De Slag aan de Allia werd gevochten tussen de Senones (een van de Gallische stammen die Noord-Italië waren binnengevallen) en de Romeinse Republiek. De slag werd gevochten bij de samenvloei van de rivieren de Tiber en de Allia, elf Romeinse mijlen (16 km) ten noorden van Rome. De Romeinen werden op de vlucht gedreven en daarna plunderden de Senones Rome. Volgens de traditie wordt 390 v.Chr. als de correcte datum voor deze slag beschouwd. Dit is gebaseerd op het verslag door de Romeinse historicus Livius en de Varonische chronologie, een Romeinse jaartelling. Volgens de Griekse historicus Polybios, die een Grieks jaartelling gebruikte, was de correcte datum echter 387/6 voor Christus. Plutarchus schreef dat de slag plaatsvond net na de zomerse zonnestilstand toen de maan bijna vol was, iets meer dan driehonderdenzestig jaar na de stichting van Rome. Dat zou kort na 393 voor Christus zijn.Plutarchus, Parallelle Levens, Camillus, 19.1, 22.1 Tacitus zei dat de slag plaatsvond vijftien dagen voor de Kalenden van Augustus, wat van de datum van de slag 18 juli zou maken.Tacitus, Historiën, 2.91

Achtergrond De Senones waren een van de verschillende Gallische stammen die recentelijk Noord-Italië waren binnengevallen. Ze vestigden zich op de Adriatische kust bij Ariminum (nu Arimini). Volgens Livius werden ze om hulp geroepen naar het Etruskische dorp Clusium (nu Chiusi, Toscane) door Aruns, een invloedrijke jongeman van de stad die wraak wilde nemen op Lucomo, die "zijn vrouw ontuchtigd had."Livius, Ab Urbe Condita, 5.33 Toen de Senones aankwamen bij Clusium, riepen de inwoners Rome om hulp. De Romeinen zonden de drie zonen van Marcus Fabius Ambustus, een van Romes machtigste aristocraten, als ambassadeurs. Ze vertelden de Galliërs dat ze Clusium niet mochten aanvallen en als ze dat toch deden, de Romeinen zouden vechten om het dorp te verdedigen. Daarna vroegen ze om een vredesverdrag te sluiten. De Senones accepteerden het vredesvoorstel als de Clusiërs hen wat land zouden geven. Hier ontstond echter ruzie over en er brak een gevecht uit. De Romeinse ambassadeurs sloten zich ook aan bij het gevecht. Een van hen doodde een stamhoofd van de Senones. Dit was een schending van de regel die zei dat ambassadeurs neutraal moesten blijven. De broers hadden hun kant gekozen en een van hen had ook een van de Senones gedood. De Galliërs trokken zich terug om te overleggen wat ze nu moesten doen.Livius, Ab Urbe Condita, 5.36

Volgens Dionysius van Halicarnassus was Lucumo de koning van Clusium. Hij gaf de voogdij van zijn zoon aan Aruns voor hij stierf. Toen de zoon volwassen werd, werd hij echter verliefd op de vrouw van Aruns en verleidde haar. De boze Aruns ging daarna naar Gallië om wijn, olijven en vijgen te verkopen. De Galliërs hadden zo'n producten nog nooit gezien en vroegen Aruns waar deze geproduceerd werden. Hij antwoordde dat ze kwamen uit een groot en vruchtbaar land, bewoond door slechts enkele mensen die geen goede vechters waren. Hij adviseerde hen om die mensen te verdrijven van hun land en de vruchten te beschouwen als die van hen zelf. Zo overtuigde hij hen om naar Italië te gaan, naar Clusium, en om oorlog te voeren. Dionysius' verslag suggereert dus dat de Galliërs Italië nog niet waren binnengevallen en zich nog steeds in Gallië bevonden. Hierna zonden ook de Romeinen ambassadeurs naar Rome, waaronder Quintus Fabius en zijn twee broers, de drie zonen van Marcus Fabius Ambustus. Het zinde de Romeinen niet dat de Galliërs op expeditie zouden gaan in Italië, en daarom doodde Fabius een Gallische leider.Dionysius van Halicarnassus, Antiquitates Romanae, 13-10-12

