Het christendom in China na 1950 werd in de periode tot globaal 1965 steeds minder zichtbaar in het land. De institutionele structuren van zowel het protestantisme als het rooms-katholicisme werden onder controle van de staat en de communistische partij gebracht. Vrijwel alle buitenlandse zendelingen en missionarissen hadden in 1953 het land verlaten.
In de periode van de Culturele Revolutie (1966-1975) was iedere publieke uitoefening van religieuze activiteiten onmogelijk. Na 1978 werden religieuze activiteiten weer mogelijk. De belangrijkste ontwikkeling sindsdien is die van de enorme groei van de huisgemeenten of thuiskerken. Dit zijn zowel katholieke als protestantse gemeenschappen die weigeren zich aan te sluiten bij de door de staat erkende en gecontroleerde formele structuren. In absolute aantallen is vooral de protestantse beweging in aantal gelovigen zeer sterk toegenomen. Aan het begin van deze periode waren omstreeks 900.000 protestanten in China aanwezig. De aantallen aan het begin van het tweede decennium van de eenentwintigste eeuw worden geraamd tussen de 25.000.000 en 40.000.000 gelovigen.
Achtergrond
In 1949 was de overwinning van de communistische partij in de burgeroorlog vrijwel compleet en werd de Volksrepubliek China uitgeroepen. Er waren toen ruim 3.000.000 Chinese katholieken. In 1946 was Thomas Tien Ken-sin benoemd tot de eerste Chinese kardinaal en aartsbisschop van Peking. Er waren 124 bisschoppen in China, waarvan 25 Chinese. In 1948 waren er voor het eerst meer Chinese priesters (3000) dan buitenlandse (2700). Daarnaast waren er ruim 5000 buitenlandse missiezusters aanwezig.
Er waren ongeveer 900.000 Chinese protestanten. De protestantse beweging in China was in de eerste helft van de twintigste eeuw verder verdeeld geraakt. De grootste kerk was de in 1927 gestichte en niet aan een denominatie gebonden Kerk van Christus in China. Daarnaast waren er vanuit de zendingsgenootschappen die al in de negentiende eeuw in het land actief waren kerken gesticht zoals onder meer de Evangelisch-Lutherse Kerk van China, de Anglicaanse Kerk van China, de Presbyteriaanse Kerk van China en een aantal kleinere sterk evangelische kerken. Er waren in 1949 omstreeks 4200 buitenlandse zendelingen in China aanwezig.
Een belangrijke factor die van invloed was geweest op de toenemende verdeeldheid was de groei van onafhankelijke Chinese bewegingen en kerken die nauwelijks of geheel niet verbonden waren aan de zendingsgenootschappen en een eigen agenda en leiderschap hadden. Een aantal van die kerken wees in de geest van aanwezig anti-imperialisme en meer Chinees nationaal zelfbewustzijn iedere samenwerking met de kerken van de zendingsgenootschappen af. In 1949 maakten ongeveer 25% van de gelovigen in China deel uit van deze onafhankelijke kerken. De grootste van deze kerken was de Ware Jezuskerk.
Ontwikkelingen tot omstreeks 1978 Er was voor 1949 sprake van enige samenwerking tussen de communistische partij en een aantal christelijke groeperingen. Dit vond zijn basis in het idee van het Verenigde Front, een coalitie met progressieve maar niet-communistische groepen in een gezamenlijke strijd tegen eerst de Japanse bezetting van grote delen van China en daarna tegen de Nationalisten van de Kwomingtang. In de praktijk waren dat vrijwel uitsluitend protestantse groeperingen. De rooms-katholieke kerk in China had zich uitdrukkelijk verbonden aan de Kwomingtang.
In de eerste ontwerpgrondwet van de Volksrepubliek in 1950 en daarna in de artikelen 4 en 5 van de grondwet van 1954 was sprake van vrijheid van godsdienst voor iedere burger in het land. Na het uitbreken van de Koreaanse Oorlog in 1950 werd begonnen met het uitzetten van buitenlandse geestelijken alsmede de confiscatie van de bezittingen van de buitenlandse christelijke instituten. In 1952 had al 90% van alle missionarissen, missiezusters en zendelingen het land verlaten en het volgend jaar was er vrijwel geen meer aanwezig. Een aantal vertrok naar Hongkong, Macau, Taiwan of andere delen van Azië. Er was ook sprake van een vlucht van een deel van de Chinese geestelijkheid met name in de jaren van en volgend op de Grote Sprong Voorwaarts. Een deel voegde zich bij de vluchtelingenstroom naar Hongkong en Taiwan, anderen trachtten zich aan te sluiten bij Chinese kerken in Zuidoost-Azië.
