thumb|Dakotaraptor steini Dakotaraptor steini is een vleesetende theropode dinosauriër, behorend tot de Maniraptora, die tijdens het late Krijt leefde in het gebied van het huidige Noord-Amerika.

De eerste fossielen van Dakotaraptor werden ontdekt in 2005. Het geslacht kreeg in 2015 zijn naam die zoiets als "rover van Dakota" betekent toen de typesoort Dakotaraptor steini benoemd werd. Van Dakotaraptor zijn maar beperkte resten bekend en een schedel ontbreekt nog.

Dakotaraptor werd vijf à zes meter lang en tweehonderd kilogram zwaar. Het was een tweevoeter waarvan de horizontale romp in evenwicht gehouden werd door een stijve staart die als een balanceerstok werkte. Hij was bevederd en had grote vleugels maar was als volwassen dier te zwaar om te vliegen. Aan zijn lange achterpoten had hij een grote sikkelklauw waarmee hij in een trappende beweging zijn prooi kon verwonden. Ondanks zijn grootte was Dakotaraptor tamelijk lichtgebouwd. Vermoedelijk joeg hij op wat kleinere planteneters die hij met hoge snelheid achtervolgde. De grotere planteneters in zijn leefgebied werden bejaagd door Tyrannosaurus rex. Die was kennelijk in het algemeen een succesvollere jager want Dakotaraptor lijkt vrij zeldzaam te zijn geweest.

Vondst en naamgeving In 2005 ontdekte Robert DePalma in een beenderlaag in Harding County, South Dakota een skelet van een grote dromaeosauride. Later werden op dezelfde locatie een kleiner skelet en losse tanden opgegraven, te midden van overvloedig overig fossiel materiaal dat in 2010 door DePalma in een master's thesis beschreven werd.

In 2015 benoemden en beschreven Robert A. DePalma, David A. Burnham, Larry Dean Martin, Peter Lars Larson en Robert Thomas Bakker de typesoort Dakotaraptor steini. De geslachtsnaam is een combinatie van de naam van de staat South Dakota — wat meteen beoogt werd als een verwijzing naar de stam de Dakota — met raptor, Latijn voor "rover". De soortaanduiding eert Walter William Stein, de directeur van het commerciële PaleoAdventures.

Het holotype, PBMNH.P.10.113.T, is gevonden in een laag zandsteen van de bovenste Hell Creek Formation. De laag bevindt zich slechts twintig meter onder de Krijt-Paleogeengrens en dateert dus uit het laatste Maastrichtien, ongeveer zesenzestig miljoen jaar oud. Het holotype bestaat uit een gedeeltelijk skelet zonder schedel van een volwassen individu. Bewaard zijn gebleven: een stuk wervellichaam van een ruggenwervel; tien staartwervels; een vorkbeen; beide opperarmbeenderen; beide ellepijpen; beide spaakbeenderen; het eerste en tweede rechtermiddenhandsbeen; drie stukken klauw van de linkerhand; het rechterdijbeen; beide scheenbeenderen; een linkersprongbeen; een linkerhielbeen; het tweede, derde en vierde linkermiddenvoetsbeen; het vierde rechtermiddenvoetsbeen; de tweede rechtervoetklauw; en de derde rechtervoetklauw. Daarnaast zijn verschillende botten toegewezen die meer lichtgebouwd waren en daarom geacht werden niet aan het holotype te hebben kunnen toebehoord. Wellicht behoren aan een tweede kleiner individu. Deze omvatten: PBMNH.P.10.115.T: een rechterscheenbeen; PBMNH.P.10.118.T: een verbonden linkersprongbeen en hielbeen; en KUVP 152429: een vorkbeen. Verder zijn vier losse tanden toegewezen: de specimina PBMNH.P.10.119.T, PBMNH.P.10.121.T, PBMNH.P.10.122.T, en PBMNH.P.10.124.T. De voornoemde fossielen maken grotendeels deel uit van de collectie van The Palm Beach Museum of Natural History in Florida. Ook toegewezen zijn een enkel los bot en een losse tand die bij een andere gelegenheid zijn opgegraven: NCSM 13170: een vorkbeen en KUVP 156045: een losse tand. De "vorkbeenderen" bleken later delen van schildpadschilden te zijn.

Beschrijving Grootte en onderscheidende kenmerken thumb|Dakotaraptor in grootte vergeleken met een mens Dakotaraptor is een grote dromaeosauride. De lichaamslengte is geschat op vijfenhalve meter wat een gewicht impliceert van een tweehonderd kilogram. Binnen de Dromaeosauridae is alleen Utahraptor duidelijk groter.

Behalve de grootte hebben de beschrijvers nog tien andere onderscheidende kenmerken vastgesteld. Op de vierde voetklauw is de bult voor de aanhechting van de pees van de buigende spier gereduceerd in grootte. De "bloedgroeve" op de buitenste zijkant van de vierde voetklauw is over de helft van zijn onderste breedte overkapt zodat een buisvormige beenstructuur ontstaat. De tweede en derde voetklauwen hebben een scherpe kiel aan de onderzijde. De tweede voetklauw, de "sikkelklauw", heeft ongeveer 29% van de dijbeenlengte. Op het scheenbeen is de kam van de crista fibularis lang en lichtgebouwd met een afstaande hoogte die niet groter uitvalt dan 9% van de lengte van de kam. De bovenrand van de crista fibularis loopt uit in een haak. Bij het tweede middenhandsbeen is van de onderste gewrichtsknobbels de buitenste haast even groot als de binnenste. De buitenzijde van het tweede middenhandsbeen heeft slechts een ondiepe groeve voor het kapsel dat het met het derde middenhandsbeen verbindt. Als de arm naar buiten gestrekt is, is de rand tussen het gewrichtsvlak van het tweede middenhandsbeen met de pols en het bovenvlak van de schacht in bovenaanzicht recht. De tanden hebben op de achterste snijrand vijftien tot twintig vertandingen per strekkende vijf millimeter en op de voorrand twintig tot zevenentwintig vertandingen.

