Ainomuziek omvat de muzikale stijlen en instrumenten die gebruikt worden ter ondersteuning van spiritueel geladen liederen en gedichten in de cultuur van de Aino (ook wel Ainoe of Ainu genoemd), een inheemse bevolking die zich voor de Meiji-restauratie vooral in de noordelijke regionen van Japan bevond (met name de Tōhoku regio in Noord Honshū, Hokkaido, de Koerilen en Sachalin), maar die vandaag de dag vooral in kleinere samenlevingen terug te vinden is in Hokkaido.
De orale Ainocultuur omvat verschillende liedvormen. De twee meest prominente stijlen zijn upopo, luchtige liederen over alledaagse zaken en rituelen, die vaak werden begeleid met traditionele Ainoinstrumenten; en yukar, lange heldendichten die op een ritmische manier werden geciteerd, soms met lichte percussie als ondersteuning.
De inhoud van die verschillende liederen zijn, naast archeologische bevindingen en historische documenten die de Aino beschrijven, de belangrijkste bronnen geweest om de gewoonten, tradities en het dagelijks leven van de Aino beter te begrijpen. In het heden vormt deze muziek, na eeuwen van culturele genocide en discriminatie, een belangrijk element in het in stand houden van zowel cultuur als rechten van de Aino.
thumb|250px|Een vrouw bespeelt de traditionele Aino tonkori.
Genres Omdat de Ainobevolking oorspronkelijk geen eigen schrift had,Ondertussen kan de Ainotaal zowel met het Latijns alfabet als met een aangepaste versie van het Japanse Katakana geschreven worden. werd de inhoud van de Ainoliederen van generatie op generatie op orale wijze overgebracht. Dit bracht als gevolg dat er tot op vandaag tijdens het zingen veel aan improvisatie wordt gedaan zowel lyrisch als melodisch, twee elementen die afhangen van de stemming van de brenger.L. Phillipi 1972, p. 39. Als de verteller een detail of beschrijving wil weglaten kan hij of zij ervoor kiezen de beschrijving zelf te vervangen door de formule anomommomo, wat zoiets betekent als “Ik beschrijf in detail”.
Naast rituele en spirituele doeleinden hadden deze genres ook een sterk esthetische kant en dienden ze in de koude winters (wanneer er weinig mogelijkheid tot werk was en er veel verveling toesloeg) als vorm van vermaak en ontspanning.
Het is pas in recente jaren dat er door verschillende stichtingen pogingen ondernomen werden om zoveel mogelijk van deze oraal overgebrachte werken, vooral yukarliederen, neer te pennen en te publiceren.Imekanu, Yukie Chiri, Kyōsuke Kindaichi en Shigeru Kayano zijn verantwoordelijk voor een groot deel van deze publicaties. Donald L. Philippi heeft in zijn Songs of Gods, Songs of Humans: The Epic Tradition of the Ainu, een deel van deze werken in het Engels vertaald. Project Okikirmui is ook een project dat Chiri's werken in het Engels probeert te publiceren. Gearchiveerd op 18 mei 2021.
Upopo Upopo, een onomatopee voor het geluid van een kokende pot of fluitende vogels, is een liedstijl met betrekking op dagelijkse zaken en rituelen. Die liederen worden vaak in groep gezongen, meestal in combinatie met een groepsdans (Rimse), die uitgevoerd wordt op festivals en feesten en kenmerken zich door de polyfonische zang vergelijkbaar met die in de westerse canon. Upopo differentieert zich van de westerse canon doordat de volgers veel vroeger invallen, waardoor de eerste stem nog niet de tijd heeft gehad om het stuk melodie af te werken. Typisch wordt het ritme aangegeven door in de handen of tegen een houten object te klappen.
Yukar Yukar is een vorm van epische poëzie die ergens tussen de 10e en 16e eeuw ontstaan is, wanneer de Ainocultuur zich het sterkst ontwikkelde. In tegenstelling tot andere vormen van epische poëzie werden yukarliederen in een eerste-persoonsperspectief gebracht en kan dit zowel uit het perspectief van de Aino (de gewone, sterfelijk mens) als uit dat van de Kamuy (geesten en/of goden) van dieren en objecten verteld werden. Yukarliederen kunnen dus onderverdeeld worden in 2 subgenres: de Aino-Mosirverhalen (verhalen over de mensenwereld, vaak lange heldenverhalen van 5000 tot 7000 verzen) en de Kamuy-Mosirverhalen (korte mythologische verhalen over de godenwereld, gemiddeld tussen de 200 - 1000 verzen). Omdat deze verhalen zo lang zijn is het niet ongewoon dat een recitatie een hele nacht doorliep.