Binnen de rooms-katholieke kerk in China was geen enkele sympathie voor de communistische machtsovername. De kerk had zich in de decennia daarvoor uitdrukkelijk verbonden aan de Kwomingtang. Missionarissen werden voor hun uitzetting dan ook vaak hard behandeld. Er werden beschuldigingen geuit ten aanzien van wangedrag en verwaarlozing in ziekenhuizen en weeshuizen. Een aantal bracht enige jaren in gevangenschap door. Het regime trachtte een Nationale Chinese Katholieke Kerk te vormen die de zogenaamde "drie-zelfprincipes" zou hanteren. Het concept van de "drie-zelfprincipes" zelf was overigens al in de negentiende eeuw door enkele zendelingen beschreven.
zelfbestuur op lokaal niveau (los van zendingsorganisaties en buitenlandse kerken) zelfvoorzienend (iedere parochie moet zelf in haar eigen behoeften kunnen voorzien) zelfverbreiding (iedere kerkgemeente op lokaal niveau moet zelf in staat zijn uit te groeien tot een volwaardige parochie en zichzelf "op de kaart zetten" door middel van missie en evangelisatie.
De Chinese regering radicaliseerde dit concept door iedere niet-Chinese invloed en bemoeienis te verbieden. Deze beperking had al grote gevolgen voor de zelfstandige protestantse kerken met internationale contacten, maar zij stond helemaal haaks op de gecentraliseerde organisatie die de Rooms-Katholieke Kerk kenmerkte.
In 1952 verscheen de apostolische brief Cupimus Imprimis van paus Pius XII, die in 1954 gevolgd werd door de encycliek Ad Sinarum gentem, waarin hij waarschuwde tegen het ontstaan van een eigen Nationaal Chinese Katholieke Kerk en een scheiding met Rome. Geleidelijk aan wist het regime echter de tegenstand van de Chinese katholieke geestelijkheid te overwinnen en te breken en dit leidde in 1957 tot de stichting van de Chinese Katholieke Patriottische Vereniging.
In 1958 vaardigde Pius XII de encycliek Ad Apostolorum principis uit, waarin hij uitsprak dat bisschoppen die meewerkten aan de consecratie van nieuwe bisschoppen zonder de instemming van Rome zouden worden geëxcommuniceerd. Met name in het bisdom Shanghai bleef tot 1960 verzet aanwezig tegen de nieuwe opgelegde en door de staat gecontroleerde structuur. De bisschop Ignatius Kung Pin-Mei, later in pectore tot kardinaal gecreëerd was een van de velen die in de gevangenis belandde.
De houding van de Chinese protestantse beweging was meer ambivalent. Een groot aantal protestanten had de communistische overwinning verwelkomd. In 1950 leidde dat de formulering van een Christelijk Manifest, ondertekend door 139 protestantse kerkleiders, waarin verklaard werd dat protestanten de nieuwe regering zouden steunen en iedere vorm van imperialisme afwezen. Dezelfde leiders waren actief betrokken bij de vorming van een nationaal kerkorgaan in 1951, dat in 1954 leidde tot de stichting van de Drie Zelf Patriottische Beweging, ook wel de Drie-Zelfkerk. Veel van de eerste leiders van de Drie Zelf Patriottische Beweging waren afkomstig uit de Kerk van Christus in China en hadden samengewerkt met buitenlandse zendelingen.
Een ander deel van de protestantse beweging en met name de onafhankelijke Chinese kerken die zich in de jaren 30 hadden ontwikkeld en die zich in de geest van aanwezig anti-imperialisme en meer Chinees nationaal zelfbewustzijn juist hadden gekeerd tegen buitenlandse invloeden verzette zich nu hevig tegen het ontbinden van bestaande structuren. Zij wezen iedere vorm van een unificatie van de protestantse beweging en samenwerking met de staat af. Ook hier volgde vaak gevangenschap van leidende personen die zich bleven verzetten, zoals Watchman Nee. Vanaf 1955 werd de druk verder vergroot en voerde de Drie Zelf Patriottische Beweging een aantal hevige campagnes tegen protestantse groeperingen die zich niet wensten aan te sluiten.
