Dirk Hendrik Theodoor Vollenhoven (Amsterdam, 1 november 1892 – aldaar, 6 juni 1978) was een Nederlands filosoof en hoogleraar.

Levensloop Vollenhoven werd geboren in Amsterdam als zoon van Dirk Hendrik Vollenhoven en Catharina Pruijs. Vollenhoven senior was werkzaam als douanebeambte bij de telegrafiedienst. In 1911 liet de zoon zich aan de Vrije Universiteit Amsterdam bij twee faculteiten inschrijven, de faculteit der godgeleerdheid en die van letteren en wijsbegeerte. In 1918 verwierf hij de doctorsgraad (cum laude) in de wijsbegeerte. Hij diende als predikant in de Gereformeerde Kerken – eerst in Oostkapelle (1918-1921) en vervolgens in Den Haag (1921-1926). In 1926 volgde zijn benoeming tot hoogleraar in de wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit Amsterdam, een positie die hij tot 1963 vervulde. In 1918 huwde hij met Hermina Maria Dooyeweerd. Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren. Na zijn afscheidscollege over "Plato’s realisme" bleef hij nog jarenlang privatissima voor belangstellenden geven.Voor deze slotfase, zie K.A. Bril (red.), Vollenhoven’s laatste werk, 1970-1975 (Amsterdam: VU Boekhandel, 1982). Deze privatissima (Vollenhoven Schematische Kaarten 2000, p.56), sinds 1966/67 door leerlingen uitgetypt, zijn aanwezig bij de Stichting D.H.Th. Vollenhoven. De privatissima 1970/71 tot en met 1974/75 zijn opgenomen in Vollenhoven’s laatste werk Hij stierf op 85-jarige leeftijd, ruim vijf jaar na het overlijden van zijn echtgenote.

Het vroege werk Vollenhoven combineerde helderheid van geest met diep inzicht. Zijn analytisch vermogen uitte zich in een zin voor onderscheidingen.Zijn werkwijze is dan ook door Anthony Tol getypeerd als ‘analytische methode’, in: George Harinck en James Eglinton (red.) Handboek Neocalvinisme (nog te verschijnen) Hij deed zijn werk met kenmerkende vroomheid, bescheidenheid en toewijding. Van 1926 tot 1948 verzorgde hij alle wijsgerige colleges. Dit behelsde het onderwijs in de geschiedenis der wijsbegeerte, algemene systematische wijsbegeerte, logica en theoretische psychologie (toen nog tot het terrein van de wijsbegeerte gerekend). Daarnaast was hij verantwoordelijk voor de verplichte wijsgerige vorming voor alle eerstejaars. Ten tijde van zijn promotieonderzoek preekte hij vrijwel iedere zondag – wat het nodige bijdroeg tot zijn bekendheid binnen de Gereformeerde Kerken. Een jaar voor het behalen van de doctorsgraad, stierven zowel zijn vader als zijn promotor en mentor, Jan Woltjer. G.H.J.W.J. Geesink nam diens taak over. In 1918 vond de promotie plaats op een dissertatie getiteld De Wijsbegeerte der Wiskunde van Theïstisch Standpunt. De Amsterdamse wiskundige Gerrit Mannoury, van wie Vollenhoven had gezegd dat aan hem de eer toekomt "het formalisme het meest consequent te hebben doorgedacht en wel in biologische richting", reageerde sympathiek op het proefschrift met te zeggen dat Vollenhoven een nog onbegaan pad had gevolgd en dat hij die weg niet heeft afgelegd "als theoloog, en ook niet als mathematicus, maar als een, die het geloven liefheeft, doch het denken niet versmaadt."G. Mannoury, "De Wijsbegeerte der Wiskunde van Theïstisch Standpunt", in: De Beweging. Algemeen Maandschrift voor Letteren, Kunst, Wetenschap en Staatkunde, 15 (1919), pp. 373-374

Zowel in Oostkapelle als in Den Haag werd de filosofische voortgezet naast een veeleisend predikantschap. In 1920 ontving hij een beurs voor een studieverlof aan de universiteit van Leipzig waar hij onder vijf maanden onder Felix Krueger gedurende zich in de problemen van de psychologie verdiepte. Hij zocht naar eigen zeggen de verzoening van denken en zijn, onder theïstische bemiddeling en met prioritering van het zijn. Rond 1922 volgde een nadere uitwerking in de zin dat kennen (en denken) voortaan onder het zijn ressorteert. Het neokantianisme dat toentertijd in Nederland de dominante stroming vormde, vertrok daarentegen vanuit het denken en rechtvaardigde deze positie vanuit een humanistische stellingname. Vollenhoven ging dus tegen de stroom in. Als gevolg van vele verplichtingen raakte hij overwerkt. In 1923 kwam de crisis. Het herstel zou een vol jaar duren.

