thumb|Kaart van Utopia (1595-1596) door Abraham Ortelius, geïnspireerd door het boek van Thomas More - in het Plantin-Moretus museum via de Koning Boudewijnstichting Utopia (Latijn: De optimo statu reipublicae deque nova insula Utopia) is een boek van de Engelse humanist Thomas More uit 1516. Hij was niet tevreden over de westerse maatschappij en dacht na over een betere wereld. Op basis van Griekse filosofie en christelijke godsdienst heeft hij een utopische samenleving ontworpen waar de mensen samenleefden in een sfeer van broederlijkheid. De gemeenschap van Utopia trok zich terug uit de maatschappij om strikt volgens de eigen principes te kunnen leven. Families, eigendommen en economie werden gecollectiviseerd en gecentraliseerd. Het bestuur van de staat lag in de handen van functionarissen die verkozen waren uit een geestelijke elite. Niemand zou ten prooi vallen aan armoede en hard werken, want er was een gelijkheid van goederen. Utopia was schatrijk, maar de Utopiërs leefden sober en legden zich toe op geestelijke zaken. Tevens hielden ze elkaar voortdurend in het oog en stelden zich defensief op tegenover de buitenwereld.
Raphaël Hythlodaeus De Portugese wereldreiziger Raphaël Hythlodaeus (‘verhalenverteller’) was het fictieve hoofdpersonage van het boek. Hij had zich aangesloten bij de tweede expeditie van Amerigo Vespucci en was niet mee teruggekomen van de vierde expeditie. Hij was vast van plan geweest om een hele tijd weg te blijven. Misschien zou hij nooit meer teruggekomen zijn naar zijn eigen maatschappij. Samen met vijf anderen had hij streek na streek doorgereisd en vijf jaar in Utopia (‘Nergensland’) gewoond. Via Calicut was hij toch weer in West-Europa aangeland.
Hythlodaeus was een man van studie die veel wist over de Griekse filosofie. Na zijn omzwervingen kon hij verhalen vertellen over vreemde landen en volken. Hij interesseerde zich voor andere culturen vanuit een wijsgerig standpunt: hij was op zoek naar goede en verstandige staatsinstellingen en zeden. Hytholdaeus was enkel teruggekomen om bekendheid te geven aan Utopia. In het voorwoord waarschuwde Thomas More al dat er veel kans was dat de mensen de neus zouden optrekken voor wat Hythlodaeus hen bood.
Utopische samenleving In een dialoog met Thomas More spaarde Hythlodaeus zijn kritiek op de gebreken van de westerse samenleving niet. Hij geloofde niet dat de westerse maatschappij veranderd kon worden en trok zich liever terug in Utopia.
Het eiland en zijn steden Ergens in Perzië lag er een eiland in de vorm van een wassende maan. De veroveraar Utopus had 1760 jaar geleden het eiland ingenomen en de landengte van vijftien mijl waarmee het eiland aan het continent vastzat, doorgegraven. Hij was de grondlegger van Utopia die de primitieve bevolking opgevoerd had tot de huidige beschaving. Aan de ene kant van het eiland liep een gevaarlijke zeestraat die permanent bewaakt werd vanuit een fort op een rots. Aan de andere kant lag een aantal havens. Er waren versterkingen aangelegd zodat een handjevol verdedigers een kolossale legermacht kon afhouden. De Utopiërs hadden geen behoefte aan gebiedsuitbreiding.
De 54 steden van Utopia werden gebouwd volgens dezelfde plattegrond en ingedeeld in vier wijken. In elke wijk was er een markt waar alle mogelijke waren in pakhuizen opgeslagen werden. Een familiehoofd kon zonder betaling krijgen wat zijn familie nodig had. In de propere steden was geen plaats voor vuiligheid en bederf. Iedere huis was een respectabel stuk werk dat een lange levensduur had. De huizen waren niet gesloten, zodat iedereen er ongehinderd kon binnenkomen. Om de tien jaar werden de huizen geruild. Er was een wedijver tussen de straten wie de mooiste tuin had.
