thumb|Akte van belening Jacob de Cock van Opijnen met Thedinghsweert door de abdis van het stift Thorn (1560) thumb|Ligging Thedinghsweert ten westen van Tiel aan de overkant van de Linge (1759) thumb|Detail Fol.1 uit het leenregister van Thedinghsweert (18de-19de eeuw) thumb|Alliantiewapen Joost Vijgh en Anna de Cock van Opijnen Thedinghsweert is een landgoed van circa 55 hectare aan de Linge te Kerk-Avezaath in het buitengebied van de gemeente Tiel in de Neder-Betuwe. Het telt vier eigenaren: de Stichting Thedinghsweert die met ruim vijftig mensen met een beperking of een probleem een zorgboerderij annex bakkerij en een natuurvoedingswinkel runt,Thedinghsweert: Uitgangspunten zorg Geraadpleegd 20 mei 2016 de Stichting PrezzentWonen op Thedinghsweert Geraadpleegd 20 mei 2016, de Woonvereniging ThedinghsweertWoonvereniging Thedinghsweert Informatie over de (woon)vereniging Thedinghsweert, Kerk-Avezaath / Tiel, december 2012 Geraadpleegd 20 mei 2016 en een fruitbedrijf.
De naam is opgebouwd uit Thedingh, waarschijnlijk de geslachtsnaam van de vroegste bewoners, en weert of waard dat staat voor buitendijks rivierengebied.
Geschiedenis In de late middeleeuwen was Thedinghsweert een zaalleen van het stift Thorn, wat inhield dat de heer van Thedinghsweert een gezadeld paard moest leveren aan zijn leenheer. Het komt voor onder de naam Tetinxweert en was gelegen in de voormalige gouw Teisterbant die einde 10de eeuw in leen kwam van Ansfried van Hoei. Graaf Ansfried stichtte het stift Thorn tussen 972 en 992. (2000) Handboek voor de geschiedenis van Limburg, Maaslandse monografien nr. 63, p. 83 (Hilversum, Verloren) Vermoedelijk heeft hij het goed Thedinghsweert na de stichting geschonken aan het stift.
Om als schenking te dienen moet het goed van enig belang geweest zijn. Het lag ten opzichte van de omliggende dorpen en kerspels gunstig op een oeverwal aan het 'lange water' of de Linge, die volgens archeologen al in de Romeinse tijd bevaren werd. Door de gunstige ligging zal Thedinghsweert al vroeg bewoond zijn geweest, vermoedelijk vanaf 450. In het midden van de 13de eeuw is het gebied bedijkt.De Tielse Kroniek: Daags na Maria Geboorte (9 september) 1259 is voor het eerst een dijk gelegd langs het lange water dat in de volksmond de 'Linghen' heet. p. 86 Kort daarna is de open verbinding tussen Waal en Linge afgedamd. Vanwege overstromingen en wateroverlast werd de Linge in 1304 bij Tiel definitief afgedamd waarmee het gebied rond Thedinghsweert een kwelwatergebied werd.
In het ancien régime was Thedinghsweert een riddermatig goed wat wil zeggen dat het voldeed aan de eisen die de ridderschap stelde voor de toelating. Om verschreven en geadmitteerd te worden in de Neder-Betuwse ridderschap moest men in het bezit zijn van een aensienlijck huys omgeven door grachten. De geadmiteerde diende het huis zelf te bewonen.Zie voor zaalgoed en riddermatigheid: (1962) Ministerialiteit en ridderschap in Gelre en Zutphen Werken Gelre nr. 32 (Arnhem, Gouda Quint - Brouwer en Zn)
Het oudst bewaarde leenboek dateert uit de achttiende/negentiende eeuw. Het vangt aan met de beschrijving van de akte uit 1657 van belening van Johan van Brakel († 1661) door de Abdis van Thorn met Thedinghsweert en eindigt in 1806 en is dus grotendeels achteraf geschreven.Gelders Archief, 0508 Handschriften Rijksarchief in Gelderland Uit de leenakte van 21 juni 1657 blijkt dat het landgoed de Thedinghsweert op dat moment 110 morgen groot is en Lheenroerigh is geweest en de alsnog Lheenachtig is aan het weldlichen Stift ende Lants Thoorn. Uit latere publicaties van veilingen en notariële akten van verkopen blijkt uit welke kavels het goed bestond en hoe deze verspreid lagen. Bij een veiling in 1806 bevatte het landgoed alleen nog een huisplaats (het huis zelf binnen de gracht was toen kennelijk afgebroken), diverse andere gebouwen zoals stallingen en een koetshuis alsmede velden, visrechten en een kerkbank.Uit de opsomming van het gehele bezit voor de veiling van 1806 blijkt dat er nog slechts sprake is van een huisplaats; het huis binnen de gracht is dan kennelijk afgebroken. Wel staat er in de nabijheid van de huisplaats een koetshuis, een tuinmanshuis en een huis met achterhuis. Ook bevat het een berg, een boomgaard, een moestuin en 4 morgen weiland. Verder omvat het een grote boerenwoning met vier percelen weiland onder Drumpt, 36 morgen bouwland in de Tedingweerdse bouwing, een groot bos achter aan de Weerdse Dijk, 5,5 morgen kersenbongerd op het Gijn, 8 morgen bouwland leenroerig aan Soelen en Aldenhaag, een bouwhuis met een morgen bouwland op de Eng, 4 morgen bouwland onder d'Avezathen, een wei aan de Tielweg en drie afzonderlijke percelen. Daarnaast een kerkbank in de kerk van Kerk Avezaath en een in de kerk van Kapel-Avezaath, en verschillende vakken visserijrechten in de Linge. Het totale oppervlak is dan 112 morgen. Het landgoed had volgens de opsomming uit 1806 van Pierre W.L. Quarles 112 morgen of 95 hectare.
