Hongaarse naamvallen en uitgangen (achtervoegsels of suffixen) geven in de meeste gevallen de grammaticale functie van een woord in een zin aan. Het Hongaars heeft een twintigtal naamvallen. De verschillende bijbehorende uitgangen kunnen in veel gevallen achter elkaar worden "geplakt". Om deze reden wordt Hongaars een agglutinatieve taal genoemd. Woorden kunnen daardoor lang worden.
Er zijn twee categorieën van uitgangen te onderscheiden: de verbuigingsuitgangen en de afleidingsuitgangen. De verbuigingsuitgangen hebben een functie bij de vorming van naamvallen, de lokaalsuffixen (naamvalachtige uitgangen voor plaats en richting), de vorming van meervouden, en de bezitsaanduidingen. Daarentegen spelen de afleidingsuitgangen een rol bij de woordvorming, waarbij bijvoorbeeld werkwoorden omgevormd worden tot naamwoorden of naamwoorden tot werkwoorden.
Naamvallen en uitgangen
De verbuigingsuitgangen worden geplaatst achter naamwoorden, zoals zelfstandige naamwoorden, zelfstandig gebruikte naamwoorden en telwoorden. Er zijn uitgangen voor de naamvallen en onder andere voor aanduiding van plaats, richting, modaliteit en tijd. (2002) § 3.6., p. 24. Nouns. Case. Functions
Groepen De uitgangenN.B.: De uitgangen worden soms door verschillende auteurs tot verschillend genoemde naamvallen gerekend. worden gebruikt in het geval van syntactische naamvallen (nominatief, datief en accusatief) lokaalsuffixen: uitgangen voor plaats en richting (ablatief, adessief, allatief, delatief, elatief, illatief, inessief, sublatief en superessief) uitgangen voor modaliteit, weer onderverdeeld in twee subgroepen en een restgroep: instrument, doel en resultaat (associatief, causalis-finalis en instrumentalis) tijdssuffix (temporalis, terminatief en distributief-temporalis) restgroep
Toepassing Naamvalsuitgangen worden onder andere toegepast bij: zelfstandige naamwoorden zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden Voorbeeld: a piros = de rode, a pirosban = in de rode, A pirosat kérem = ik wil de rode zelfstandig gebruikte telwoorden Voorbeeld: hármas = nummer drie, A hármast kérem = ik wil de nummer drie; Voorbeeld: sok = veel - több = meer, Sokat hallottam, többet láttam = veel hoorde ik, meer zag ik voornaamwoorden, als: sommige persoonlijke voornaamwoorden Voorbeeld: Ön = U, Önnek = aan/voor U; Maga = U, Magával = met U Afwijkingen bij zelfstandig gebruik van de uitgang met een persoonsuitgang: én = ik, nekem = aan/voor mij; veled = met jou vraagwoorden Voorbeelden: mi = wat, miben = waarin; ki = wie, kivel = met wie; melyik = welke, melyiket = welke betrekkelijk voornaamwoordenDe betrekkelijk voornaamwoorden kunnen gevormd worden uit vragend voornaamwoorden door a- ervoor te plaatsen Voorbeelden: ami = wat, amiben = waarin; aki = wie, akivel = met wie; amelyik = welke, amelyiket = welke aanwijzend voornaamwoorden Voorbeelden: ez = dit/deze, az = dat/die, ezek = deze (meervoudsuitgang), ezzel = met deze , ezekkel = met deze
Keuze De te kiezen juiste vorm van de uitgang hangt af van de stam, de uitgang en de klinkers (in verband met de klinkerharmie). Stam: het type van de stam, waarachter de uitgang wordt geplaatst standaard (eindigend op een medeklinker, niet verlagend), of eindigend op een klinker, of verlagend Uitgang: het type uitgang aantal mogelijke vormen (1-harmonisch, 2-harmonisch, 3-harmonisch) veranderlijkheid beginnend met een instabiele klinker, of beginnend met een , Klinkerharmonie: de regels van de klinkerharmonie.
Klinkerharmonie Op grond van het gedrag bij klinkerharmonie zijn er zijn drie typen uitgangen te onderscheiden. onveranderlijke uitgangen Voorbeelden: -kor = om, -ig = tot, -ért = wegens twee-harmoniserende uitgangen Voorbeelden: -ban/-ben</span> = in, -nak/-nek</span> = aan, voor, -val/-vel</span> = met drie-harmoniserende uitgangen Voorbeelden: -hoz/-hez/-höz</span> = bij, -szor/-szer/-ször</span> = maal, keer, -ok/-ek/-ök</span> (meervoudssuffix)
Syntactische naamvallen De syntactische naamvallen, de 1ste naamval (nominatief), de 3de naamval (datief) en de 4de naamval (accusatief) worden veelal toegepast bij naamwoorden, zoals bij zelfstandige en bijvoegelijke naamwoorden, aanwijzende en vragende voornaamwoorden en bij telwoorden.
