De preromaanse kunst is de kunst tussen de tijd van de Merovingen in de 6e eeuw tot het begin van de romaanse kunst in de 11e eeuw. Niet alle kunsthistorici zijn even gelukkig met deze benaming die werd gelanceerd door Jean Hubert in 1938,Jean Hubert, L'art préroman, Paris: Éditions d'art et d'histoire, 1938. omdat zij alleen maar aanduidt dat het kunst van voor de romaanse periode was.

Deze periode wordt vooral gekenmerkt door de opname van Romeinse en mediterrane elementen in de Germaanse vormentaal en de daaruit resulterende nieuwe mengvormen die naar de romaanse kunst leidden.

In Ierland, Schotland en Northumbria ontstond de Anglo-Ierse of Insulaire stijl, een mengvorm van Keltische, Byzantijnse en Anglo-Saksische elementen. De insulaire kunst werd naar het continent gebracht door missionarissen die zich in Gallië vestigden en er kloosters stichtten.

In het Frankische rijk evolueerde de Merovingische via de Karolingische kunst die een hoogtepunt bereikte tijdens de Karolingische renaissance naar de Ottoonse kunst die dan weer sterk werd beïnvloed door de contacten met Byzantium. De Karolingische kunst gaat over in de romaanse kunst in het West-Frankische Rijk; de Ottoonse kunst ligt aan de basis van de romaanse kunst in Oost-Francië.

Politiek-dynastieke indeling miniatuur|Muiredach's High Cross, Monasterboice in Ierland.

Insulaire kunst

Ook insulaire kunst is een begrip dat niet zeer duidelijk gedefinieerd is. Engelse bronnen noemen het meestal de kunst van de Britse eilanden en Ierland in de periode van 600 tot 900Catherine E. Karkov, 'Insular Art', Oxford Bibliographies. terwijl Ierse bronnen de nadruk leggen op het ontstaan in Ierland. De insulaire kunst ontstond in Ierland uit elementen van de plaatselijke Keltische kunst en de Romeinse en Byzantijnse voorbeelden die naar Ierland waren gebracht door Romeinse missionarissen. Ze werd door Ierse missionarissen die naar Schotland trokken meegenomen en kwam zo terecht in Northumbria. De insulaire kunst is vooral bekend om zijn metaalwerk, manuscripten en gebeeldhouwde hoge kruisen die vanaf de 7e eeuw ontstaan in Ierland'Celtic High Cross Sculptures (c.750-1150 CE)'. en later overgenomen worden in vooral Schotland en Northumbria.Ook over waar de eerste high crosses werden gemaakt en opgericht raken de Ieren en de Engelsen het niet eens. De Ierse kunststijl vermengt zich met de Anglo-Saksische stijl in Engeland omstreeks 900. De insulaire stijl blijft in gebruik in Engeland tot de komst van de Normandiërs, in Ierland tot de 12e eeuw waarna hij overgaat in de romaanse stijl.

Anglo-Saksische kunst miniatuur|left|Schouder gesp van Sutton Hoo, vroege 7e eeuw De term Anglo-Saksische kunst wordt gebruikt voor de kunst die tijdens de volksverhuizingen door de Angelsaksen werd meegebracht naar Engeland en zich daar verder ontwikkelde. De Anglo-Saksische kunst beleefde een hoogtepunt in de 7e en 8e eeuw, waarvan de grafgiften uit Sutton Hoo getuigen. Een van de best gekende Anglo-Saksische kunstwerken is ongetwijfeld het tapijt van Bayeux dat omstreeks 1070 in Engeland geborduurd werd voor Odo van Bayeux een halfbroer van Willem de Veroveraar. Naast de architectuur, beeldhouwkunst, edelsmeedkunst en emailkunst, waren ook ivoorsnijkunst en de boekverluchting belangrijk. De edelsmeedkunst was waarschijnlijk de voornaamste kunsttak, maar er is vrij weinig bewaard gebleven omwille van de plunderingen door de Vikingen in de 9e eeuw.

Merovingische kunst

miniatuur|Baptisterium van Sint-Johannes in Poitiers. Met de opkomst van de Merovingische dynastie (481-754) ziet men in het rijk van de Franken stilaan nieuwe kunstvormen ontstaan.