De hoofdstad Amaurotum (‘Nooitgezien’) was gebouwd tegen een lichte berghelling, omgeven door een zware vestingmuur, torens en bolwerken. Langs drie zijden van de stad liep een diepe en brede gracht, dichtbegroeid met allerlei doorngewas. Aan de vierde zijde stroomde de rivier Anydrus (‘Onwater’) waarlangs de scheepvaart kon passeren. Het brongebied van een tweede riviertje was binnen de muren getrokken, zodat een vijandelijk leger het drinkwater niet kon afleiden of verontreinigen. De zee reikte bij vloed ettelijke mijlen boven de stad.
Bestuur Utopia werd bestuurd als een verbond van Griekse stadstaten. Op stedelijk niveau werd de vorst bijgestaan door een raad der ouden en een volksvergadering, op nationaal niveau nam de senaat de beslissingen. In Utopia werd alles goed geregeld en van hogerhand georganiseerd. De gezagsdragers genoten een speciale behandeling, want het wel en wee van het land hing van hen af. Overheidspersonen waren niet arrogant of tiranniek, ze werden met vader aangesproken en gedroegen zich als vaders. Men deed vrijwillig wat ze vroegen, dwang was niet nodig. Er werden eerbewijzen toegekend aan buitengewone mannen die zich met grote daden verdienstelijk gemaakt hadden voor de gemeenschap. Er was geen corruptie voor overheidsambten. Wie dat wel deed, maakte nooit meer een kans.
Syfogrant, traniboor en vorst 200 syfogranten: Een syfograntie was een eenheid van 30 families. Aan het hoofd stond een syfogrant die verkozen was voor 1 jaar. Er waren exact 6.000 families per stad, dus waren er 200 syfogranten per stad. Syfogranten waren vrijgesteld van werk, maar onttrokken er zich toch niet aan. Door hun voorbeeld stimuleerden ze anderen om te werken. Vrijwel hun enige taak was te zorgen dat er niet geluierd werd, maar dat iedereen ijverig aan het werk bleef. 20 traniboren: Een traniboor werd aangesteld over 10 syfogranten en hun families. Er waren jaarlijkse verkiezingen, maar traniboren werden niet zonder aanleiding vervangen. 1 vorst: De vorst van een stad werd bij geheime stemming verkozen door de 200 syfogranten die onder ede beloofden de meest geschikte te kiezen. Er was keuze uit vier kandidaten, één uit elke wijk van de stad. De vorst werd benoemd voor het leven, tenzij de verdenking rees dat hij naar dictatuur streefde.
Raad der ouden, volksvergadering en senaat De raad der ouden: de vorst vergaderde om de drie dagen met zijn 20 traniboren. De aanwezigheid van 2 syfogranten was vereist, omdat de vorst en zijn traniboren niet in de verleiding mochten komen om een autoritair bewind in te stellen. De volksvergadering: was de vergadering van de syfogranten. Elke beslissing van werkelijk belang werd eerst aan de volksvergadering voorgelegd. Hun besluit werd medegedeeld aan de raad der ouden. Politieke beslissingen nemen buiten de raad of de volksvergadering was een halsmisdaad. De senaat: was de vergadering van stedelijke afgevaardigden. Elke stad vaardigde jaarlijks drie burgers, ervaren oudere mannen, af naar de hoofdstad voor de zaken van landelijke belang. De zetel van de senaat was gelegen in de hoofdstad Amaurotum.
Werk In Utopia moest het lichaam zo weinig mogelijk afgebeuld worden om de geest zo veel mogelijk te kunnen ontplooien. De Utopiërs werkten 6 uur per dag, 3 uur voor de middag en 3 uur na de middag. Die zes uren waren voldoende om alles wat noodzakelijk en praktisch was, in overvloed te produceren, want in Utopia werkte iedereen en was er alleen zinvolle productie. In andere landen werkten vrouwen, geestelijken, bedelaars, rijkelui en hun knechten niet en was er veel zinloze productie in dienst van weelde en genotzucht. De Utopiërs hadden twee feestdagen per maand. Het was goed om het gemak en het comfort in het leven te verhogen.
Landbouw In de ommelanden van een stad lagen er hoeven zonder vast personeel, maar niemand kon zich onttrekken aan de landdienst. Om beurten kwamen stedelingen twee jaar werken in het harde boerenleven. Werkers op het land werden ieder jaar afgelost, als ze dat wilden. Voor de oogst werden bijkomende arbeiders gestuurd vanuit de stad. Een vader en een moeder met voldoende autoriteit en ervaring hadden de leiding over veertig werkers en twee slaven. Men ging na hoeveel landbouw- en veeteeltproducten een stad nodig had, maar er werd veel meer geproduceerd. In de senaat werd uitgemaakt waar er overschotten waren. Het tekort van de ene stad werd zonder tegenprestatie aangevuld met het overschot van een andere stad.
