Paulus Dominicus Constantius (Paul Dominique Constantin) Tétar van Elven (Antwerpen, 13 september 1823 - Scheveningen, 28 februari 1896) was een Nederlandse kunstschilder en kunstverzamelaar en grondlegger van het huismuseum Museum Paul Tetar van Elven aan de Koornmarkt 67 in Delft en telg van de kunstenaarsfamilie Tétar van Elven. Zijn biograaf Adrien Obreen omschreef hem als "den laatste der Nederlandsche historieschilders". Tot zijn leerlingen behoorden Jan Toorop en Suze Robertson.

Familie Pauls vader was Henricus Lambertus (Henri Louis) Tétar van Elven (1781-1855), een zoon van Martinus (Martin) van Elven (1756-1823) uit Weert en Gerarda (Gerritje) Henkelman (1752-1804) uit Amsterdam. De familie Van Elven behoorde al sinds ten minste 1408 tot de regentenklasse van Weert. Zij stamden hoogstwaarschijnlijk af van de heren van Elven, die voor het eerst in 1281 zijn genoemd. Zij bezaten het kasteel Elven (in het Frans Navagne genoemd), later ook bekend als de Elvenschans, en waren tevens heer van Moelingen. In de achttiende eeuw was Weert, dat toen tot de Spaanse Nederlanden behoorde, erg verarmd. In 1774 vertrok de schoen- en laarzenmaker Martin van Elven daarom naar Holland, waar hij in 1781 in Rotterdam trouwde met de half-Duitse jonge weduwe Gerritje Brinkman-Henkelman. Tweeëneenhalve maand later werd hun oudste zoon Henricus Lambertus (Henri) geboren, die naar grootvader Van Elven werd vernoemd. Kort na zijn geboorte verhuisde het gezin naar de Kalverstraat in Amsterdam. Henri heeft echter een deel van zijn jeugd in Weert gewoond, waarschijnlijk inwonend bij zijn grootvader, de winkelier Henricus Lambertus van Elven (1717-1801). Vanaf 1795 behoorde Weert tot het Departement Nedermaas en daarmee tot de Eerste Franse Republiek. miniatuur|Portret van Henri Tétar van Elven, gemaakt door Paul Tétar van Elven, gepubliceerd in een encyclopedie bij het onderwerp stenografie. Henri werd in eerste instantie net als zijn vader laarzenmaker. Na het overlijden van zijn eerste echtgenote Anne Françoise Felicité Tétar (1776-1810) heeft hij haar achternaam voor de zijne gevoegd, waarmee de familienaam Tétar van Elven ontstond. Ook ging hij zich Henri Louis noemen. De familie Tétar was afkomstig uit de Franse havenstad La Rochelle en zij waren evenals de Van Elvens werkzaam als schoenmakers. Anne's moeder Françoise was een dochter van de vioolbouwer Benoit Joseph Boussu (1703-1773). Zijn werk is te zien in het Muziekinstrumentenmuseum in Brussel.

Uit het huwelijk van Henri en Anne werden drie kinderen geboren: de architect Martinus Gerardus Tétar van Elven (1803-1882), de graveur en kunstschilder Jan Baptist Tétar van Elven (1805-1889)Zie: https://www.genealogieonline.nl/genealogie-schutijser/I8136.php en een dochter genaamd Josephine Louise (1807-1807). Martin was de vader van de architect en tekenaar Henricus Martinus (Henri) Tétar van Elven (1827-1899). Jan Baptist was de vader van de kunstschilders Pierre Tétar van Elven (1828-1908) en J. Eduard Tétar van Elven (1832-1859).

Pauls moeder was Henri's tweede echtgenote Dorothea Carolina (Doortje) de Hosson (1792-1870), uit de kunstenaarsfamilie De Hosson. Zij was een dochter van de kunstschilder en tekenleraar Bernardus Franciscus Ignatius de Hosson (1757-1833) en daarmee een kleindochter van de kunstschilder Hermannus Fridericus Carolus de Hosson (1718-1799) en een achterkleindochter van de kunstschilder Maximilianus Franciscus (Maximilian Franz) de Hosson (1680-1762). De familie (De) Hosson was afkomstig uit Binche en woonde later in Avesnes. In 1685 werd de schilder en kantverkoper Jean François Hosson gevangengenomen. Na zijn vrijlating uit de Bastille heeft de familie Frankrijk verlaten, waarna zij uiteindelijk in Bad Bentheim terechtkwamen, waar Maximilian de hofschilder werd van graaf Hermann Friedrich von Bentheim-Bentheim (1693-1731). Dorothea's moeder was Joanna Catharina van Ackeren (ook: van Akkeren) uit Groningen. Uit het huwelijk van Henri en Dorothea Carolina werden vijf kinderen geboren: Johanna Catharina (1812-1812), Carola Josepha (Josephine, 1814-1903), Corneille (Cornelis, 1817-1845), Adelaïde Louisa Felicité (Adelaïde, 1820-1893) en Paulus Dominicus Constantius (Paul, 1823-1896).