De edelsmeedkunst stond hoog in aanzien bij zowel Franken als Kelten en was de kunst bij uitstek voor het vervaardigen van machtsymbolen (scepter, ceremoniële zwaarden, kromstaf), reliekschrijnen en dergelijke. Goudsmeden zoals Sint-Elooi waren belangrijke personen. Hij werd adviseur van Dagobert I en verzorgde het smeedwerk voor het grafmonument van Dionysius van Parijs (saint Denis). De Merovingische edelsmeedkunst ging eigenlijk terug op de Keltische traditie, met toevoeging van enkele Frankische en christelijke elementen.

Op het gebied van de bouwkunst is er nagenoeg niets overgebleven. Het bouwen van kerken beperkte zich dikwijls tot het aanpassen van Romeinse gebouwen of tempels. Een zeldzaam voorbeeld van architectuur uit deze periode is het baptisterium van Sint-Johannes in Poitiers.

Karolingische kunst

miniatuur|Gravure van de Paltskapel in Aken zoals ze er zou uitgezien hebben in de middeleeuwen. Onder Karolingische kunst verstaat men de kunst die ontstond in de periode tussen 780 en 900, tijdens de regering van Karel de Grote en zijn directe opvolgers. Naast de architectuur met onder meer de Paltskapel, een deel van de Akense koningspalts nu een deel van de Dom van Aken, de edelsmeedkunst en de schilderkunst die we vooral kennen van de boekverluchting, is een van de grote verwezenlijkingen van de Karolingen de redding van het Latijn en de klassieke cultuur. Tijdens de Karolingische periode werden de werken van Latijnse auteurs zoals Virgilius, Horatius, Terentius, Quintilianus, Seneca en Cicero gekopieerd in de scriptoria van de abdijen, op initiatief van de geleerden die Karel aan zijn hof verzameld had.

Indeling per kunsttak Bouwkunst

miniatuur|left|<center>Kerk van de drie heiligen in Split (9e-11e eeuw Het begrip preromaanse kunst omvat een aantal vrij verschillende stijlen, hoewel kunsthistorici een aantal gemeenschappelijke kenmerken herkennen, zoals biaxialiteit, geen overeenkomst tussen de binnenruimte en de uitwendige bouwstructuur, verborgen binnenruimtes en ruimtelijke discontinuïteit.Vladimir P. Goss, PDF:Is there a pre-romanesque style in architecture?, Peristil, Vol.25, 1982, pp. 33-50

In Spanje kennen we de Asturische kunst uit een aantal gebouwen van de Asturische koningen in de 8e tot de 10e eeuw. Ze mengden Visigotische elementen met de Romeinse voorbeelden.

In Engeland en Ierland had men een Anglo-Saksische stijl die na de verovering door Willem de Veroveraar zou overgaan in de Normandische stijl. Er zijn geen kerken uit die periode gaaf bewaard gebleven. Er zijn wel een aantal kerken die Anglo-Saksische roots hebben, maar in de meeste daarvan is het Anglo-Saksische gedeelte erg beperkt en dikwijls is het moeilijk het onderscheid te maken tussen het Anglo-Saksische en het Normandische gedeelte.

Kroatië heeft een bijzonder rijke erfenis uit de preromaanse periode, men kan er meer dan 150 preromaanse bouwwerken terugvinden die gebouwd werden tijdens de heerschappij van de Kroatische hertogen en het koninkrijk Kroatië. In de 7e en 8e eeuw bouwden de Kroaten kleine gebouwen met de materialen en decoratieve elementen van in puin gevallen Romeinse gebouwen. Aanvankelijk baseerden ze zich op Frankische en Byzantijnse voorbeelden maar al snel ontwikkelden ze een heel eigen stijl. De romaanse stijl breekt pas door tegen het einde van de 11e eeuw. Ook Midden-Europa leverde zijn eigen versie van preromaanse bouwwerken.Zygmunt Świechowski, 'L'architecture préromane et romane en Pologne après les explorations archéologiques récentes', Artibus et Historiae, Vol. 19, No. 37 (1998), pp. 177-199.

Beeldhouwkunst miniatuur|Reliekkastje uit Brescia (Lipsanoteca di Brescia)

De preromaanse beeldhouwkunst produceerde vooral kleine sculpturen in brons, ivoor en goud en was beïnvloed door de vroegchristelijke kunst in Italië en door de Byzantijnse kunst. Andere invloeden kwamen uit het Midden-Oosten via de invoer van manuscripten, ivoorsnijwerk, goudsmeedwerk, keramiek en textiel. Van de volksverhuizers werden de geometrische versieringen, vlechtpatronen, grotesken en dierfiguren overgenomen. Monumentale beeldhouwkunst was zeldzaam in deze periode op het Europese vasteland. In Ierland en de Britse eilanden daarentegen werden vanaf de 7e eeuw de grote stenen kruizen gemaakt die versierd werden met Bijbelscènes en Keltische motieven. Het is pas met de bouw van de eerste grote romaanse kerken dat de monumentale beeldhouwkunst in continentaal Europa terug op gang zal komen.

