De voormalige Drostenborg (ook Gockingaborg of hues to Oesterbroecke genoemd) is een voormalig steenhuis of herenhuis in de buurtschap Uiterburen te Zuidbroek. Vanaf de 16e eeuw tot in de Franse tijd zetelde hier de ambtman, later de drost van het Wold-Oldambt. De huidige villa Drostenborgh aan de Uiterburen 53 is gebouwd in 1875. Het is een rijksmonument.
Geschiedenis
Gockingaborg alt=Uitsnede uit een portret van Scato Gockinga, 1656.|miniatuur|Fantasiebeeld van de Gockingaborg te Zuidbroek, 1656De familie Gockinga interesseerde zich bijzonder voor de borg. Een fantasiebeeld van de borg werd afgebeeld op het kinderportet uit 1656, mogelijk van Beerta Elisabeth Gockinga, volgens overleveringen echter van haar oudere broer Scato (in zuigelingenkledij). De nakomelingen hielden van 1857 tot 1957 een dossier bij, dat is bewaard. Groninger Archieven, toegang 518: Familie Gockinga (3), inv.nr. 223 en 255; toegang 1785, inv.nr. 15279 (foto van het schilderij uit 1952). De Gockingaborg was een steenhuis dat vermoedelijk halverwege de 13e eeuw werd gebouwd door de hoofdelingenfamilie Gockinga. Het steenhuis bevond zich in de buurtschap Uiterburen onder Zuidbroek op het terrein van de huidige Drostenborg.De Drostenborg moet niet verward worden met het voormalige landgoed Veenhuizen bij Stootshorn, Gockingaheerd genoemd (Sappemeersterweg 15 te Noordbroek), waar sinds het laatst van 18e eeuw een neventak van de familie Gockinga woonde. Zie bijvoorbeeld [Jacob] T[ilbusscher], 'Zuidbroek' in: Nieuwsblad van het Noorden, 24 april 1937, diegist dat de Drostenborg voor 1438 in Stootshorn zou hebben gestaan. Op dit terrein zijn muurresten van kloostermoppen gevonden.
De borg bevond zich op een strategische plek aan de route van Groningen naar Westfalen, die hier over het hoogveen liep en bij de borg naar het zuiden afboog. De weg liep verder via een brug over de Munter Ae langs het (verdronken) dorp Meeden in de richting van Winschoten en Wedde, en vandaar via de zandrug van Bourtange naar de Eems.
De oorspronkelijke bewoners van het steenhuis, de leden van de familie Gockinga, probeerden de macht in het Oldambt naar zich toe te trekken en kregen het daardoor aan de stok met de stad Groningen en met de bewoners van omliggende dorpen. Ze noemden zich hoofdelingen te Oosterbroek (Oesterbroke)P.J. Blok et al. (red.), Oorkondenboek van Groningen en Drente (= OGD), dl. 2, Groningen 1899; nr. 1039 (1399).; dit ter onderscheiding van Westerbroek.Wobbe de Vries, Groninger plaatsnamen, Groningen 1936, p. 308. De Gockinga's kozen, net als andere machtige hoofdelingen, in de strijd tussen de Schieringers en Vetkopers voor het laatste kamp. In 1398 droegen Tammo Gockinga en Menno Houwerda van Termunten de dorpen waarover zij meenden te heersen over aan de Hollandse graaf Albrecht van Beieren, om daarna het hele Oldambt in leen terug te krijgen.OGD, nr. 999, 1000 (1398). De stad Groningen, die op de hand van de Schieringers was, trok vervolgens tegen deze lokale krijgsheren op. In 1399 dwong de stad de toenmalige borgheer Eelt Gockinga, hoofdeling te Oestbroeck, de wallen rond zijn borg te slechten en de gracht te dempen. Eelt Gockinga (ook Eijoltt, Ayolt, Eelke of Elde genoemd) voorkwam daarmee dat hij in Groningen voor het gerecht moest verschijnen. Toen dit niet het gewenste effect had trok de stad twee jaar later opnieuw op tegen de Gockinga's.
Eijlt Gockinge hues to Oesterbroecke.werd op 23 april 1401 verwoest door boeren uit het Oldambt en Duurswold met steun van manschappen en kanonnen uit de stad Groningen.M.G.J. Duijvendak [red.] Geschiedenis van Groningen, deel 1, Zwolle 2008, p. 253, 356, 259, 281. De bezetting werd daarbij deels gedood, vee, graan en huisraad geroofd. Eerder al waren de kerken beroofd, vooraanstaande inwoners gegijzeld en was (aldus de kroniek van Rengers) tevens de kerk van Noordbroek in brand gestoken. De voorburg (de underborch) van het kasteel werd gesloopt, de grachten werden dichtgegooid en de stenen afgevoerd. Aan de vorm van het perceel naast de borg te zien, ging het mogelijk om een ommuurd kasteel met vier hoekbastions. De verwoesting van de borg op de dag van de heilige Gregorius werd nog jaren later in de stad Groningen feestelijk herdacht.Sicke Benninge, Croniken der Vrescher Landen mijtten Zoeven Seelanden ende der stadt Groningen, Den Haag 2012, p. 38-39. In later handschrift van dezelfde kroniek: Eylt Gockinge huus to Osterbrocke.