De brenger, vaak voor esthetische doelen een vrouw, had door het memoriseren van deze werken vaak een sterk getraind geheugen.L. Phillipi 1972, p. 19. "Imekanu had filled ... a total output of 124 volumes consisting of more than 20,000 pages." Omdat de werken zo immens in lengte kunnen zijn (vooral de Aino-Mosir), moest de brenger zich zorgvuldig voorbereiden op een vertelsessie. Vaak leerde de brenger al op vroege leeftijd de grote lijnen van deze verhalen en gebruikte hij of zij ezelsbruggetjes om details te onthouden. Ook hebben zowel de Aino-Mosir als de Kamuy-Mosir een archaïsche, vaste structuur die het leren vereenvoudigt.
De verzamelde collectie Kamui-Mosirverhalen diende als een van verschillende manieren om in contact te komen met de goden. De verteller vertelt het verhaal in een eerste-persoonsvorm waardoor het, vergelijkbaar met sjamanen die in trance geraken, lijkt alsof die bepaalde Kamui het lichaam van de verteller gebruikt om een verhaal te vertellen.
Omdat er zo'n grote hoeveelheid aan Yukar is, die in enorm detail de levensstijl en taal van de Aino beschrijft, wordt dit vaak als het belangrijkste nalatenschap uit de Ainocultuur beschouwd.Een Engelse vertaling van de bekendste Aino yukar, Kutune Shirka, valt in zijn geheel online te lezen. Gearchiveerd op 16 december 2021.
Yaisama Yaisama is een soort van zangspel dat gebruikt werd door de zanger of zangeres om zichzelf aan een groep voor te stellen, of om bepaalde emoties over te brengen (zoals het uiten van verliefdheid). Tekst en melodie werden ter plekke geïmproviseerd.
Slaapliederen De naam voor ballades en slaapliederen varieert van regio tot regio. In de regio Hidaka worden deze vaak Iyon'nokka of Iyonruika genoemd, terwijl Asahikawa- en Tokachi-Aino weer het woord Ihunke gebruiken. Een typisch kenmerk van die slaapliederen is dat de moeder tijdens het wiegen van haar kind een hoop nietszeggende klanken als "Ohho Lulu Rurururu" op hetzelfde ritme produceert. Deze klanken worden met een rollende beweging van de tip van de tong gemaakt.
Rekuhkara Rekuhkara, oftewel Rekutkar (een samenstelling van de Ainowoorden rekut en kar, "keel" en "maken"), is een vocaal spel of ritueel dat gebruik maakt van keelzangtechnieken vergelijkbaar met katajjac, de zangstijl van de Inuit.Niet te verwarren met keelzang zoals die gekend is onder de Tuvan en Mongolen, dat harmonieën bouwt door middel van boventonen. Rekukhara bestond enkel onder de Sachalin-Aino, en was niet bekend onder de Hokkaido-Aino. Het aantal simultane spelers daarvan kon variëren van twee tot tien personen, altijd in paar.
Bij aanvang namen de spelers plaats tegenover elkaar en vormden ze met hun handen een gesloten tube die elkaars monden in verbinding bracht. Vervolgens produceerde een van de spelers een bepaald motief (in de vorm van enkele op ritmische wijze geproduceerde klanken) en liet deze doorklinken in de mondholte van de andere speler. Een van de spelers kan op eender welk moment beslissen van motief te veranderen, waardoor de andere speler zich hier onmiddellijk aan moet aanpassen. De speler die dit het langst kan volhouden zonder buiten adem te geraken of in de lach te schieten wint het spel.
