoorzaak waren van doorslaggevend belang in de vroegmoderne rechtszaken. Dit blijkt uit onder andere uit de zaak van de moord op de soldaat Herman Slegt. Herman, die garnizoen hield in Kampen, werd op 11 september 1742 buiten de stadspoorten van Kampen viermaal met een mes gestoken, waarna hij een dag later overleed. Om zeker vast te kunnen stellen dat Herman overleed als gevolg van de steekwonden werd er sectie verricht. Hierop stelde de chirurgijn vast dat “deselve wonde per se lethaal is geweest”.GAK, RAK, inv. nr. 4, f. 84r-84v Door dit bewijs kon Jan Alexander worden vervolgd voor moord. Op 15 november werd Jan veroordeeld tot levenslange verbanning uit de provincie Overijssel. Op basis van uitgebreid archiefonderzoek in Kampen en Zwolle kan worden vastgesteld dat chirurgijns werden ingezet voor autopsie en lijkschouwing om drie zaken te onderzoeken. Ten eerste of er sprake was van een onnatuurlijke dood; ten tweede de aard van de toegebrachte verwondingen; ten derde eventuele causaliteit tussen de verwondingen en de dood van het slachtoffer.Bjørn Gallée, "Schelmen, dievegges en moordenaars in Overijssel". Criminaliteit, strafrechtspleging, rechtspraak en bestraffing in Kampen en Zwolle, 1650-1800 (bachelorscriptie, Universiteit Leiden 2015) 16-17 De chirurgijns legde de bevindingen vast in een oorkonde. Deze oorkonde werd in de rechtszaal opgevoerd als bewijsmateriaal en was in veel gevallen doorslaggevend. Daarmee nam autopsie en lijkschouwing een belangrijke plaats in de vroegmoderne bewijsgaring in.
Het strafsysteem Strafoplegging 300px|thumb|Radbraken van een veroordeeldeHet strafsysteem in vroegmodern Nederland was een getrapt systeem bestaande uit diverse lijf- en vrijheidsstraffen en de geldboete. Hoe zwaarder het gepleegde delict, hoe zwaarder de op te leggen straf. Uit dit getrapte systeem volgt dat de geselingstraf veel vaker werd opgelegd dan de zwaardere straffen zoals brandmerking, verminking of marteling. De strafdiversiteit werd, zoals blijkt uit de voorbeelden, vergroot door het enorm aantal mogelijk combinaties. Zo kon een verdachte worden veroordeeld tot een combinatie van de verschillende varianten van de lijf- en vrijheidsstraffen. Een persoon verdacht van enkelvoudige diefstal zonder strafverzwarende omstandigheden (zoals diefstal bij nacht of met geweld) werd meestal veroordeeld tot aan de kaakstelling, geseling en verbanning. Een veroordeling tot meervoudige diefstal leidde vaak tot aan de kaakstelling, brandmerking en geseling, en in enkele gevallen zelfs de doodstraf. Dat onthoofding, als ultieme straf, in uitzonderlijke gevallen als een te lage straf werd beschouwd blijkt uit de zaak van Jacomina Jannes. De 26-jarige Jacomina Jannes werd naar eigen zeggen meerdere malen mishandeld door haar echtgenoot en zag haar leven als uitzichtloos. Op 3 maart 1728 kreeg zij “in de zin om haar man niet alleen maar ook haer beide kinderen (…) de keel af te snijden”.HCO, SAZ, inv. nr. 3796, f. 30v-32r Hierna heeft zij getracht te doen voorkomen alsof haar man beide kinderen had vermoord en daarna zelfmoord heeft gepleegd. De schepenen doorzagen de door Jacomina in scène gezette moord-zelfmoord en veroordeelden haar tot een bijzonder zware straf. Alvorens Jacomina werd onthoofd, werd haar rechterhand (de hand waarmee zij het moordwapen heeft gehanteerd) afgehakt en werd zij geradbraakt. Vervolgens werd zij driemaal in de hals gestoken met het door haar gebruikte moordwapen. Het onthoofde lichaam van Jacomina werd tentoongesteld op het galgenveld “tot dat haar lichaam door de vogelen des Hemels, en door de lucht sal wesen verteerd”.Ibid.