Eelt Gockinga werd ruim vier jaar lang in de boeien gesloten. Zijn moeder stierf in gevangenschap, hijzelf niet lang na zijn vrijlating. In een klaagschrift dat wordt geciteerd door Ubbo Emmius en Johan Rengers van ten Post doet de zoon Eppo Gockinga uitvoering verslag van de krijgshandelingen en de vernederingen die de familie zich moest laten welgevallen. De Gockinga's bleven trouw aan de partij van de Vetkopers, die onder leiding was komen te staan van de Oost-Friese krijgsheer Keno tom Broke. De Schieringer voorman Coppen Jarges, die de macht in de stad had gegrepen, nam daarop wraak op de Vetkopers door in 1414 een gouden schrijn uit de kerk van Midwolda te roven. De pastoor van Midwolda was altijd loyaal aan de Gockinga's geweest.
Eppo Gockinga herbouwde het slot en versterkte het weer, maar moest naar Oost-Friesland vluchten. In 1437 trouwde Eppo met de weduwe Frouwa Cirksena van Greetsiel, een zus van de latere graaf Ulrich I Cirksena van Oost-Friesland. Oost-Friese documenten noemen hem ook wel Eppe(n) to Westerbroke, ter onderscheiding van de familie Tom Broke uit het Brookmerland.
In 1438 werd het slot voor de derde maal belegerd en ingenomen door de stad Groningen, omdat de Gockinga's en de Houwerda's partij hadden gekozen voor de Oost-Friezen. Daarbij verloor Eppo tevens zijn steenhuis te Bellingwolde (dat hues to Billinge), dat door de stad werd geslecht. In de stukken is onder andere sprake van het Ockinge hues unde erve ... to Broke, vermoedelijk een verschrijving voor Gockinge hues (volgens sommigen echter een verwijzing naar het verdwenen Ockeweer in de Dollard). Door tussenkomst van zijn zwager mocht Eppo Gockinga het steenhuis bij Uiterburen blijven bewonen tot zijn dood in 1444, maar daarna vervielen zijn goederen aan de stad Groningen.Vries, de Gockinga, Eppo in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (NNBW) Zijn weduwe werd door stadssoldaten van haar bezit verjaagdJ.H. de Vries, Gockinga, Eppo, in: Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (NNBW) en probeerde tot 1456 tevergeefs haar goederen te Uiterburen terug te krijgen. De zoon uit haar eerste huwelijk Sibet Attena op de Beningaburg te Dornum probeerde vervolgens een doorbraak te forceren door gewapenderhand de Eems over te steken en Oterdum in te nemen. Graaf Ulrich wist in 1458 een verzoening bewerkstelligen, maar Frouwe kreeg daarmee het steenhuis niet terug. Een ander familielied, een zekere Remben Gockinga te Noordbroek, wordt genoemd in 1441.
De familie Gockinga stierf rond 1500 uit. Via de vrouwelijke lijn stamden twee andere families Gockinga van hen af. Een ervan bezat van 1772 tot 1851 de buitenplaats Veenhuizen te Stootshorn. Enkele leden van de laatste familie bewoonden gedurende enkele jaren de Drostenborg, als ambtswoning, namelijk Scato Gockinga (1652-1687) en diens gelijnamige zoon Scato (1683-1759).
Drostenborg Vanaf de 16e eeuw resideerde in Zuidbroek de ambtman, later de drost van het Oldambt. De oorspronkelijke borg moet in de 16e eeuw zijn verbouwd tot een herenhuis.
De Gockema goederen met de Gockema heert met dat Klene Arve en zo'n 250 deimt (125 hectare) aan akkers, weiland, venen en kwelders komen vanaf 1526 in de Groningse stadsrekeningen voor. Landerijen en borg werden verpacht. Het gebouw werd vanaf 1547 bewoond door drost Albert Rolteman, die tevens de bijbehorende twaalf akkers veenland en 23 deimt bouw- en weiland huurde.P.J. Blok (ed.), Rekeningen der stad Groningen uit de 16de eeuw, Den Haag 1896, p. xv, 12-13, 109-109, 297. De Gockemaheerdt werd vanaf 1576 opnieuw aan een landbouwer verhuurd en de boerderij werd aan hem verkocht, maar in het begin van de 17e eeuw werd de boerderij alsnog door de drost in gebruik genomen.A.S. de Blécourt, Oldambt en Ommelanden. Rechtshistorische opstellen met bijlagen, Assen 1935, p. 358 (nr. 101, 1576)
Vanaf de 17e eeuw sprak men over de landerijen ook als de Drostenheerd. Het herenhuis en de bijbehorende boerderij (het schathuis) stonden ten noorden van de huidige villa, deels op het belendende perceel. Een kaart uit 1725 toont het herenhuis met een bijgebouw en bossschages binnen een gracht. Daarachter bevond zich de Hoppecamp.Groninger Archieven, toegang 1536, inv.nr. 7260: Caarte van eenige stadts plaatsen gelegen in Zuidbroek als meede eenige stucken landt gelegen in Noordtbroekster hamrick, door H.W. Folckers, 1725. Een kaart uit 1646 is nog niet online toegankelijk: Groninger Archieven, toegang 1605: Stadsbestuur van Groningen (2), inv.nr. 12606: Stukken betreffende een geschil over de grens tussen Gockingaheerd in Zuidbroek, waar de drost woont, en de heerd van Hermen Sticker, met een kaart en tekening door de landmeter Cornelius Edzkens, 1646. De Dollardkaart van Henricus Teijsinga van omstreeks 1735 laat een dwarshuis zien met daarachter een schuur met een afzonderlijk woongedeelte.Rijksuniversiteit Groningen, universiteitsbibliotheek: [Kaart van het in de Dollard verdronken land], door Henricus Teijsinga ca. 1735. Op 17e-eeuwse kaarten staat de Drostenborg gewoonlijk aangegeven als olim Gockinga (de voormalige Gockingaborg). Op de provinciekaart van Theodorus Beckeringh uit 1781 staat daarentegen Drosten Borgh.