Vanaf de periode van de Grote Sprong Voorwaarts (1959 – 1962) begonnen echte vervolgingen. In 1964 werden de door de staat zelf geëntameerde structuren van de Drie Zelf Patriottische Beweging alsmede de Chinese Katholieke Patriottische Vereniging ontbonden. In de periode van de Culturele Revolutie (1966-1975) was iedere publieke uitoefening van religieuze activiteiten onmogelijk. Kerken werden gebruikt als school, opslagplaatsen, fabrieksruimten,etc.
Er is anno 2016 nog steeds weinig inzicht in de daadwerkelijke invloed van deze acties en het geweld van Rode Gardisten op het christelijke bestaan als zodanig in China deze jaren. Dorpen waar traditioneel een meerderheid van de bevolking katholiek was voor deze periode bleken dit na afloop van de periode ook nog te zijn. Het is nog steeds onduidelijk hoe men in deze dorpen omging met maoïstische radicalen en welke compromissen wel of niet werden gemaakt.
Ontwikkelingen vanaf 1978 In 1978 werd de beslissing genomen opnieuw ruimten ter beschikking te stellen voor het uitoefenen van religieuze activiteiten. In 1979 werd de Chinese Katholieke Patriottische Vereniging heropgericht, nu ook met een eigen bisschoppenconferentie. In hetzelfde jaar vond ook de heroprichting van de Drie Zelf Patriottische Beweging plaats. In 1980 werd dat gevolgd door de oprichting van de Chinese Christelijke Raad als overkoepelend orgaan voor de lokale protestantse kerken in het land onder het leiderschap van de anglicaanse bisschop K.H. Ting. De Raad is verantwoordelijk voor de theologische opleiding in het land, publicatie van bijbels, liedboeken en andere religieuze literatuur en bevordert de uitwisseling van kennis en deskundigheid tussen de kerken op lokaal niveau. In de jaren daarna werd geconfisqueerd eigendom, zoals kerkgebouwen teruggegeven aan de geloofsgemeenschap.
Document 19 In 1982 werd door de partij het zogenaamde Document 19 tot richtinggevend verklaard voor het beleid ten opzichte van religie. Het aanvaardde vrijheid van godsdienst en uitoefenen van religieuze activiteiten. Aan de andere kant sprak het uit, dat activiteiten buiten een aantal kaders niet geaccepteerd zouden worden. Die werden omschreven als criminele en contrarevolutionaire activiteiten die zich zouden verschuilen achter een façade van religie alsmede infiltratie door buitenlandse vijandelijke krachten van Chinese religieuze organisaties. Het document stelde dan ook, dat religieuze organisaties onder een vorm van supervisie en monitoring gesteld zouden moeten blijven. Die rol wordt in het land uitgevoerd door de State Administration of Religious Affairs.
Waarnemers wijzen in de discussie hieromtrent op elementen als de vrees van het regime dat religieuze instituten zich zouden kunnen ontwikkelen tot machtscentra buiten de partij. Een ander element is dat religieuze overtuigingen een bedreiging zouden kunnen vormen voor de officiële ideologie van de partij. Die overtuigingen zouden ook het gevolg kunnen zijn van wat wel ideologische penetratie van buitenlandse krachten wordt genoemd. Onder die krachten die daarvan in de laatste decennia beschuldigd werden zijn bijvoorbeeld evangelicale kerken als delen van de Southern Baptist Convention en sektarische groepen uit Taiwan als de Yiguandao.
De standpunten uit het document worden ook vaak verschillend geïnterpreteerd. Er zijn nauwelijks of geen officiële richtlijnen, waar grenzen van wel of niet toelaatbaar gespecificeerd worden. In tijden van politieke spanning, zoals na het Tiananmenprotest van 1989 is er sprake van invallen bij religieuze groeperingen en willekeurig aandoende arrestaties.