Lijfstraffen thumb|Diverse vroegmoderne vormen van lijfstraffen en tortuur De meest voorkomende lijfstraffen in vroegmodern Nederland zijn de volgende: Aan de kaakstelling: Een tot lijfstraf veroordeelde werd vrijwel altijd ‘aan de kaak gesteld’. Hierbij werd de veroordeeld publiekelijk op de ‘kaak’, schandpaal of schandblok belachelijk gemaakt en soms zelfs door de bevolking bekogeld met uitwerpselen, rot voedsel of stenen. Daarbij kreeg de veroordeelde in veel gevallen een schandbord om de hals met daarop het delict geschreven. Na publiek ten schande te zijn gemaakt werden de eventuele opgelegde (zwaardere) lijfstraffen uitgevoerd, in sommige gevallen gebeurde dit op de kaak. Geseling: Door middel van een tuchtroede, stokken of de zweep werd de veroordeelde een x-aantal keer gegeseld op de blote huid. Deze strafvorm werd als zeer pijnlijk ervaren. Geseling was de meest voorkomende schavotsstraf.Pieter Spierenburg, Judicial violence in the Dutch Republic: corporal punishment, executions and torture in Amsterdam 1650-1750 (Amsterdam 1978) 75-6. Brandmerking (lijfstraf): Met een brandijzer werd een brandmerk aangebracht bij de veroordeelde met als doel dat het strafblad voor altijd zichtbaar zou zijn. In de 16e en 17e eeuw werden brandmerken met name in het aangezicht aangebracht, terwijl in de 18e eeuw vrijwel uitsluitend alleen nog de schouder of de rug werd gebrandmerkt om maatschappelijke stigmatisering te voorkomen. Tot halverwege de 18e eeuw werd meestal het wapen van de provincie als brandmerk gebruikt. Aangezien de meeste provinciale wapens een leeuw bevatte werd hiervan aan het einde van de 18e eeuw van afgezien om verwarring te voorkomen. Uiteindelijk werd brandmerking in 1854 afgeschaft. Verminking: Een van de zwaarste straffen was verminking. Een straf welke met name voor 1650 populair was. Voorbeelden van verminking zijn het afhakken van ledematen, het aanbrengen van sneden of het uitsteken van ogen. Hierbij was vaak sprake van een ‘spiegelstraf’, gebaseerd op het Bijbelse ‘oog om oog-principe’, waarbij de straf samenhing met de aard van het vergrijp. Een persoon die tijdens een mishandeling een snede had aangebracht bij het slachtoffer, werd vaak bestraft middels eenzelfde snede aangebracht door de scherprechter. Doodstraf: de zwaarste lijfstraf is de terdoodveroordeling. Deze werden vaak voltrokken door verwurging middels een koord of onthoofding middels het zwaard, welke als minder oneervol werd beschouwd. In enkele gevallen werd de veroordeelde voor de terdoodveroordeling gegeseld, verminkt of ernstig gemarteld door middel van radbraken.
In 1854 werden in Nederland de lijfstraffen, met uitzondering van de geselingstraf, afgeschaft. Deze werd in 1870 afgeschaft.
Vrijheidsstraffen De vrijheidsstraf zoals wij deze heden ten dage kennen vond zijn oorsprong in de Verlichting en de Franse Revolutie. In vroegmodern Nederland bestond de vrijheidsstraf uit grofweg drie varianten: Verbanning: De veroordeelde werd verbannen uit de stad en/of provincie voor een periode van een etmaal tot levenslang. Deze straf had grote sociale en financiële gevolgen voor de veroordeelde, immers moest men huis en haard voor meestal een langer periode verlaten.