De syntactische naamvallen omvatten in het Hongaars: 1ste naamval (nominatief) voor het onderwerp van een zin; voor deze naamval is er geen uitgang. 2de naamval (genitief) ontbreekt in het Hongaars. De functie daarvan worden overgenomen door de bezitsuitgangen. 3de naamval (datief) voor het meewerkend voorwerp (aan of voor). 4de naamval (accusatief) voor het object of lijdend voorwerp. De 3de naamval wordt aangegeven door de uitgang -nak/-nek</span> achter de stam te zetten; er zijn twee stabiele harmonische vormen (waarvan de keuze wordt bepaald door de klinkerharmonie).
De 4de naamval wordt aangegeven door de uitgang -ot/-et/-öt</span>, -at/-et</span>, -t achter de stam te zetten. <div style="font-size:90%;line-height:125%;"> Welke vorm gebruikt wordt is afhankelijk van de situatie: <li value=1> Bij een standaard niet-verlagende stam, die eindigt op een medeklinker, wordt de accusatief aangegeven met de standaarduitgangen -ot/-et/-öt</span> (waarvan de keuze wordt bepaald door de klinkerharmonie). Voorbeelden zijn: napot = dag, zon, szemet = oog, bőröndöt = koffer
<li value=2> Bij een verlagende stam worden de beginklinkers van de uitgangen verlaagd van -ot/-et/-öt</span> tot -at/-et</span> (waarvan de keuze wordt bepaald door de klinkerharmonie). Dit komt voor achter meervoudsuitgangen, bijvoorbeeld: dobokat = trommels, bőröndöket = koffers bezitsuitgangen, zoals: a dobunkat = onze trommel, a bőröndömet = mijn koffer zelfstandig gebruikt bijvoeglijke naamwoorden, bijvoorbeeld: iszom a pirosat és a fehéret = ik drink de rode en de witte. achter veel zelfstandige naamwoorden; zie daarvoor woordenboek. Voorbeelden zijn: fogat = tand, fület = oor.
<li value=3> De uitgang wordt bij overige stammen -t (en vervalt dus de instabiele beginklinker van de uitgang) als de stam eindigt op een klinker, bijvoorbeeld: kocsit = auto, fésűt = kam, kést = mes achter een niet-verlagende stam, eindigend op een klinker plus eindmedeklinker(s): -sz, -z, -s, -zs, -j, -ly, -l, -r, -n, -ny, ssz, zz, ss, ll, rr, nn, nny, ns, nsz en nz: bij een niet-klinkerverliezende stam, bijvoorbeeld: részt = deel, sulyt = gewicht, bort = wijn echter: bij een klinkerverliezende stam, verschijnt de instabiele beginklinker van de uitgang (-ot/-et/-öt</span>).Voorbeelden zijn: torony → tornyot = toren, eper → epret = aardbei, tükör → tükröt = spiegel </div>
De Hongaarse syntactische naamvallen bij enkele voornaamwoorden syntactische naamvallen ↓ voornaamwoorden: ↓ naamval gebruik uitgang persoonlijkvoornaamwoord aanwijzendvoornaamwoord vragendvoornaamwoord 1 naamval,nominatief onderwerp(subject)ø 1. én 11. mi 2. te 22. ti 3. ő 33. ők 3. Ön 33. Önök 3. Maga 33. Maguk ev. az ez mv. azok ezek dat dit die deze ev. mi? ki? mv. mik? kik? wat? wie? 3 naamval,datief "aan"/"voor"meewerkendvoorwerp -nak/-nek</span> 1. nekem 11. nekünk 2. neked 22. nektek 3. neki 33. neki 3. Önnek 33. Önöknek 3. Magának 33. Maguknak ev. annak ennek mv. azoknak ezeknek daarvoordaartoe hiervoordaartoe ev.mv. minek?miknek? kinek?kiknek? waarvoor?aan wat? voor wie?aan wie? 4 naamval,accusatief lijdendvoorwerp(object) -ot/-et/-öt</span>(-at/-et</span>)(-t)</span> 1. engem 11. bennünket,minket 2. téged 22. titeket 3. őt 33. őket 3. Önt 33. Önöket 3. Magát 33. Magukat ev. azt ezt mv. azokat ezeket wat? dat dit die deze ev. mit? kit? mv. miket? kiket? wat? wie?
De vorm van de uitgangen voor het lijdend voorwerp zijn afhankelijk van de stam, waarachter ze geplaatst worden. Bij verlagende stammen zijn er slechts 2 vormen om uit te kiezen, en achter een klinker en achter bepaalde medeklinkers (van niet verlagende stammen) vervalt de beginklinker van de uitgang.
