thumb|250px|Warren Hastings, portret door Johann Zoffany, rond 1783-1784, collectie van het Yale Center for British Art.

Warren Hastings (Churchill (Oxfordshire), 6 december 1732 – Daylesford (Gloucestershire), 22 augustus 1818) was een Engels koloniaal bestuurder en diplomaat in India. Hastings was de facto de eerste gouverneur-generaal van Brits-Indië tussen 1773 en 1785. Hij was een voorstander van het volgen van inheemse gebruiken in de opzet van het bestuur, maar onder zijn leiding werd het fundament gelegd voor de Britse heerschappij in India. Toen Hastings in 1785 naar Engeland terugkeerde werd hij van corruptie en wanbestuur beschuldigd. Na een jarenlang proces in het Britse parlement werd hij in 1795 vrijgesproken. In 1814 werd hij tot de Privy Council benoemd.

Levensloop Jeugd Warren Hastings was de zoon van Penystone en Hester Hastings, een arm echtpaar uit Oxfordshire. De moeder stierf toen hij nog erg jong was.Lyall (1920), p1 Hij bezocht Westminster School, waar hij een tijdgenoot was van de toekomstige premiers William Petty en William Cavendish-Bentinck en de dichter William Cowper.Turnbull (1975), p 17 In 1750 trad hij in dienst van de East India Company en na een lange zeereis arriveerde hij in augustus van dat jaar in Calcutta. Hastings verwierf als klerk een reputatie als een harde werker en bracht zijn vrije tijd door met het eigen maken van de cultuur en geschiedenis van India. Hij leerde zichzelf Urdu en Perzisch. In 1752 werd hij gepromoveerd naar de handelspost Kazimbazar in Bengalen, waar hij voor William Watts werkte.

De Britse handelsposten in het gebied bestonden destijds bij de gratie van de nawab van Bengalen, de oude Alivardi Khan. Khan dreigde opgevolgd te worden door zijn kleinzoon Siraj ud-Daulah, die anti-Britse sentimenten koesterde. De toekomst van de Britse kolonisten was daarom allesbehalve zeker. In april 1756 stierf de nawab en nam zijn kleinzoon de macht over. De kolonisten in Kazimbazar werden omsingeld en gaven zich op 3 juni over. Hastings en zijn landgenoten werden daarop naar Murshidabad gebracht waar ze gevangengezet werden. Hastings werd door Siraj ud-Daulah gebruikt als tussenpersoon. De nawab had ondertussen ook Calcutta ingenomen. De gevangengenomen Britten daar werden in een kleine cel ondergebracht, waar velen door verstikking en uitputting stierven. Het voorval kwam in de Britse kranten bekend te staan als "Black Hole of Calcutta".

Hastings, die zijn leven niet zeker voelde, wist te ontsnappen naar het eiland Fulta, waar zich Britse vluchtelingen verzameld hadden. Hier ontmoette en huwde hij Mary Buchanan, de weduwe van een van de slachtoffers van het incident in de cel van Calcutta. De vluchtelingen werden kort daarna gered door de troepen van luitenant-kolonel Robert Clive, die uit Madras (het huidige Chennai) gestuurd waren om orde op zaken te stellen.

Hastings diende als vrijwilliger in Clive's leger toen het in januari 1757 Calcutta opnieuw innam. De nawab sloot daarop een vredesverdrag met Clive. Hastings was opnieuw in positieve zin opgevallen en Clive zorgde ervoor dat hij in zijn oude functie in Kazimbazar hersteld werd. Het verdrag hield echter niet lang stand. Clive versloeg in juni 1757 met behulp van de verrader Mir Jafar Siraj ud-Daulah tijdens de slag bij Plassey. Deze overwinning maakte de Britten meesters van Bengalen en Clive stelde Mir Jafar aan als nieuwe nawab.

thumb|Warren Hastings, olieverfportret door Joshua Reynolds, 1767 of 1768.

Eerste verblijf in India In 1758 werd Hastings op aanraden van Clive benoemd tot resident aan het hof van de nawab van Bengalen in Murshidabad. Hoewel de resident officieel een soort ambassadeur is, regeerde de nieuwe nawab als een Britse marionet. Hastings' rol bestond daarom uit het aan de nawab doorgeven van bevelen van Clive of het bestuur van de Company in Calcutta.Turnbull (1975), p 27-28 Hastings sympathiseerde met Mir Jafar en geloofde dat veel van de bevelen en eisen van de Company aan de nawab te ver gingen. Hij was voorstander geworden van het scheppen van begrip bij de inheemse bevolking en heersers, waardoor hij vaak als bemiddelaar optrad tussen de Company en de nawab.