In 1861 ontmoette Paul het gezin van zijn tante Carolina Ludovica (Louise) de Hosson (1797-1860), die getrouwd was met de Groningse pedagoog Berend Brugsma (1797-1868). Vooral met hun dochter Carolina Louise (Louise) Brugsma (1840-1920) ontstond een warme vriendschap. Zij trouwde later met de uitgever Popko Noordhoff (1833-1903), die daarmee een aangetrouwde neef van Paul werd.

Leven en werk Antwerpen 1823-1826 Na zijn tweede huwelijk met Dorothea Carolina de Hosson verhuisde het gezin van Groningen naar Antwerpen. Henri werkte vanaf 1817 als griffier van het militair gerechtshof in Antwerpen. De zonen uit Henri's eerste huwelijk, Martin en Jan, bezochten in Antwerpen de Koninklijke Akademie voor Schone Kunsten. In Antwerpen werden nog vier kinderen geboren: in 1814 Josephine, in 1817 Cornelis, in 1820 Adelaïde en als laatste in 1823 Paul. Ten tijde van de geboorte van Paul woonde het gezin aan de Korte Winkelstraat op nummer 1118, ter hoogte van de huidige Van Boendalestraat.

Bij de aangifte van de geboorte van Paul trad als getuige op Lamoraal Hans Willem van Aylva baron Rengers, een lid van de familie Rengers.

De geboorte van Paul op 13 september 1823 was een lichtpuntje in een jaar vol verdriet: op 2 juli was grootvader Martin van Elven in Amsterdam overleden en op 13 november overleed op 20-jarige leeftijd te Lier de jongste broer van Dorothea, Carel Philip de Hosson, die daar studeerde aan 's Lands Kweekschool voor Onderwijzers.

Brussel 1826-1830 In 1826 ging Henri aan de slag bij het Bureau voor den Waterstaat in Brussel. De familie verhuisde daarom naar Sint-Jans-Molenbeek. Jan Baptist zette zijn studie in Brussel voort aan de Académie des Beaux-Arts.

Rond 1826 trouwde Martin met de uit Bergen op Zoom afkomstige Johanna Francisca (Françoise) Abadie (1804-1883). In 1827 werd in Vilvoorde hun eerste kind geboren, de latere architect Henricus Martinus (Henri Martin) Tétar van Elven, in 1828 te Sint-Jans-Molenbeek gevolgd door Johanna Paulina Dorothea en op 3 mei 1830 werd te Péruwelz Louis Henri geboren. Er volgen (in ieder geval) nog negen kinderen.

In 1827 trouwde ook Jan Baptist, met zijn nicht Françoise Sophie (Fanny) Noël (1795-1858). Haar moeder was Sophie Tétar, een zuster van Anne. In 1828 werd in Sint-Jans-Molenbeek hun oudste kind Pierre Tétar van Elven geboren. Ook hun tweede kind Sophia Henriette (Sophie) is nog daar geboren, op 1 mei 1830. Er volgden nog drie kinderen, waaronder de kunstschilder Eduard Tétar van Elven.

Amsterdam 1830-1841 miniatuur|Portret van Dorothea Carolina de Hosson, door haar zoon Paul Tétar van Elven. Ten tijde van de Belgische opstand in 1830 is de gehele familie terugverhuisd van Brussel naar Amsterdam, waar Henri met zijn eerste echtgenote Anne Tétar tot 1807 had gewoond. Het gezin van Henri en Dorothea woonde in 1832 aan de Hoogte Kadijk, in 1837 op het adres Plantage hoek Badlaan wijk 15 nummer 3 en in 1839 aan de Oude Schans nummer 29.

In Amsterdam ging Henri werken bij de dominiale dienst van het amortisatiesyndicaat. In 1834 werd Jan Baptist directeur (hoofdonderwijzer) van de tekenafdeling van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen in Amsterdam. In 1835 werd Martin Gérard benoemd tot directeur (hoofdonderwijzer) bouwkunde aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam. Daarvoor werkte hij als stadsarchitect in Harderwijk.