Uit de notariële akte van verkoop door Blijdestein aan baron Van Borssele van Wandenoyen uit 1812 blijkt dat er op de huisplaats weer een huis stond. Het totale oppervlak was in 1812 eveneens 112 morgen. Bij verkoop in 1904 werd Teedingsweerd aangeboden met circa 60 hectare en het blijkt na de verkoop aan Van Beuningen een oppervlak te meten van ruim 55 hectare.Merkelbach (2004) p. 53
Oudst bekende bezitters De oudst bekende bezitter is Arnt van Soelen geheeten van der Noertlosen, ook bekend als Arndt van Arkel. Hij was afkomstig uit Noordeloos in de Alblasserwaard en in 1298 door de graaf van Gelre beleend met het 'oude' huis of hofstad Soelen, later den Aldenhaag geheten. Dit vanwege het overlijden van Otto van Soelen die slechts een minderjarige dochter achterliet. Naast het huis Soelen (Aldenhaag) had Arnt van de abdis van het stift Thorn Tetinxweert in leen, dat hij in zijn geheel in achterleen gegeven had aan Otto van Avezathe.
Op 14 juni 1329 deed Arndt het verzoek aan Margharete van Pytersheym, abdis van het stift Thorn, om Thetinxweert over te dragen aan Parnele van Abcoude, de weduwe van Jan van Culemborch. Het verzoek werd gehonoreerd onder de voorwaarde dat het goed na overlijden van Parlene en haar kinderen zou vervallen aan haar broer Zweder van Abcoude, die gehuwd was met Mabelia van Arkel. De Van Arkels hadden familiebanden met Jan van Arkel, bisschop van Utrecht en later prins-bisschop van Luik. De familie van Arkel was rijk en machtig. Dat een Van Arkel zich liet belenen met Thedinghsweert geeft aan dat dit goed een aanzienlijke status had.
Pralene van Abcoude vrouwe van Tetincsweert overleed in 1333, vier jaar nadat ze Thedinghsweert in bezit kreeg. Het goed vererfde op haar zoon Johan die het in 1344 verkocht aan Goossen van Rossem ten behoeve van diens bastaardzonen Gherard en Sander. In 1413 werd het goed de Tedingsweerd in Avezaath door de abdis van Thorn voor levenslang in vruchtgebruik gegeven aan Catherina van Brakell († in of na 1435), dochter van Heer Johan I van Brakell, ridder, en Margriet van Zuylen, telg uit een adellijk geslacht uit het Utrechtse Sticht. Catherina was voor 1413 gehuwd met Johan van Rossem († 1424), zoon van Goossen van Rossem, ridder en schepen in de Hoge bank van Driel. In 1449 verkocht Jan van Rossems zoon het goed aan Arnt de Cock van Opijnen. In 1572 werden Dirck Vijgh en zijn echtgenote Heilwig van Rossem beleend met Thedinghsweert. De familie de Cock van Opijnen zou vijf generaties lang, van 1449 tot 1657, het adellijke huis Thedinghsweert bewonen. De laatste was jonker Everard de Cocq van Opijnen die in 1656 als oudste in verschijning de ridderschap presideerde.