Ambachten Elke Utopiër kreeg onderwijs in een van de weinige ambachten: spinnen en weven, metselen, smeden, timmeren en meubelen maken. Er waren bijna geen andere beroepen nodig. Meestal werd de zoon opgeleid in het vak van zijn vader. De gemeenschap bepaalde aan welk vak ze het meest behoefte hadden.
Geestelijke elite In elke stad was er een geestelijke elite die vrijgesteld was van werk en zich alleen aan wetenschap en studie kon wijden. Van klein kind af hadden ze blijk geven van een bijzondere aanleg, een prima intelligentie en een grote belangstelling op geestelijk gebied. Ze werden aangewezen voor een intellectueel beroep op voordracht van de geestelijkheid en bij besluit van de syfogranten. Uit deze elite van ongeveer 300 mensen kwamen de vorst, de traniboren, de priesters en de afgevaardigden voor de senaat.
Ontwikkeling van de geest miniatuur|Verzonnen alfabet in Utopia (detail) (KU Leuven Bibliotheken Bijzondere Collecties). Uit de tentoonstelling "600 jaar Universiteit" in de Universiteitsbibliotheek (10 oktober 2025 tot 22 februari 2026) De meeste Utopiërs gebruikten de vrije tijd voor de ontwikkeling van de geest. Ze hielden ervan om de wereld te beschouwen, te onderzoeken en te begrijpen. Dat was de rijkdom van het leven. God had deze wondere wereld geschapen en intellectuele interesse stond gelijk aan bewondering voor Gods werk. Zich verdiepen in de natuur behaagde God, wetenschap was een soort eredienst. Zij evenaarden de Ouden in bijna alle opzichten, van onze denkers echter was niets tot hen doorgedrongen. Ze hadden de grondslagen van de wetenschap (wiskunde, logica en muziek), kenden meteorologie en astronomie (astrologie was boerenbedrog). Hun kosmologie kwam voor een deel overeen met de oude geleerden. Geneeskunde was volgens hen een van de nuttigste takken van de wetenschap. In de ethica stelden ze dezelfde vragen als wij. Wat was het goede? Het goede bracht geluk en genot. Het goede is volgens de natuur, de rede, de deugden en God. Iedereen ontving als kind onderwijs in de landstaal. Voor de volwassenen waren er openbare voordrachten over wetenschap en kunst waar grote menigten uit alle groepen van de bevolking heen stroomden. Een aanzienlijk deel van het volk besteedde de vrije uren aan zijn ontwikkeling. Ze waren altijd bereid tot geestelijke inspanning.
Hythlodaeus had klassieke werken meegebracht: de politiek van Plato en Aristoteles, de plantkunde van Theofrastus, de grammatica van Lascaris, de woordenboeken van Hesychius en Dioscurides, de essays van Plutarchus, de humor van Lucianus, de dichters Aristofanes, Homerus, Euripides en Sofocles, de geschiedschrijvers Thucydides, Herodotus en Herodianus, de geneeskunde van Hippocrates en Galenus. Het waren vooral werken uit de Griekse beschaving, want behalve de geschiedschrijvers en dichters zag hij niet zoveel in de Romeinse beschaving. De Utopische taal leek op Perzisch, maar bevatte sporen uit het Grieks, vooral in de namen van steden en ambten. Op basis daarvan besloot Hythlodaeus dat de Utopiërs van de Grieken afstamden. Van hem leerden ze snel Grieks. De Utopiërs waren niet alleen leergierig, maar ook vindingrijk. Vroeger hadden ze al technieken geleerd van een paar Romeinse en Egyptische schipbreukelingen. Dankzij Hythlodaeus konden ze nu ook papier maken en boeken drukken. Ze begrepen meteen hoe de zaak in elkaar zat, begonnen te experimenteren en kregen beide technieken weldra onder de knie. Vandaar dat buitenlanders die wat bij te brengen hadden, met open armen ontvangen werden. Hythlodaeus was een welkome gast door zijn bereisdheid en kennis van landen en volken. Ze wilden op de hoogte zijn van wat er gebeurde in de landen om hen heen.
Familie