Ivoorsnijwerk miniatuur|left|Franks Casket Het vroegchristelijke beeldhouwwerk beperkte zich omwille van de christenvervolgingen tot kleinschalig werk. Ivoor was hiervoor uitermate geschikt. De onderwerpen komen uit het Oude en het Nieuwe Testament. Een mooi voorbeeld hiervan is het zogenoemde Reliekkastje van Brescia, waarschijnlijk gemaakt in Milaan omstreeks het einde van de 4e eeuw.

In de Byzantijnse kunst vinden we ook ivoorsnijwerk. Belangrijke bewaarde werken zijn onder meer een boekenrug met Ariadne met maenaden, satyrs en amors (ca. 510), nu in het Musée national du Moyen Âge of Musée de Cluny, en het Barberinidiptiek (500-550) in het Louvre. De troon van Maximianus (543-553), aartsbisschop van Ravenna, die men kan bewonderen in het aartsbisschoppelijk museum daar, werd volledig versierd met ivoorsnijwerk. Het was een geschenk van keizer Justinianus I aan de aartsbisschop. Van de periode tussen 600 en 800 bleef nagenoeg niets waardevols bewaard, maar in de 10e en 11e eeuw kent de Byzantijnse ivoorsnijkunst een heropleving met werk als de Harbavilletriptiek (midden 10e eeuw),Triptique Harbaville, Louvre. bewaard in het Louvre, en de Borradaile Triptych (10e eeuw)Borradaile Triptich, British Museum. in het British Museum.

In de Angelsaksische en insulaire kunst werd ook aan ivoorsnijwerk gedaan en een mooi voorbeeld hiervan is het zogenoemde Franks Casket (8e eeuw)Het kistje van Franks, zo genoemd naar sir Augustus Wollaston Franks, die het kocht bij een antiquair in Parijs in 1857.The Franks Casket / The Auzon Casket, British Museum.

miniatuur|Boekplat van het Psalter van Karel de Kale. Ook in de tijd van de Karolingen wordt er nog volop ivoorsnijwerk gemaakt. Men snijdt religieuze objecten zoals kruisbeelden, relikwieschrijnen en dergelijke maar ook voor het maken van luxueuze boekplatten wordt ivoor gebruikt. Voorbeeld hiervan zijn de boekplatten van het Dagulfpsalter gemaakt op het einde van de 8e eeuw in opdracht van Karel de Grote. Een ander bekend voorbeeld is het boekplat van het Psalter van Karel de Kale.

Bij de Ottonen werd de ivoorsnijkunst in ere gehouden zoals men kan zien in een boekplat dat de kroning van Otto II en zijn Byzantijnse bruid prinses Theophanu voorstelt. Daarnaast zijn er de ivoren tabletten van het antependium dat Otto I liet maken voor de kathedraal van Maagdenburg (ca. 955) en waarvan nu 16 panelen verspreid zijn over een aantal musea. Er is onder meer een dedicatiepaneeltje bij waarin Otto de kerk opdraagt aan Christus

Uit de Karolingische en Ottoonse kunst ontstaat de romaanse ivoorsnijkunst die echter geen belangrijke rol meer speelt in het romaanse kunstlandschap.

Brons en edelsmeedwerk Brons miniatuur|left|Ruiterbeeldje van Karel de Grote of Karel de Kale Er zijn maar weinig bronzen objecten uit de Karolingische tijd bewaard gebleven. De best bekende werken zijn waarschijnlijk de bronzen deuren en de hekwerken van de galerijen van de dom in Aken. Daarnaast bewaard men in het Louvre een bronzen ruiterbeeld van Karel de Grote (of Karel de Kale), dat een gekroonde ruiter gekleed als een Romeins keizer voorstelt, die in zijn linkerhand een wereldbol houdt en in zijn rechterhand waarschijnlijk een (verdwenen) zwaard vasthield. Het beeldje (25 cm hoog) is waarschijnlijk in drie tijden gemaakt, paard, ruiter en hoofd van de ruiter, en het paard zou misschien een antieke brons zijn.Statuette équestre : "Charlemagne" ou Charles le Chauve, Louvre.

Edelsmeedwerk thumb|Voorplat van de Codex aureus van Sankt Emmeram.