Naamvallen voor plaats en richting Uitgangen van plaats en richting (lokaalsuffixen) worden gebruikt in de plaats waar in het Nederlands bepaalde voorzetsels (in, op, bij, ...) staan. Ze kunnen systematisch worden ingedeeld in groepjes van drie, waarbij onderscheid is tussen: de richting ernaartoe (antwoord op de vraag: hová? = waarheen?), de aanduiding van plaats (antwoord op de vraag: hol? = waar?), en de richting ervandaan (antwoord op de vraag: honnan? = waarvandaan?).
Plaats en richting-bepalende uitgangen komen voor een groot deel in hun betekenis overeen met de voorzetsels in het Nederlands. Ze komen voor in twee</span> of drie</span> harmonische vormen. Veelal geven deze uitgangen plaats of richting aan, maar in enkele gevallen gaan ze samen met bepaalde werkwoorden. De uitgangen worden geplaatst achter een eventuele bezitsuitgang of meervoudsuitgang Voorbeeld: a házban in het huis; házamban in mijn huis; a házakból de huizen uit.
Een vollediger overzicht geeft onderstaande tabel, waarin met de antwoorden op de vragen hova? = waarheen?, hol? = waar? en honnan? = waarvandaan? de verschillende naamvallen zijn gegroepeerd: Hongaarse lokaal-naamvallen bij enkele voornaamwoorden plaats- & richtingsuitgangen (lokaalsuffixen) ↓ voornaamwoorden: ↓ groep,algemenebetekenis↓ hová?waarheen?↓ hol?waar?↓ honnan?waar-vandaan? persoonlijk voornaamwoord
hová?waar-heen? hol?waar? honnan?waar-vandaan? aanwijzend voornaamwoord hová?waar-heen? hol?waar? honnan?waar-vandaan? vragend voornaamwoord hová?waar-heen? hol?waar? honnan?waar-vandaan? "in",(~binnen) illatief
-ba-be inessief
-ban-ben elatief
-ból-ből 1. 2. 3.11.22.33. belémbelédbelébelénkbelétekbeléjük bennembennedbennebennünkbennetekbennük belőlembelőledbelőlebelőlünkbelőletekbelőlük abba abban abból ebbe ebben ebből mibe? miben? miből? kibe? kiben? kiből? "op"(~dichtbij) sublatief
-ra-re superessief
-on-en-ön delatief
-ról-ről 1. 2. 3.11.22.33. rámrádráránkrátokrájuk rajtamrajtadrajtarajtunkrajtatokrajtuk rólamróladrólarólunkrólatokróluk arra azon arról erre ezen erről mire? min? miről? kire? kin? kiről? "bij",(~buiten) allatief
-hoz-hez-höz adessief
-nál-nél ablatief
-tól-től 1. 2. 3.11.22.33. hozzámhozzádhozzáhozzánkhozzátokhozzák náladnáladnálanálunknálatoknáluk tőlemtőledtőletőlünktőletektőlük ahhoz annál attól ehhez ennél ettől mihez? minél? mitől? kihez? kinél? kitől? "tot/tot aan"(plaats en tijd) terminatief--ig ø ameddig addig eddig
Addig nyújtózkodj,ameddig a takarója ér! meddig? Voor het aangeven van plaats of richting zijn er ook postposities of achterzetsels. Deze worden los achter het bijbehorende woord geplaatst en vertonen geen klinkerharmonie. Voorbeelden: a ház mögött achter het huis, a kert előtt voor het tuin De uitgangen, achtervoegsels en de achterzetsels kunnen onderling vaak gecombineerd worden tot zelfstandige eenheden. Voorbeelden: benne in hem/er in, mögöttem achter mij, velünk = met ons.
Naamvallen voor tijd Er zijn twee naamvallen die verband houden met de tijd: De terminatief met de vorm -ig is niet-harmonisch. . Tot / tot aan (voor tijdstip of voor plaats) wordt aangegeven door -ig (terminatief) achter de stam te zetten. Deze uitgang is stabiel en er is dus geen klinkerharmonie. Voorbeelden: Meddig? = Tot wanneer? / Tot hoever?; Mettől meddig? = Van wanneer tot wanneer?; Négyig = Tot vier (uur); Budapestig = tot Boedapest
De temporalis met de vorm -kor is niet-harmonisch. Om (tijdstip) wordt aangegeven door -kor (temporalis) achter de stam te zetten. Deze uitgang is stabiel (er is geen klinkerharmonie). Voorbeelden: Mikor? = Wanneer?; Hány órakor? = Hoe laat?; Ötkor / Öt órakor = Om vijf / Om vijf uur; Gyermekkor = ten tijde van de kinderleeftijd.
De distributief-temporalis met de vormen -onta/-ente/-önte en na een klinker -nta/-nte heeft drie of twee harmonische vormen. Deze is vergelijkbaar met de distributief, maar heeft alleen betrekking op de tijd.