Het christendom is in China een van de in het land aanwezige wereldgodsdiensten die van buiten China geïntroduceerd werden. Het arriveerde na het boeddhisme ten tijde van de Tang-dynastie, in dezelfde periode als de islam. Een verschil met de islam is, dat het christendom na de eerste introductie in China – in de zevende eeuw – hier meerdere malen gedurende perioden van eeuwen afwezig is geweest. De islam groeide in China door vestiging van Arabische handelaren en vooral migratie van islamitische groepen uit Centraal-Azië. Daarnaast werden vanaf de achttiende eeuw islamitische gebieden door verovering aan het keizerrijk toegevoegd. Personen in China werden veel minder christen door geboorte, maar vooral door bekering tot het christendom in een vaak vijandige omgeving. Een doop als het eind van het bekeringsproces moest in de meeste gevallen door een niet-Chinees worden verricht.

Het christendom heeft in de Chinese culturele ontwikkeling maar een zeer beperkte rol gespeeld. Het christendom is er tot halverwege de 19e eeuw – op enkele uitzonderingen na – niet in geslaagd om personen uit de elite van het land aan zich te binden. Na 1980 is een ontwikkeling van enige omvang te zien van toetreding tot christelijke kerken door mensen uit de middenklasse.

In termen van percentages van de totale bevolking is de omvang van het christendom in China bescheiden. In absolute aantallen is het na 1980 echter zeer aanzienlijk gegroeid. Ook de officiële cijfers van de Chinese overheid geven aan, dat het christendom inmiddels de islam gepasseerd is in aantal gelovigen. Het is vooral het protestantisme dat voor die groei heeft gezorgd. De meeste studies van onafhankelijke instituten komen uit op aantallen tussen de 25.000.000 en 40.000.000 protestanten aan het begin van het tweede decennium van de eenentwintigste eeuw. Bij aanname van de laatste raming is China na de Verenigde Staten in absolute aantallen het land met het grootste aantal protestanten. Een aantal van die studies gaat ook uit van een jaarlijkse groei van het aantal gelovigen van omstreeks 5 %. thumb|De Confucius Sinarum Philosopfus een vertaling uit 1687, gemaakt door een groep onder leiding van Philippe Couplet, van drie van de Vier Boeken, de Grote Leer, de Doctrine van het Midden en een deel van de Gesprekken van Confucius Ook binnen het Chinese protestantisme zijn meerdere stromingen aanwezig. Meer in het algemeen kenmerkt het zich echter door sterk evangelicale opvattingen en is het in aanzienlijke mate beïnvloed door het pentecostalisme.

Vanaf de dertiende eeuw was kennis in Europa over China vrijwel geheel gebaseerd op beschrijvingen van missionarissen. Tot aan de ontbinding van hun orde in 1773 waren alle vertalingen in Europese talen van de Chinese klassieken door jezuïeten gemaakt. Met name in de achttiende eeuw leidden die geschriften tot veel debat tussen Europese denkers en schrijvers. De meeste hedendaagse historici zien overigens geen blijvende Chinese invloed op de ontwikkeling van de Europese cultuur en constateren dat de meeste Europese denkers en schrijvers de informatie uit China zorgvuldig selecteerden om daarmee vooral hun eigen reeds gevormde ideeën te ondersteunen.

Vanaf begin negentiende eeuw publiceerden ook protestantse zendelingen over de Chinese samenleving en cultuur. Hiermee werd de basis gelegd voor de sinologie als wetenschap. Hoewel de jezuïeten al veel delen van de Bijbel in het Chinees hadden vertaald, waren het zendelingen die de eerste vertalingen van de volledige Bijbel uitgaven. Zending en missie brachten in de negentiende eeuw de moderne medische wetenschap naar China en stichtten onder meer ziekenhuizen en onderwijsinstituten.

Indeling in periodes De geschiedenis van het christendom in China kan verdeeld worden in een aantal perioden. De eerste duurde twee eeuwen en viel samen met de Tang-dynastie (618-907). Er zijn nauwelijks bronnen die informatie geven of en zo ja in welke mate er in deze periode ook Chinezen tot het christendom bekeerd zouden zijn. De weinige beschikbare informatie geeft echter aan, dat christendom gedurende deze periode in omvang van gelovigen marginaal geweest moet zijn.

