thumb|Schematische doorsnede van het iguanodonzinkgat in Bernissart De Iguanodon bernissartensis-beenderlagen werden in 1878 door mijnwerkers ontdekt in een doline (de Cran aux Iguanodons) in de steenkoolmijn Sainte-Barbe van het dorp Bernissart op vijftien kilometer van Bergen in de Belgische provincie Henegouwen, in het Bekken van Bergen. De beenderlagen bevatten de resten van minstens drieënveertig specimina van onder meer de ornithopode dinosauriër Iguanodon bernissartensis Boulenger 1881, met vijfentwintig bijna volledige tot relatief volledige skeletten (meer dan 60% van het totale aantal skeletelementen) en achttien onvolledige skeletten of fragmentarisch materiaal. Ze zijn ongeveer 126 tot 125 miljoen jaar oud en dateren dus uit het Bovenste-Barremien tot Onderste-Aptien in het Onder-Krijt.Dejax, J., D. Pons, and J. Yans. 2007a. Palynology of the dinosaur-bearing Wealden facies sediments in the natural pit of Bernissart (Belgium). Review of Palaeobotany and Palynology 144: 25-38.Dejax, J., E. Dumax, F. Damblon, and J. Yans. 2007. Palynology of Baudour Clays Formation (Mons Basin, Belgium): correlation within the "stratotypic" Wealden. Carnets de Géologie M01/03: 16-26.Dejax, J., D. Pons, and J. Yans. 2008. Palynology of the Wealden facies from Hautrage quarry (Mons Basin, Belgium). Memoirs of the Geological Survey 55: 45-52.
Ontdekkingsgeschiedenis Ontdekking van Iguanodon bernissartensis thumb|Afgietsel van een skelet van Iguanodon bernissartensis in de grote zaal van Le musée de l'Iguanodon te Bernissart. thumb|left|Dieptekaart van koollaag Luronne met steengangen (bouveaux) op 322m en 356m diepte (1898) In het voorjaar van 1878 ontdekte mijnwerker Jules CretteurCordier, S. (2017). De botten van de Borinage. De Iguanodons van Bernissart, van 125 miljoen voor Christus tot vandaag. Sandra Cordier en Uitgeverij Vrijdag, 183 p. . de eerste beenderen van Iguanodon bernissartensis in de grijze opvullingssedimenten en in het puin van de doline Cran aux Iguanodons die onder meer de steenkoollaag Luronne doorsneed. Op 28 februari 1878 bevonden mijnwerkers zich op een diepte van 322 meter in een nieuwe, horizontale exploratiesteengang die vertrok vanuit schacht 3 van de Fosse Sainte-Barbe van de Charbonnages de Bernissart S.A. Deze exploratiesteengang doorsneed 35 meter ten zuiden van de Luronnegalerij geplooide brecciegesteenten uit het Silesien (Boven-Carboon) met bruinkoolfragmenten, kleine pyriet-aders en smalle banden wit zand. Op een bepaald ogenblik stuitten de mijnwerkers op de opvulling van een karstpijp, de Cran aux Iguanodons. Deze opvulling bestond uit bruinkoolhoudende klei met een opvallende compactheid en gelaagdheid en uit steenkoolpuin, schalie en steenkoolhoudende zandsteen. De opvulling verspreidde een sterke moerasgeur; er was gevaar voor overstromingen.
Op 1 maart 1878 daalden ingenieur Léon Latinis, hoofdopzichter Cyprien Ballez en mijndirecteur Gustave Fagès in de mijn af om de situatie in ogenschouw te nemen. Men besloot door de cran heen te graven om aan de andere zijde weer contact te zoeken met de koollaag Luronne. Opzichter Motuelle en de mijnwerkers Jules Cretteur en Alphonse Blanchard kregen de opdracht om de exploratiesteengang door de sedimenten van de Cran aux Iguanodons heen voort te zetten. Al tijdens de maand maart 1878 werden door Cretteur en Blanchard fragmentarische beenderen en tanden ontdekt.Reeds vanaf 1877 zouden fossiele beenderen in de mijn aangetroffen zijn zonder dat er verdere aandacht aan besteed werd. Verschillende keren is in de literatuur vermeld dat 1877 het eigenlijke jaar van ontdekking is (nota van Dupont, 1897). Deze worden bewaard in de paleontologische verzameling van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen en dragen het label "resten van de eerste Iguanodon, maart 1878". Aan deze fossielen werd weinig aandacht besteed omdat men aanvankelijk dacht met versteend hout te maken te hebben.