Toen er ambassadeurs van de Senones aankwamen in Rome en vroegen dat de drie gebroeders Fabii overgeleverd zouden worden aan hen, wilde de Senaat echter geen actie ondernemen tegen het machtige Gens Fabia. Om niet de schuld te kunnen krijgen van een mogelijke nederlaag als de Galliërs zouden aanvallen, brachten ze de zaak voor het volk. Livius schreef dat "zij die werden gevraagd welke straf zij moesten krijgen werden aangesteld als Tribunus militum consulari potestate (Krijgstribunen met consulair gezag) voor het komende jaar." Het volk van Rome wilde Quintus Fabius echter niet berechten omdat hij deel uitmaakte van het alom gerespecteerde Gens Fabia, die in Rome als echte helden werden beschouwd. De Galliërs waren echter woedend toen degenen die de volkerenwet hadden geschonden geëerd werden en daarop marcheerden ze op tegen Rome, 130 km verwijderd van Rome. Livius schreef dat "als reactie op de opschudding veroorzaakt door hun snelle mars, haastten doodsbange steden zich te wapen en het plattelandsvolk vluchtte, maar de Galliërs toonden aan door hun geroep dat hun bestemming Rome was."Livius, Ab Urbe Condita, 5.37

Grootte van de legers thumb|De Gallische leider Brennus, zoals hij afgebeeld wordt op het boegbeeld van het Franse gevechtsschip genoemd naar hem.

Het is niet zeker hoeveel mannen hebben meegedaan aan de slag. Plutarchus schrijft dat de Romeinen niet minder mannen hadden dan de Galliërs en dat ze 40.000 man hadden, maar de meesten waren niet getraind en niet gewend aan het gebruik van wapens.Plutarchus, Parallelle Levens, Camillus, 18.4 Dionysius van Halicarnassus schrijft dat de Romeinen vier goedgetrainde legioenen hadden en een lichting ongetrainde burgers die meer mannen bevatte. Dat zou ongeveer 35.000 man geven. Diodorus Siculus schrijft dat de Romeinen 24.000 mannen hadden.Diodorus Siculus, Bibliotheca historica, 14,114.3 Livius geeft geen aantallen. Moderne historici schatten dat de Romeinen 15.000 man hadden en de Galliërs 30 tot 70.000. Berresford Ellis geeft een schatting van minstens 24.000 man: "de Romeinen hadden... vier legioenen – want elke consul had twee legioenen onder zijn leiding – en gegeven dat elk legioen 6.000 man had." Hij denkt ook dat er een contingent van geallieerde troepen aanwezig was. Hij denkt dat het "het Senoonse stammenleger bijna niet meer dan 12.000 man geteld kan hebben."

De aantallen gegeven door de antieke historici voor de grootte van het Romeinse leger zijn weinig aanneembaar, want ze staan bekend om het overdrijven van aantallen. In tegenstelling tot wat Berresford Ellis zegt, hadden de Romeinen op dat moment slechts twee legioenen. Het aantal legioenen werd niet vergroot tot later in die eeuw, tijdens de Tweede Samnitische Oorlog (326-304 v.Chr.), en de eerste vermelding van vier legioenen komt uit 311 voor Christus.Livius, 9.30 Op dat moment hadden de Romeinen ook extra militaire commandanten: de praetors, die werden toegevoegd in 366 v.Chr. en de proconsuls, consuls die een verlenging van zijn ambt als militair commandant kreeg (dit gebruik startte in 327 v.Chr.). De eerste historische hints van consuls die meer dan een legioen leidden waren in 299 v.Chr. (tijdens een oorlog met de Etrusken) en 297 voor Christus, tijdens de Derde Samnitische Oorlog (298-290 v.Chr.). De eerste expliciete vermelding van een consul met twee legioenen is in 296 voor Christus. In 295 v.Chr. konden de Romeinen zes legioenen inzetten, vier geleid door de twee consuls, om te vechten tegen een coalitie van vier volkeren (de Samnieten, Etrusken, Umbriërs en Senones) in de grote slag bij Sentinum. Twee werden geleid door een praetor.Livius, Ab Urbe Condita, 10.11, 14, 18, 26-27 De slag bij de Allia vond echter plaats tijdens de vroegere dagen van Rome, wanneer het consulschap soms verwisselde met jaren waarin Rome werd geleid door Tribuni militum consulari potestate. In 390 v.Chr. waren er echter 6 Tribuni militum consulari potestate aan de leiding. Daarom is Berresford Ellis' bewering dat de Romeinen in de slag aan de Allia vier legioenen hadden, twee voor elke consul, twee keer een anachronisme. Verder hadden de Romeinse legioenen slechts 6.000 man bij enkele uitzonderlijke situaties. In de vroege dagen van de Republiek, toen de slag aan de Allia plaatsvond, was dat 4.200 man. Later werd het 5.200 man op volle sterkte (de legioenen waren dikwijls niet op volle sterkte). Daarom is het aannemelijk dat het Romeinse leger kleiner was dan hoe het dikwijls beschouwd wordt.

