thumb|300px|Traject van de spoorweg (zwarte lijn) thumb|300px|Aankomst van de eerste locomotief in Leopoldstad (1898) De Compagnie du Congo pour le commerce et l'industrie, kortweg Compagnie du Congo of CCCI, was de eerste grote onderneming in de Onafhankelijke Congostaat. De CCCI was een groot conglomeraat dat actief was in de Congo-Vrijstaat, Belgisch-Congo en later de Democratische Republiek Congo. De dochterondernemingen hielden zich tussen 1887 en 1971 bezig met een breed scala aan activiteiten in Congo, waaronder spoor- en riviertransport, mijnbouw, landbouw, bankwezen en handel. Het was jarenlang de grootste commerciële onderneming in Congo. In de daaropvolgende jaren onderging het verschillende fusies, waarna de opvolger Finoutremer in 2000 werd geliquideerd.

Geschiedenis De Compagnie du Congo werd opgericht door Albert Thys in 1886 om een spoorlijn te bouwen tussen Matadi en Leopoldstad. Tussen deze plekken was de Congostroom over een afstand van 350 km onbevaarbaar, vanwege de Livingstonewatervallen en de watervallen van Inga. De link was cruciaal om het koloniale project van de grond te krijgen. Koning Leopold II stond op het punt om de opdracht toe te kennen aan de Congo Railway Co, voorgesteld door een syndicaat uit Manchester dat de benodigde 25 miljoen frank kon mobiliseren. De energieke Thys, ordonnantieofficier van de koning en functionaris van de Congo-Vrijstaat, stelde alles in het werk om de vorst te overtuigen dat de middelen ook in België te vinden waren.Brief aan zijn vrouw, geciteerd in Pierre SALMON, Lettres d'Albert Thys à son épouse, 1887-1888. In een eerste fase had hij 1 miljoen frank nodig om het voorbereidende werk te doen. Hij verzamelde 278 aandeelhouders die op 27 december 1886 de statuten van de CCCI goedkeurden (startkapitaal: 2.000 aandelen van 500 frank). De stichtingsvergadering vond plaats op 9 februari in het Beurspaleis. Op 26 maart kwam de overeenkomst met Leopold tot stand: de Congo-Vrijstaat bestelde bij CCCI een complete studie van de spoorwegaanleg en gaf haar een optierecht om ook de constructie op zich te nemen. Als CCCI de optie uitoefende, zou het alle nodige terreinen in concessie krijgen en voor 99 jaar de uitbating mogen waarnemen. Daarnaast zou de Compagnie ook 150.000 ha concessiegebied mogen kiezen uit het domaniaal gebied.

Afgevaardigd bestuurder Thys zette zich onmiddellijk aan het werk. Hij reisde af met een eerste expeditie van topografen en ingenieurs onder kapitein Ernest Cambier (mei 1887 – november 1888). Een andere CCCI-expeditie onder Alexandre Delcommune vertrok stroomopwaarts vanaf Stanley Pool en had een eerste bedrijfsstoomboot ter beschikking, de Roi des Belges. Cambier kwam terug met een plan voor 398 km spoor tegen een kost die hij op 25 miljoen raamde. In de zomer van 1889 richtte de CCCI een filiaal op voor de spoorwegconstructie. De 25 miljoen frank kapitaal was afkomstig van de Belgische haute finance en ook van regering (10 miljoen). De werken werden op de voet gevolgd in de koloniale pers, vooral in de Mouvement Géographique van Alphonse-Jules Wauters.

De levensomstandigheden bij de aanleg van deze spoorweg waren ronduit erbarmelijk. De sanitaire en medische voorzieningen waren benedenmaats. In 1892 werkten er ongeveer tweeduizend mensen aan de spoorweg, waarvan er gemiddeld honderdvijftig arbeiders per maand het leven lieten ten gevolge van pokken, dysenterie, beriberi en uitputting. Eind 1892 waren er reeds 7.000 arbeiders aangeworven, waarvan er 3.500 gestorven of gevlucht waren (bijvoorbeeld richting naburige bossen). Door deze omstandigheden werd het moeilijker om arbeidskrachten aan te werven. Thys trok daarom respectievelijk in september en november 1892 mensen uit Barbados en China aan. De Barbadianen weigerden de boten in de haven van Matadi te verlaten tot ze door middel van vuurwapens gedwongen werden. Bij deze actie lieten zeven mensen het leven.Mathijs VERBEECK, Dwangarbeid in de Belgische rechtsgeschiedenis, 1885-1945, Universiteit Gent, onuitgegeven masterproef, 2019. In totaal lieten 1.800 Afrikanen en 132 Europeanen het leven.La Construction Du Chemin de Fer Du Bas-Congo, Otraco-Unatra. In juli 1898 was de spoorlijn voltooid.