De tweede periode was tijdens de Yuan-dynastie (1279-1368). De beschikbare bronnen geven aan, dat er ook in deze periode onder Han-Chinezen nauwelijks sprake geweest kan zijn van bekeringen tot het christelijk geloof.

Vanaf de derde periode die omstreeks 1600 begon aan het eind van de Ming-dynastie werden de eerste bekeringen in enige omvang onder Chinezen zelf gemaakt. Deze periode – de missie van de jezuïeten – eindigde formeel in 1724 als de uitoefening van het christendom verboden wordt. Het christendom werd echter levend gehouden door een Chinese geestelijkheid en enkele tientallen missionarissen bleven erin slagen het land illegaal binnen te komen.

De vierde periode van zowel missie en zending begon op beperkte schaal begin negentiende eeuw en werd gevolgd door een periode na 1860 toen in geheel China missie en zending mogelijk werd. Het aantal missionarissen en zendelingen nam hierna ook explosief toe. Deze periode eindigde met het abrupte eind van missie en zending in de jaren 1950-1953.

De nestoriaanse missie tijdens de Tang-dynastie

thumb|Deel van de Nestoriaanse stele thumb|Nestoriaanse priesters in de achtste eeuw op een fresco in een van de grotten van Bezeklik

De missie van de nestoriaanse Kerk van het Oosten tijdens de Tang-dynastie was de eerste introductie van het christendom in China, die in historische zin volstrekt onomstreden is. In 635 arriveerde Alopen in de toenmalige hoofdstad Chang'an. Zijn aankomst is vastgelegd in een edict uit 638 van de keizer Taizong ( r. 626-649). Het manuscript van dat edict is verloren gegaan, maar de tekst werd onder meer gereproduceerd in de inscriptie op de Nestoriaanse stele. Alopen zou gezonden zijn door de katholikos van Ctesiphon, in die tijd Isoyabh II. Hij kreeg toestemming om een klooster in Chang'an te bouwen. De tekst op de stele meldt, dat daar eenentwintig missionarissen aanwezig waren. Het tekstdeel in het Syrisch op de stele geeft informatie over andere missionarissen die na Alopen arriveerden. Dit tekstdeel besluit met een lijst van zeventig missionarissen in China tot aan 780.

Uit andere bronnen is duidelijk, dat er christelijke gemeenschappen waren in Chang'an, Kanton, Luoyang, Dunhuang en Zhouzhi. Over het algemeen waren dat ook steden met buitenlandse handel en een aanwezigheid van relatief grote groepen vreemdelingen. De tekst op de stele maakt duidelijk dat het in China aanwezig kunnen zijn van een religie als het nestoriaanse christendom afhankelijk was van de wil en opvattingen van de keizers. Het is in de tekst van de inscriptie steeds een keizer die de vertalingen van literatuur uit de Bijbel in het Chinees beval dan wel daar toestemming voor gaf. Dit geldt ook voor andere zaken zoals het kunnen bouwen van kloosters en kerken. Het is de keizer die de tolerantie uitspreekt ten aanzien van de aanwezigheid van een voor China zo onbekende religie. De keizer Gaozong (r. 649-683) zou volgens de tekst van de stele het stichten van christelijke kloosters in alle prefecturen van het rijk hebben goedgekeurd. Er waren in die periode ongeveer 360 prefecturen in China. Historici gaan ervan uit dat er hoogstens enkele tientallen kloosters daadwerkelijk zijn gesticht.

De tweede belangrijkste bron over het nestorianisme in China in deze periode zijn de Jezussoetra's, een benaming die sinds eind twintigste eeuw door een aantal westerse auteurs gegeven is aan negen nestoriaanse Chinese teksten uit deze periode, die onderdeel waren van de grote vondst van manuscripten in 1900, de manuscripten van Dunhuang. Dit zijn teksten die alle over theologische begrippen handelen en de kern van het christelijk geloof beschrijven.