Mir Jafar nodigde in het geheim de Nederlandse V.O.C. uit zich in Bengalen te vestigen, in de hoop de Nederlanders tegen de Britten uit te kunnen spelen. De Britten maakten met de slag bij Chindura (1759) echter een einde aan de Nederlandse ambities in Bengalen. Een nieuwe gouverneur, Henry Vansittart, vond dat Mir Jafar niet langer te vertrouwen was en besloot hem af te zetten ten gunste van zijn schoonzoon Mir Qasim. Hastings liet Calcutta weten deze stap te betreuren, en dat de Company Mir Jafar steun verschuldigd was. Hij ontwikkelde een eveneens goede relatie met de nieuwe nawab, maar werd in 1761 teruggeroepen als resident en tot de Calcutta Council benoemd.

In Calcutta voerde Hastings onderzoek uit naar corruptie en wanpraktijken van Britse en andere Europese handelaren. Sinds Plassey hadden veel handelaren de gewoonte opgevat zonder toestemming onder de Britse vlag te varen, omdat ze wisten dat de lokale belastingbeambten niet tegen de Britten durfden op te treden. Hastings deed voorstellen om deze gang van zaken aan te pakken. De Council, waarvan veel leden zichzelf op deze manier verrijkten, besloot zijn voorstellen echter niet aan te nemen.Turnbull (1975), p 36-40 Hastings overwoog zijn functie neer te leggen, maar moest zijn beslissing uitstellen wegens de uitbraak van nieuwe vijandigheden.

Mir Qasim had Europese huurlingen in dienst genomen, die zijn leger moderniseerden en de slagkracht verbeterden. Hij kwam tot een geheim akkoord met de nawab van Avadh en de Mogolkeizer, Shah Alam II. In 1764 greep hij een onenigheid met de Britse bestuurders in Patna aan om het Britse garnizoen in de stad te overrompelen en te dreigen zijn gevangenen te executeren als Calcutta militaire actie tegen hem ondernam. De Company stuurde desondanks troepen naar Patna en de nawab liet zijn gevangenen, onder wie de lokale Britse resident, terechtstellen. Er volgde een serie veldslagen, culminerend in de slag bij Buxar (oktober 1764), die door de Britten gewonnen werd. Mir Qasim was gedwongen te vluchten en de Mogolkeizer werd gedwongen een nadelig verdrag te tekenen, waarbij hij de Britten het recht op belasting in Allahabad afstond. Hastings was gedesillusioneerd geraakt door de loop der gebeurtenissen en keerde in december 1764 terug naar Engeland.

thumb|250px|Warren Hastings, portret door Tilly Kettle, datum onbekend.

Tweede aanstelling in India In tegenstelling tot andere koloniale beambten, had Hastings geen fortuin vergaard in India. In Londen leefde hij echter op grote voet, en al snel raakte hij diep in de schulden. Hij zag zich gedwongen opnieuw in dienst van de Company te treden. In de Company had Hastings echter veel vijanden gemaakt, waaronder een van de bestuurders, Laurence Sulivan. Deze animositeit liep uit op een duel. Omdat geen van beiden ooit een revolver hadden aangeraakt, schoot Hastings min of meer per ongeluk Laurence in de zij. Deze vond daarin voldoende reden om zijn kruistocht tegen Hastings voort te zetten hetgeen uiteindelijk leidde tot ''impeachment" van de laatste. Zijn sollicitatie was daarom aanvankelijk onsuccesvol. Opnieuw hielp Robert Clive Hastings, door hem tegen Sullivans wens in de functie van plaatsvervangend bestuurder van Madras te bezorgen.

Hastings vertrok uit Dover in maart 1769. Onder de passagiers van Hastings' schip bevonden zich de Duitse baron Imhoff en zijn vrouw. Met de laatste begon Hastings een affaire. Het echtpaar zou daarop een scheiding aanvragen, maar het duurde tot 1777 tot de Duitse autoriteiten groen licht gaven en Hastings met de barones kon trouwen.