De CCCI was een spil van het Thys-imperium. Ze stond aan de wieg van 90 bedrijven in de periode 1888-1948. Daartoe behoorden: 1888: Compagnie des magasins généraux du Congo: uitbating van hotels en winkels in onder meer Boma en Matadi, 1888: Société anonyme belge pour le commerce du Haut-Congo (S.A.B.): koloniale onderneming die talrijke posten stichtte in Opper-Congo en handel dreef in rubber en ivoor, 1889: Compagnie du chemin de fer du Congo: aanleg van de spoorweg Matadi-Leopoldville 1889: Compagnie des produits du Congo: op het eiland Matéba deed dit bedrijf aan veeteelt en handel in landbouwproducten, 1891: Compagnie du Katanga: dit bedrijf moest de mijnprovincie Katanga exploiteren voor de neus van Cecil Rhodes. Het lanceerde grote expedities onder Alexandre Delcommune, kapitein William Stairs en Lucien Bia en Émile Francqui, 1899: Banque d'Outremer, Compagnie du Lomami, Compagnie industrielle et de transports au Stanley Pool (Citas), Société des pétroles au Congo, Société industrielle et minière du Katanga (Simkat), Compagnie du Kasaï.

Na de dood van Thys (1915) ging de groep op eigen kracht verder, maar kwam dan in 1928 toch onder de controle van de Generale Maatschappij. Deze overname creëerde een conglomeraat dat Congo economisch volledig in zijn greep had.

Tegen de jaren 1950 bezat de CCCI aandelen in bedrijven die palmolie, koffie, thee, cacao, rubber en vee produceerden in heel Congo. Het controleerde Forminière, de enige diamantproducent in de kolonie, en had een groot indirect belang in de tinproducent Géomines. De CCCI had ook een aanzienlijk aandeel in de Compagnie du chemin de fer du bas-Congo au Katanga (BCK), eigenaar van de spoorlijn van Port-Francqui aan de Kasaï-rivier naar Elizabethville in Katanga, en in de mijnbouwdochter van de BCK, de Compagnie miniere du BCK.

In 1957 had de CCCI grote of controlerende belangen in de Banque du Congo belge, de Compagnie du Katanga, het Comité national de Kivu (dat mijnbouw- en landbouwconcessies in de provincie Kivu beheerde), de Compagnie maritime belge, de Société des chemins de fer vicinaux du Congo (die de noordelijke spoorlijnen exploiteerde), de Chantier naval et industriel du Congo (die rivierboten bouwde) en de Compagnie cotonnière congolaise. Gelieerde ondernemingen waren actief in een breed scala aan andere sectoren, waaronder landbouw en mijnbouw, industrie, energieopwekking en bankwezen. Het moederbedrijf, de Generale Maatschappij, bezat eveneens grote of controlerende aandelen in de BCK, Union Minière du Haut-Katanga, de Compagnie du Katanga, Forminière en de Société minière du Bécéka.

Bij de onafhankelijkheid van Congo in 1960 was CCCI nog altijd een grote holding die veertig bedrijven in portefeuille had. In 1971 werden de CCCI en haar dochteronderneming Compagnie du Katanga samengevoegd tot de Compagnie européenne et d'outre-mer (Euroutremer). De Compagnie financière du Katanga nam in 1972 de activa van Euroutremer over en veranderde haar naam in Compagnie financière européenne et d'Outre-Mer (Finoutremer). Deze onderneming werd in 2000 geliquideerd, waarbij haar activa en passiva werden overgenomen door de Generale Maatschappij.

Literatuur A.M. DELATHUY, De Kongostaat van Leopold II. Het verloren paradijs, 1876-1900, Antwerpen, Standaard, 1989. Georges DEFAUWES, Albert Thys de Dalhem au Congo, Blégny, Domaine touristique de Blégny-Mine, 2005. René J. CORNET, La Bataille du rail. Cinquantième anniversaire de la création du chemin de fer du Bas-Congo, 1898-1948, Brussel, Cuypers, 1948.

Externe link Fiche van de Compagnie du Congo pour le commerce et l'industrie in het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, waar het archief van de CCCI wordt bewaard

Categorie:Voormalig bedrijf met zetel in Brussel Categorie:Economie van de Onafhankelijke Congostaat Categorie:Geschiedenis van België in de 19e eeuw Categorie:Economie van Belgisch-Congo