Van Brakell 1657-1757 Nadat het gehele bezit van Johan de Cock van Opijnen heer van Thedinghsweert en Geffen († 1654) verbeurd verklaard was, werd op 23 juni 1657 Johan van Brakell († 1661), gehuwd met Henrica of Hendrika Millink († 1662) door de abdis van Thorn beleend met het jus domini directi of de Lheenheerlijkheyd van het Goed Thedinxweert.Broersen (2008) p. 24 Het goed was op dat moment in zijn totaliteit in achterleen uitgegeven en besloeg 110 morgen, bestaande uit drie kavels van respectievelijk 55, 37 en 18 morgen, berekend volgens de oude meetmethode waarbij slechts beteelbare grond meegerekend werd.Tot aan de invoering van het kadaster begin 19de eeuw werden sloten, weteringen, paden, houtwallen, heggen, etc. niet meegemeten. Men rekende slechts het beteelbare oppervlak van het perceel, dat deel dat door de ploeg gegrepen kon worden. De verschillen met de moderne kadastrale metingen belopen vaak meer dan 10%, en voor het rivierengebied vaak nog meer. Zie: Grootte der gronden tijdens de invoering van het kadaster ('s-Gravenhage 1875) Het dominium utile, het feitelijke bezit, van 55 morgen behoorde toe aan Joost Vijgh (1600-1666) heer van IJsendoorn (1639) die gehuwd was met Anna van Opijnen († 1669) dochter van Johan de Cock. Hij had een derde verkregen van zijn vader die in 1572 beleend was met [een deel] van Thedingsweert, een derde wegens Juffr. Walborg de Cock, Walburch Maria de Cock van Opijnen was een zuster van zijn echtgenote,Gelders Archief, 0470 Familie De Cock van Opijnen, inv. nr. 1.1.7 Laatste wijziging 20-05-2014 en een derde uit vererving van zijn schoonvader de Heer van Geffen (Johan de Cock) waarbij inbegrepen het riddermatige Huis Thedinghsweert. De kavel van 37 morgen was voor de helft in bezit van den ambtman Spies wonende bij Aken en voor de andere helft in bezit van de Wed. van Gerrit Heuf den Jonge.Belonje (1983) p. 38 met verw. noot 129: Leenregister Thedingswaard en noot 130: Als voren fol°. 1, 'den Amptman Spies, woonende bij Aken heeft in Thedinxweert de ½ van seckere 37 morgen, waer onder begreepen huijs en Hofstadt'. De resterende 18 morgen was bezit van Gijsbert Heuf.
Thedinghsweert had zelf een leenkamer die door Van Brakell ondergebracht werd in zijn eigen leenkamer van Kermesteyn. De registers werden gescheiden bijgewerkt.
Willem Frederik van Brakell (1662-1702), kleinzoon van Johan van Brakell, kocht in 1691 achterlenen, waaronder Tedingsweerd met het huis Tedingsweerd c.a. en werd er in 1692 door de leenkamer van Kermestein mee beleend. Het landgoed was 55 morgen groot en bevatte het adellijk huis.Geldersch Archief: 0583 Huis Laar Zijn grootvader had de leenheerlijke rechten als 'dominum directum' (oppereigendom) over Thedinghsweert, die in 1661 vererfd waren op diens zoon Johan († 1680), vader van Willem Frederik, in 1657 gekocht. Tot 1691 was er dus sprake van gedeelde eigendom van het adellijke huis met omringende 55 morgen.
In 1695 nam Willem Frederik van Brakell het verwin van een bouwing over van de weduwe van von Spies. Haar schoonvader Herman Spies von Büllesheim was door zijn huwelijk met Catharina van Rechteren in het bezit gekomen van de rechten op het verwin van de bouwing,Het huwelijk tussen Herman Spies von Büllesheim en Catharina van Rechteren: Catharina's overgrootvader Adolf van Rechteren was gehuwd met Catharina de Cock van Oppijnen († 1549) die bij haar huwelijk door uitboedeling de rechten op het verwin van de bouwing Thedinghsweert ingebracht had. nadat in 1621 het transport plaats had gevonden van de magescheid (boedeldeling) die Johan van Rechteren heer tot Almelo overeengekomen was met zijn zuster Catharina, echtgenote van Spies, inzake het testament van hun vader, en dat op 26 februari 1621 bekrachtigd was. Repertorium op de Overstichtse en Overijsselse leenprotocollen 1379-1805, p. 406
Verwoesting en herbouw van het huis In 1783 kwam Thedinghsweert door vererving in het geslacht Quarles. Willem Quarles de Quarles (1717-1781) was in 1757 gehuwd met Louise Henriette van Wijhe, vrouwe van Tedingsweerd. Hun zoon Pieter Willem Lodewijk (1758-1826), onder meer raad, schepen en burgemeester van Tiel, zou in 1806 het landgoed Thedinghsweert bij veiling verkopen.