Er moet ook gekeken worden naar de bevolking van Rome op dat moment. In haar vroege dagen was Rome nog steeds een stadstaat met enkel belang op regionale schaal, en haar gebied reikte niet verder dan 50 km van de stad. Cornell zegt dat de bevolking van Rome in de late zesde eeuw voor Christus, gebaseerd op de grootte van haar grondgebied, geschat 25-50.000 man was, maar denkt dat het aannemelijker is om 25-40.000 man te zeggen. Het rudimentaire werk van Fraccaro geeft een militaire slagkracht van 9.000 strijdbare mannen van de juiste leeftijd.Fraccaro P, in Atti II del Congresso nazionale di studi Romani 3, 1931, pp. 91-7 (tussen 17 en 47), wat een minimaal bevolkingsaantal van 30.000 man zou betekenen.Cornell T.J, The Beginnings of Rome, p. 207

Archeologisch bewijs toont dat in de 5de eeuw v.Chr. er een economische neergang was. Dat zou betekenen dat er daarvoor een grote bevolkingsgroei geweest was. Het gebied van Rome was vergroot met 75% tegen de 4de eeuw voor Christus,Beloch, Römische Geschichte bis zum Beginn der punischen kriege, 1926, p. 320 maar de enorme groei werd veroorzaakt door de recente verovering van de stad Veii en haar grondgebied, en haar bevolking had echter niet het Romeinse burgerrecht, wat een vereiste was om te dienen in het Romeinse leger. Zulke overwegingen maken het onwaarschijnlijk dat de grootte van de bevolking Romeinse burgers groot genoeg was om te zorgen voor een leger van 24.000 of meer soldaten tegen de tijd van de slag aan de Allia.

Toegevoegd aan wat hierboven vermeld is, wat nog meer redenen geeft om te twijfelen over de grootte van het Romeinse leger bij de slag aan de Allia, is het nog niet vermeld dat de Romeinen niet veel tijd hadden om zich goed voor te bereiden op de slag nadat hun ambassade van de Romeinen werd afgewezen, want de Romeinen begonnen onmiddellijk op te marcheren op Rome, dat slechts op enkele dagen marcheren lag van Clusium. Het Romeinse leger was op dat moment een halftijds burgerleger van boeren geworven voor het militaire seizoen om daarna terug te keren naar hun boerderijen. Niet alle mannen die oud genoeg waren om te dienen in het leger werden elk jaar opgeroepen. Enkele soldaten kunnen op een tamelijk grote afstand van Rome gewoond hebben en hadden dus een tijd nodig hadden om daarnaartoe te wandelen (wandelen was de belangrijkste manier van reizen voor boeren).

De grootte van het leger van de Senones mag echter ook niet overschat worden. De schatting gegeven door Cary en Scullard van 30-70.000 man (zie boven) is hoogst onwaarschijnlijk. Berresford Ellis wijst er terecht op dat zelfs een aantal van 12.000 man tamelijk groot zou zijn voor slechts een enkele stam.

De slag thumb|Slag aan de Allia door G. Surand. Er zijn slechts twee antieke verslagen die de details van de slag bevatten. Een ervan is geschreven door Livius, de andere door Diodorus Siculus.