Vollenhoven en Dooyeweerd Intussen raakte zijn studievriend en zwager, Herman Dooyeweerd, ook al meer filosofisch betrokken. Hij zocht Vollenhoven op in Oostkapelle om over de te volgen methode te spreken. Toen beiden in Den Haag woonden, werd het fundament gelegd voor een levenslange samenwerking. Dat, hoewel hun persoonlijkheden sterk verschilden. Vollenhoven was de meer analytisch gerichte. Hij was de organisator, de systematicus, en de man van de gedetailleerde historische overzichten, terwijl de artistiek begaafde Dooyeweerd, die in de rechtswetenschap was opgeleid, als filosoof primair in de grote systematische problemen geïnteresseerd was. Van het einde van 1923 stamt hun gezamenlijke ontwerp van een nieuwe ‘Calvinistische wijsbegeerte’. In 1926 werden beiden simultaan aan de Vrije Universiteit benoemd, Dooyeweerd in de Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Vollenhoven in Letteren en Wijsbegeerte, als opvolger van Geesink. Als hoogleraar was Vollenhoven nauwgezet, maar ook innovatief. Tegenover de studenten was hij mild en pastoraal – waarmee hij de sympathie van velen verwierf. In 1929 werd hij president van de universitaire alumni organisatie, en een jaar later erelid van het studentencorps. Vanaf het begin speelde hij een rol in de in 1930 opgerichte Calvinistische Studentenbeweging (CSB), als adviseur en als spreker. Van omstreeks die datum dateren zijn contacten met Klaas Schilder. De theoloog Schilder zou later een grote rol spelen in het kerkelijke conflict dat tot het ontstaan van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt leidde (1944) – een breuk die Vollenhoven diep betreurde.Zijn correspondentie met Schilder is gepubliceerd als: W.G. de Vries (red.), Eender en Anders. Correspondentie tussen K. Schilder en D.H.Th. Vollenhoven (Kampen: Kok, 1992)

Een nieuwe mensleer Niet lang na zijn aantreden als hoogleraar ontstond een conflict over de leer van de onsterfelijkheid van de ziel. Vollenhoven nam de kritiek over van de met hem bevriende Antheunis Janse, het hoofd van een lagere school te Biggekerke die zichzelf in de wijsbegeerte had bekwaamd. In een in 1930 gepubliceerde lezing over de eerste vragen van de psychologie stelde Vollenhoven dat het Bijbelse spreken over de ziel niet naar een onsterfelijke substantie verwijst, maar de centrale eenheid, het ‘hart’, van het mens-zijn aanduidt. Deze kritiek riep verzet op, vooral bij zijn collega Jan Waterink die lichaam, ziel en geest als te onderscheiden werkelijkheden beschouwde. Een eerste neerslag van de nieuwe filosofie was in een syllabus ten behoeve van de inleidingscolleges, getiteld Isagôgè Philosophiae, voor het eerst verschenen in 1930.Een tekstkritische uitgave van de laatste door Vollenhoven zelf verzorgde editie (1945) D.H.Th. Vollenhoven, Isagôgè Philosophiae. Filosofie in de traditie van de Reformatie. (red. A. Tol; Amsterdam: VU Uitgeverij 2010); voor een Engelse vertaling van deze 1945-editie, zie Introduction to Philosophy, John H. Kok en Anthony Tol (eds.), vertaling door John H. Kok (Sioux Center, Iowa: Dordt College Press, 2005) Vervolgens formuleerde Vollenhoven in zijn rectorale oratie van 1932 een visie op logica als een sfeer met eigen normativiteit tegenover de gangbare opvatting van logica als neutraal instrument. Kort daarop verscheen zijn Calvinisme en de reformatie van de wijsbegeerte. Enerzijds slaagde hij hiermee zijn positie te verduidelijken, anderzijds riep zijn kritiek op de theologische scholastiek verzet op bij theologen als H.H. Kuyper en Valentijn Hepp. Hij betoonde zich vasthoudend, maar niet polemisch; zijn devies was steeds: ‘constructief werken, zonder het conflict te zoeken’.

Een unieke ontologie In deze periode bleven Vollenhoven en Dooyeweerd nauw samenwerken, maar met behoud van zelfstandigheid. Terwijl Dooyeweerd de betekenis van religieuze vooronderstellingen wilde aantonen met behulp van een transcendentale kritiek op het theoretische denken in het algemeen, was het Vollenhoven eerder te doen om de ontplooiing van een eigen werkelijkheidsvisie vanuit geloofsstandpunt. Mettertijd verwierp hij de idee van een ‘zijn’ dat God, mens en kosmos omvat. In plaats daarvan komt het onderscheid tussen God, wet en kosmos. De zijnswijze van de wet is gelden; het bestaande is onderworpen (subjèct) aan de door God gestelde wet. Met betrekking tot de wet worden onderling onherleidbare wetskringen onderscheiden – vijftien in getal – waarbinnen de schepselen functioneren. Het menselijk bestaan is uitwendig geheel ‘doorgestructureerd’, maar wordt van binnenuit gericht door de ‘ziel’, het ‘hart’ ‘van waaruit de uitgangen van het leven zijn’. Ten aanzien van de wet wordt vervolgens tweeërlei onderscheiden: scheppingsbevel (het ‘er zij!’ van Genesis 1) en liefdegebod. ‘Het eerste raakt het ontstaan, de structuur, impliciet haar modale verscheidenheid …, het tweede de richting van het mensenleven in zijn verhouding tot God en de naaste.’ Dan zijn er nog in secundaire zin de positieve wetten die de brug slaan tussen het liefdegebod en de geografische en historische context.Zie "Plato’s realisme", heruitgave 1992, citaat: p.156 Omdat het kennen intrinsiek tot het zijn behoort, kan het op dit standpunt niet anders dan dat de kennistheorie een ontologie vooronderstelt. Het analytisch onderscheiden dient dus recht te doen aan de geschapen werkelijkheid en haar status van subjèct t.o.v. de wet te respecteren. Voor de theologie betekent dit volgens Vollenhoven dat zij voor kennis van God op Openbaring is aangewezen, en niet mag pretenderen langs logische weg het zijn Gods te begrijpen.

Geschiedenis van de filosofie