Volgens een interview met de dochter van de laatste beoefenaar van die stijl (gestorven in 1973) zou de rekukhara ook een sjamanistische kant hebben, als uitvoering tijdens de iomante (het rituele slachten van een bruine beer) omdat de geluiden die geproduceerd werden symbolisch verwezen naar de schreeuw van een bruine beer tijdens het slachten.
Instrumenten De voornaamste instrumenten in de Ainocultuur zijn de mukkuri en de tonkori. Beide beleven, dankzij culturele organisaties en prominente muzikanten, in recente jaren een lichte heropkomst. Daarbuiten is er ook bewijs van het bestaan van enkele andere instrumenten uniek aan de Aino, maar die vandaag de dag niet langer in gebruik zijn. Ook zijn er, door de geografische verspreiding van de Ainovolkeren over verschillende eilanden, zowel qua opbouw als gebruik van inheemse instrumenten sterke verschillen waar te nemen.
Mukkuri right|600px|thumb|Mukkuri. De mukkuri is een idiofoon instrument dat sterk vergelijkbaar is met de mondharp. De mukkuri wordt gemaakt met bamboe, en het bespelen gebeurt door manipulatie van een koord dat verbonden is aan het bamboeriet. Het instrument produceert geen tonen, maar wel kan er aan klankvervorming gedaan worden door de vorm van de mond tegenover de mondharp te wijzigen.
Cultureel gezien werd er door de Aino niet veel belang gehecht aan het instrument en werd het door respectabele leden van de gemeenschap eerder bezien als een soort speelgoed dat vooral door kinderen werd bespeeld als vorm van entertainment en niet als bijdrage tot een lied of ritueel. Door de goedkope productie ervan wordt het in Hokkaido tegenwoordig vaak verkocht als toeristisch souvenir.
Tonkori De tonkori, een onomatopee voor het geluid dat dit instrument voortbrengt, is een fretloos snaarinstrument, meestal met vijf snaren, gemaakt van schapendarmen. Het instrument wordt open bespeeld, waardoor het mogelijk aantal geproduceerde tonen beperkt blijft tot het aantal snaren. De snaren zijn op een atypische manier gestemd, vaak als pentatonische toonladder waarbij elke snaar een vijfde interval verschilt met de vorige en er dus geen laag/hoog beweging is zoals bij bijvoorbeeld de gitaar.
De tonkori wordt door zowel man als vrouw bespeeld, vaak ter begeleiding van yukar of dansen en rituelen, maar ook solo-uitvoeringen komen voor.
Kaco De kaco, een lijsttrommel die nu niet langer in gebruik is, is een percussie-instrument vergelijkbaar met de westerse tamboerijn.In de zin dat het speeloppervlak breder is als de drum zelf groot is. Een dierenvel werd gespannen over de cilindrische ring die typisch gemaakt is van wilg- of larikstak. De trommel-klopper zelf werd omwikkeld in hondenhuid.
De kaco werd als percussie-instrument vooral gebruikt ter ondersteuning van yukarvertellingen en sjamanistische rituelen.
Cirektekuttar De cirektekuttar, ook bekend onder de regionale namen henyudo, ionka of pehkutu (zoals het genoemd werd in de Sachalin-eilanden), was de Ainobenaming voor een cilindervormig blaasinstrument vergelijkbaar met de didgeridoo van de Aboriginalstammen in Australië.
Het instrument werd gemaakt van de stengel van een aan de noordelijke Japanse eilanden inheems riet en bracht een trompetachtige klank voort. De Aino zou dit instrument vooral als muzikaal speelgoed gebruikt hebben, alhoewel er ook gedacht wordt dat het instrument reeds in de Jomonperiode voorkwam en door de proto-Aino volkeren gebruikt werd voor sjamanistische doeleinden
Pararayki Na aanraking met de Russische cultuur werd er door de Aino inheems aan de Koerillen een instrument gebouwd naar de Russische balalaika, getranscribeerd als pararayki.
Cultureel belang Verval Naast rituele en vermaakswaarde vormde de Ainofolklore een belangrijke manier om maatschappelijke waarden te behouden en een gevoel van samenzijn te kweken in een periode waarin de Ainocivilisatie een sterk verval kende als gevolg van de technologisch vooruitstrevende Wajin和人, de huidig dominante bevolkingsgroep in Japan die hun territorium steeds uitbreidden.