Hastings kwam kort na het einde van de eerste oorlog tussen Mysore en de Britten (1767-1769) aan in Madras, gedurende welke de stad bedreigd was door de troepen van Haider Ali, de sultan van Mysore. Tijdens Hastings verblijf in Madras volgden nog drie oorlogen met Mysore, maar anderszins was het een rustige periode voor hem. Hastings hervormde de handelspraktijken in de stad, wat zowel de lokale ambachtslieden ten goede kwam als de inkomsten van de Company deed stijgen.Turnbull (1975), p 52 In 1771 werd hij benoemd tot gouverneur van Bengalen in Calcutta. Net als zijn vriend Clive was Hastings van mening dat de drie Britse presidenties in India (Madras, Bombay en Calcutta) beter onder een bestuur verenigd zouden worden. De Company nam inderdaad stappen om de drie kolonies te verenigen en Hastings werd gezien als de logische keus voor de functie van gouverneur-generaal.

Gouverneur-generaal In 1773 werd Hastings in de nieuwe functie van gouverneur-generaal benoemd. Al zijn beslissingen moesten door een vijfkoppige bestuursraad (de Calcutta Council) worden goedgekeurd. Hastings zou een goed deel van zijn tijd als gouverneur-generaal bezig zijn met zijn beslissingen door de raad te voeren. Zijn grootste vijand was Philip Francis, die de rest van de raad tegen Hastings opzette. Aan deze vijandschap lag een politiek verschil van inzicht ten grondslag. Hastings organiseerde de belastingheffing in Bengalen op dezelfde manier zoals dit onder de nawabs van Bengalen gebruikelijk was geweest: door het recht belasting te heffen te verlenen aan de hoogste bieder. Francis daarentegen was aanhanger van het in Frankrijk opgekomen fysiocratisme, waarin de staat slechts de grondeigenaars belast en de handel verder vrijlaat. Hastings negeerde Francis' voorstellen echter stelselmatig.

Onder Francis' invloed probeerden de bestuurders Hastings' beslissingen te dwarsbomen en ondernamen ze pogingen hem af te zetten. De hinder die Hastings in zijn positie ondervond van de bestuurders zou later voor zijn opvolger, Lord Cornwallis, aanleiding zijn te eisen dat de macht van de gouverneur-generaal stevig werd uitgebreid. De persoonlijke animositeit tussen Hastings en Francis leidde in 1780 tot een duel, waarin Hastings Francis verwondde, maar niet doodde.Harvey (1998), p 380

Het lukte Hastings desondanks wel het juridische systeem te hervormen. De diwan had onder de nawabs van Bengalen de facto slechts jurisdictie in de belangrijke handelscentra. Hastings liet nieuwe rechtbanken openen, die populair onder de bevolking werden. Bovendien leverden ze een bijdrage aan de schatkist, omdat de leges hoog waren. Als hoogste beroepsinstantie gold voorheen de diwan zelf, maar Hastings benoemde zijn jeugdvriend de jurist Elijah Impey in deze functie. Impey stelde procedures op voor de koloniale rechtbanken, gebaseerd op de Engelse rechtspraak.Kulke & Rothermund (2004), p 248

thumb|350px|De zesde panchen lama ontvangt George Bogle, de secretaris van Hastings, in Tashilhunpo. Hastings probeerde via de panchen lama in contact te komen met het keizerlijk hof in Peking. Olieverfschilderij door Tilly Kettle, rond 1775.

Hastings' beslissingen zich te mengen in conflicten tussen inheemse heersers hadden tot gevolg dat de invloed van de Britten groeide. In 1773 werden op Hastings' bevel in de Eerste Rohilla-oorlog troepen ter beschikking gesteld aan Shuja ud-Daulah, de nawab van Avadh. De Britten hielpen de Rohilla's te verdrijven uit het gebied ten noorden van Avadh. De nawab, die onder Britse invloed stond, kon op die manier zijn gebied uitbreiden. Verder verleende Hastings militaire steun aan de radja van Cooch Behar tegen Bhutanese plunderaars. Voorwaarde was dat de radja de Britten als soeverein zou erkennen. De Britse troepen verdreven de Bhutanezen in 1773 uit de duars (het lagere berggebied dat de opmaat tot de Bhutanese Himalaya vormt).