In 1835 werd het gezin Tétar van Elven onverwachts uitgebreid, toen kort na elkaar Dorothea's nicht Carolina Phitzinger en haar man Hendrik Halle overleden. Henri Tétar van Elven werd benoemd tot voogd van hun twee zonen Godlieb Marianus Cornelis (1818-?) en Hendrik Carolus Cornelis (Henri) Halle (1825-?). Er volgde een rechtszaak omdat de verzekeringsmaatschappij weigerde de levensverzekering van Hendrik Halle uit te keren, aangezien hij ten tijde van het afsluiten moest hebben geweten dat hij al ziek was. Henri en zijn zoon Martin verklaarden als getuigen dat zij niet wisten dat Hendrik ziek was geweest. Zij konden de rechters niet overtuigen. Godlieb zat op kostschool in Breda, maar de kleine Henri Halle kwam bij de familie Tétar van Elven wonen.

In 1834 werd Paul ingeschreven als leerling aan het Instituut voor Teekenkundig Onderwijs (het Teeken-Instituut) van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, waar zijn halfbroer Jan Baptist hoofdonderwijzer was. Deze lessen werden op woensdag- en zaterdagmiddag gegeven in het gebouw van het Nut direct achter het Paleis op de Dam op de Nieuwezijds Voorburgwal 212. Vanaf 27 november 1835 studeerde Paul aan de Koninklijke Akademie voor Beeldende Kunsten, waar als directeuren (hoofdonderwijzers) onder andere Jan Willem Pieneman, Jan Adam Kruseman en zijn broer Martin werkten. Hier werden de lessen 's avonds gegeven. Paul studeerde na de voorbereidende klasse aanvankelijk alleen aan de tweede klasse Moderne Historie, ook bekend als de Pleisterklasse of Tekenen naar de Antieken en kreeg daar les van Lambertus Johannes Hansen, Jacobus Schoemaker Doyer en Jan Adam Kruseman. Paul begon tevens aan de studie graveerkunst, de vijfde klasse, en kreeg daar onderwijs van Benoit Taurel. Dit onderwijs vond in de avonduren plaats. Deze drie opleidingen heeft Paul voortgezet tot 1841, in welk jaar hij de studie aan het Teeken-Instituut en de Pleisterklasse afrondde.

Den Haag 1841-1855 In 1841 verhuisde hij met zijn ouders, zuster Adelaïde en pleegbroer Henri Halle mee naar Den Haag, omdat vader Henri na de opheffing van het amortisatiesyndicaat bij de Afdeling Waterstaat van het Departement van Binnenlandsche Zaken was aangesteld. Josephine en Cornelis bleven achter in Amsterdam, waar zij werkte als winkelierster en hij als handelaar in asfalt. In 1843 trouwden zij allebei: Josephine met de gepensioneerde officier Gijsbert Adriaan van Goor en Cornelis met Maria Adriana de Groot. Zij was al gerelateerd aan Gijsbert van Goor, door het huwelijk van zijn broer Constantinus van Goor met haar zuster Catharina Henrietta de Groot. miniatuur|Paul als beginnend kunstschilder, circa 1847. In Den Haag zette Paul zijn studie voort bij de in 1840 opgerichte Nederlandsche Maatschappij van Schoone Kunsten, gevestigd aan het Westeinde 20 (later 58), waar hij studeerde onder leiding van Johannes (Jan) de Mare (1806-1889), de professor voor de gravure op staal en koper. Na het studiejaar 1841-1842 deed Paul voor het eerst mee aan een Tentoonstelling van Levende Meesters, georganiseerd door deze Maatschappij. Hij toonde een tekening, voorstellende een portret van Horatius Schuil (bedoeld zal zijn Florentius Schuyl), naar Frans van Mieris. Dit werk was hetzelfde jaar ook te zien tijdens de tentoonstelling in Amsterdam.

De studenten aan de Maatschappij werden geacht tevens te gaan studeren aan de plaatselijke academie. Voor het studiejaar 1841-1842 aan de Vereeniging 's-Gravenhaagsche Teeken-Akademie (thans de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten) is Paul ingeschreven met als 'bestemming' graveur, voor het vak naakt model. In 1842 ging De Mare terug naar Frankrijk. Paul is het studiejaar 1842-1843 evenmin ingeschreven bij de academie, maar wel weer vanaf 1843-1844, ditmaal met als bestemming schilder en wederom voor naakt model. Eind van dat jaar studiejaar won hij meteen de grootste academieprijs: de Grote Rijksmedaille. Deze studie zou hij voortzetten tot en met het studiejaar 1848-1849, waarbij hij bleef tekenen en later schilderen naar naakt model. Hij volgde tevens les in anatomie en compositie, waarvoor hij eveneens prijzen won.