Een opvallend aspect is dat er in er in de tekst van de inscriptie op de stele alsmede in deze manuscripten nergens voor het nestorianisme kenmerkende teksten te vinden zijn. Nergens wordt in de teksten de nestoriaanse opvatting over de scheiding tussen Jezus' goddelijke en menselijke natuur vermeld. Er is slechts een in de omgeving van Turpan gevonden fragment waar Maria als de Moeder van Christus wordt beschreven in tegenstelling tot het concept van de Moeder van God. De nestoriaanse missionarissen in China zagen bij hun missiearbeid kennelijk geen enkele noodzaak in het vermelden van de doctrinaire verschillen met de rest van het christendom.

De Tang-dynastie was aan het eind van de achtste eeuw al ernstig verzwakt en had vanaf de negende eeuw permanent grote economische problemen. In 845 nam de keizer Wuzong ( r. 840-846) het besluit om alle buitenlandse godsdiensten in China te verbieden. Het besluit was in de eerste plaats gericht tegen het georganiseerd boeddhisme en was ingegeven door financiële motieven. De boeddhistische kloosters hadden enorme rijkdommen verzameld en waren vaak vrijgesteld van betaling van belasting. Het besluit had echter ook consequenties voor het christendom, het manicheïsme en het zoroastrisme. Alle geestelijken van de verboden religies dienden naar een lekenbestaan terug te keren en werden daarna behandeld als alle andere immigranten. Het boeddhisme, hoewel verzwakt, wist zich in de periode hierna weer te herstellen, maar het christendom verdween geheel uit China.

Christendom tijdens de Yuan-dynastie

thumb|Nestoriaanse grafsteen uit 1314 met inscriptie in Phagspa-schrift in Quanzhou thumb|Illustratie in een uitgave van Il Milione uit de vijftiende eeuw. Ong Khan wordt afgebeeld als een kardinaal met twee assistenten met christelijke kruizen in verband met zijn associatie als Pape Jan

De tweede introductie van het christendom begon met het binnentrekken van China door een aantal nestoriaanse Turks-Mongoolse stammen uit Centraal-Azië. Die waren beïnvloed door de cultuur van de deels ook nestoriaanse Oeigoeren. Een aantal personen uit die stammen trad in dienst bij de heersers van de Jin-dynastie (1115-1234). In de eerste helft van de dertiende eeuw werd door de Mongolen het noorden van China veroverd. Een deel van het bestuur werd overgedragen aan ervaren nestoriaanse bestuurders. Tegelijkertijd werden er vanuit de Kerk van het Oosten in Bagdad nieuwe missieactiviteiten ontwikkeld. Er werden nieuwe metropolieten naar het oosten van Azië gezonden om nieuwe kerkprovincies te creëren. Nestorianen in China waren vooral aanwezig in de Turkse en Mongoolse stammen der Keiraïten, die zich al kort na 1000 tot het nestorianisme hadden bekeerd, de Naimanen, Oeigoeren en de Onggud. Mar Mark, een monnik uit de stam van de Onggud, was van 1281 tot 1317 patriarch van de Kerk van het Oosten onder de naam Mar Yahballaha III.

Rooms-katholieken Vanuit West-Europa werden vanaf begin dertiende eeuw door koningen en pausen afgezanten gezonden naar het Mongoolse hof in Karakorum. De gedachte was de mogelijkheid te onderzoeken van het creëren van een Europees-Mongoolse alliantie gericht op het heroveren van het Heilig Land. De aankomst van de nestoriaanse Rabban Bar Sauma creëerde ook verwachtingen ten aanzien van de mogelijke hereniging tussen de Kerk van Rome en kerken in het oosten. Deze aspecten leidden tot een missie van de franciscanen tijdens de Yuan-dynastie. (1279-1368). Giovanni da Montecorvino (1247-1330) werd in 1313 door een aantal door Paus Clemens V gezonden suffragaanbisschoppen geconsecreerd tot aartsbisschop van Khanbaliq, het huidige Peking en patriarch van de Rooms-Katholieke Kerk in het hele Oosten.