Op 1 april 1878 drong de ploeg regelmatige, hellende afzettingen binnen. Fagès besloot Latinis en Ballez op 5 april in de exploratiesteengang te vergezellen om de afzettingen te controleren. Tijdens deze controle bemerkte Fagès een lang voorwerp met een ovale dwarsdoorsnede en een vezelig oppervlak. Sommigen dachten dat het een fossiele tak was van een eik. Fagès grapte dat het een rib van Adam was. Jules Cretteur merkte op dat hij al een groter fossiel gevonden had dan de "fossiele tak", en enkele ogenblikken later ontdekte de ploeg beenderen van ledematen. Op 5 april 's avonds brachten mijnwerkers verschillende stukken fossiel naar café Dubruille in Bernissart. Na tien meter in de Cran aux Iguanodons te zijn doorgedrongen, stootten Cretteur en Blanchard in de nacht van 5 op 6 april met hun houwelen op zwarte, zeer harde stukken waarvan ze aanvankelijk dachten dat het "boomstronken waren gevuld met goud". Maar de "boomstronken" waren fossiele beenderen en het "goud" was in de beenderholten uitgekristalliseerd pyriet. Door de slechte verlichting hadden de mijnwerkers zonder het te beseffen door de ribbenkast van een Iguanodon gehakt. Op 6 april vroeg Fagès aan Ballez om alle stukken bot naar boven te brengen en het einde van de exploratiesteengang af te sluiten. Om de steenkoollaag zelf terug te vinden, diende men later een omtrekkende beweging van tachtig meter te maken.
Dertig jaar later, in een vruchteloze poging om een pensioen te verkrijgen, deed Jules Cretteur later zijn verhaal in een brief van 16 juni 1908, gericht aan de minister van Nijverheid en Arbeid:
"...nauwelijks waren we met onze mijngang begonnen of we merkten dat we ons niet meer in een steenkoollaag bevonden en dat we op klei, rotsen en puin van alle aard gestoten waren, die een sterke moerasgeur verspreidden. Wij drongen een kloof binnen waar het door overstromingen gevaarlijk kon zijn en wanneer we met onze houwelen een tiental meter gevorderd waren, ontdekten we nog iets veel ongewoner. Wat we voor ons hadden, was te zwart om steen te zijn en te hard om hout te zijn. De stukken die we losmaakten leken op boomstronken van zwart gemaakt hout (...) Nieuwsgierig en geïntrigeerd wilde ik me ervan vergewissen waar we ten koste van grote inspanningen doorgehakt hadden. Ik vond dat de boomstronken, die alle van dezelfde dikte, en zwart, glad, zwaar, en heel hard waren, op ribben leken, meer afgerond dan die van onze ossen (...) Toezichthouder Destrebecq, die naderbij was gekomen, luisterde aandachtig naar mij, onderzocht op zijn beurt de stukken, en zei me dat ik ze allemaal moest verzamelen en er een mand mee moest vullen voor het bureel..."
thumb|links|Afgietsel van de schedel van Iguanodon bernissartensis waaraan duidelijk de invloed van uitgekristalliseerd pyriet (de "pyrietziekte") te zien is (Muséum national d'Histoire naturelle, Parijs) Na de ontdekking door Cretteur en Blanchard werden tijdens het afvoeren van de opvulling van de Cran aux Iguanodons steeds meer fossiele beenderen gevonden. Mijnopzichter Motuelle toonde op 5 april 1878 's avonds in het café Dubruille vlak bij de Cran aux Iguanodons enkele van de stukken die Cretteur verzameld had aan mijnarts Lhoir. Deze identificeerde ze als fossiele beenderen. De directie van de mijn zond op 7 april Latinis naar Mons om de fossielen aan de Belgische geoloog François-Léopold Cornet te laten zien, die echter niet thuis bleek. Latinis overhandigde de fossielen aan Cornets jonge zoon Jules. Op 8 april arriveerde Cornet te Bernissart en sprak met Latinis. Fagès bevond zich op dat moment met Ballez in de Fosse Sainte-Catherine. Cornet onderzocht de fossielen en begreep hun uitzonderlijke belang. Op 10 april informeerde hij de Belgische zoöloog en paleontoloog Pierre-Joseph van Beneden van de Katholieke Universiteit Leuven dat Latinis, die een student van Van Beneden geweest was, te Bernissart fossiele beenderen ontdekt hadJules Cretteur en Alphonse Blanchard kregen, hoewel de feitelijke ontdekkers, als enigen geen enkele erkenning. Verschillende soorten in de paleofauna van Bernissart werden naar hoog geplaatste personen van de Charbonnages de Bernissart S.A. vernoemd. en zond er hem enkele die hem door zijn zoon Jules bezorgd waren. Aan de hand van tanden identificeerde Van BenedenVan Beneden zou op 7 mei 1878 de vondst te Bernissart voor de Académie royale de Belgique aankondigen. de vondst als het dinosauriërgeslacht Iguanodon dat in 1825 al beschreven was uit het Wealdiaan van bijvoorbeeld het Zuid-Engelse Cuckfield in West Sussex, in het gebied van Tilgate Forest. Op 12 april vertrok Fagès naar Mons om provinciaal mijninspecteur en hoofdingenieur van de "Mines du Hainaut" Gustave Arnaut te ontmoeten. Deze zond onmiddellijk een telegram naar Édouard Dupont, directeur van het Musée Royal d'Histoire naturelle de Belgique in Brussel: Découverte importante. ossements dans faille charbonnage Bernissart se décomposent par pyrite. envoyer Depauw demain pour arriver station Mons huit heures matin. y serai. urgent. Gustave Arnaut.'Belangrijke ontdekking in de steenkoolmijn van Bernissart van beenderen die uiteenvallen door pyriet. Zend Depauw naar het station van Mons. Aankomst om acht uur 's morgens. Ik zal er zijn. Dringend. Gustave Arnaut.'
Op 13 april 1878 ontmoette Louis F. De Pauw, assistent van Dupont en hoofdpreparateur van het museum in Brussel, Arnaut te Blaton van waaruit zij naar Bernissart vertrokken. De Pauw had veel ervaring in het opgraven en prepareren van fossiele vertebraten. Fagès liet hun enkele beenderen zien waarin De Pauw onder meer twee teenkootjes en een wervellichaam herkende. De Pauw daalde af en rapporteerde in 1902 dat de wanden van de exploratiesteengang volledig met fossiele beenderen, fossiele planten en fossiele vissen bedekt waren. Weldra legden Cretteur, Blanchard, Motuelle en Ballez een volledige achterpoot bloot die zij op een plank bedekt met stro naar boven wilden brengen. Maar na slechts driehonderd meter begonnen de beenderen door de grote hoeveelheden pyriet uit elkaar te vallen bij het contact met de lucht in de mijngangen. De Pauw dekte het grootste overblijvende stuk met zijn eigen kleren af en Ballez en Motuelle brachten de fossielen naar boven. Het chemisch fenomeen waardoor de beenderen van de Iguanodons van Bernissart dreigden verloren te gaan, werd bekend onder de naam "pyrietziekte". Kristallijn pyriet in de beenderen werd geoxideerd tot ijzersulfaat. Het gevolg was dat het volume toenam waardoor de beenderen barstten en verbrokkelden. Wanneer de beenderen zich in de vochtige, zuurstofvrije kleisteenmatrix bevonden, waren ze afgeschermd van de lucht. De Pauw besefte dat voor de extractie van de pyriethoudende fossielen speciale technieken noodzakelijk zouden zijn. Hij verpakte de verzamelde beenderen in een kist vol met zaagsel en bracht deze naar Brussel. In de ateliers van het Musée Royal d'Histoire naturelle de Belgique slaagde hij erin om de beenderen met gelatine te verstevigen. Ondertussen vulde Latinis in de Cran aux Iguanodons nog elf kisten met fossielen. Dankzij de snelle interventie van het museum werd het opzoeken en opgraven van de beenderen, wat in totaal drie jaar zou duren, methodisch uitgevoerd.
Systematische opgravingen thumb|links|Tekening door Gustave Lavalette van Iguanodon bernissartensis (9 januari 1885). Op de tekening zijn duidelijk de afgetekende blokken te zien waarin het skelet op het terrein verdeeld werd om het na het minutieus uittekenen op het opgravingsplan uit de kleisteen van de Cran aux Iguanodons van Bernissart los te maken. thumb|Tekening door Gustave Lavalette van Mantellisaurus atherfieldensis (juli 1882), specimen 'T RBINS R57',oorspronkelijk Iguanodon mantelli, zoals het skelet aangetroffen werd in de "Wealdiaanse" kleisteen van de Cran aux Iguanodons te Bernissart.