Skelet Tanden thumb|Het hoofd van Dakotaraptor is onbekend De tanden hebben de algemene dromaeosauride vorm: ze zijn dolkvormig, afgeplat en hebben grotere vertandingen op de achterrand. Op de achterrand lopen de vertandingen door tot aan de basis van de kroon; op de voorrand houden ze na een derde van de randlengte op. De dichtheid van de vertandingen, hoewel op zich uniek, lijkt het meest op dat van Dromaeosaurus en Deinonychus.

De enige bekende ruggenwervel heeft een geschatte oorspronkelijke lengte van zeven centimeter. Door de beschadigingen is goed te zien dat de wervel sterk gepneumatiseerd is met veel luchtholten of trabeculae.

Wervelkolom Een wervel uit de middelste staart is bewaard gebleven. Die heeft door zich achterliggende positie al geen doornuitsteeksel of zijuitsteeksels meer. Wel zijn de voorste gewrichtsuitsteeksels extreem verlengd tot minstens dertien centimeter bij een centrumlengte van zeven centimeter. De draadvormige uitsteeksels moeten dus zeker twee voorliggende wervels overlapt hebben en wellicht veel meer want ze zijn afgebroken. Normaliter zouden tien wervels overlapt zijn bij een lengte van zeventig centimeter. Hun vorm lijkt op die van Deinonychus met een ovale dwarsdoorsnede aan de basis die uitloopt in een ronde dwarsdoorsnede. De uitsteeksels leiden tot de typische dromaeosauride verstijving van de staart. De wervel heeft een middengroeve op de onderkant. Verder is er een reeks van acht achterste staartwervels bewaard, vermoedelijk uit de posities dertig tot veertig. Deze wervels zijn langgerekt en smal, met nog steeds een lengtegroeve op de onderkant. Een van de wervels toont een geheelde verwonding, alsof er ooit iets zwaars op de staart heeft gestaan.

Voorste ledematen thumb|Het eigenaardige vorkbeen toegewezen aan Dakotaraptor (A) vergeleken met dat van andere theropoden; later bleek het een stuk van het plastron van een schildpad Het vermeende vorkbeen was afgeplat met een schijfvormige doorsnede overdwars. Iedere tak van het vorkbeen had een lengte van tien centimeter en liep uit in een afgeronde punt, zonder spits epicleidum. De onderzijde van het vorkbeen toonde vele kleine openingen, misschien met een pneumatisch karakter. De uiteinden van de takken hadden over een derde van de lengte aan beide zijden diepe evenwijdige groeven, vermoedelijk ter aanhechting van kapsels. Dit wijkt af van de situatie bij andere dromaeosauriden, maar lijkt op de toestand bij moderne vogels. Van bezijden bezien lagen de takken in één vlak, zonder naar achter te krommen. De takken ontmoeten elkaar in een afgerond hypocleidum met een ondiepe trog op de achterzijde. Ondanks de afronding had het vorkbeen meer een V-vorm dan een U-vorm. Bij het holotype maakten de takken een hoek van 86° met elkaar; bij de andere twee gevonden vorkbeenderen waren de hoeken 87° en 88°. De morfologie van het vorkbeen is zeer eigenaardig voor een theropode en een studie door Hans-Dieter Sues stelde nog in 2015 dat het bij de gevonden furculae in feite gaat om delen van het schild van schildpadden, vermoedelijk het entoplastron van Axestemys splendida, een lid van de Trionychidae. In 2016 werd dit door de beschrijvers toegegeven en in een corrigendum verwijderden ze één vorkbeen uit het hypodigma en de andere twee uit het toegewezen materiaal.

Het opperarmbeen heeft een lengte van ongeveer tweeëndertig centimeter. De deltopectorale kam loopt vrij geleidelijk in de schacht over, net als bij Bambiraptor maar anders dan bij Deinonychus. De schacht is lang en slank met een ovale dwarsdoorsnede. De schacht is iets naar binnen gebogen, anders dan bij de rechte schacht van Deinonychus. De ellepijp heeft een lengte van zesendertig centimeter. Dat maakt dat bovenarm en onderarm samen 22% langer zijn dan het dijbeen. De ellepijp is langwerpig met een ronde dwarsdoorsnede maar toch vrij robuust als bij andere grote dromaeosauriden, zoals Utahraptor en Achillobator. De ellepijp is licht gebogen; de buiging geldt als een aanpassing aan het vliegen. De verbredingen aan de uiteinden wijzen op relatief sterke kapselverbindingen. Op de uitstekende lengterichel aan de onderzijde van de schacht zijn in het midden tien gelijkmatig verdeelde papillae ulnares zichtbaar met een doorsnede van acht tot tien centimeter. Deze bulten dienden als aanhechtingspunten voor de remiges secundarii, de slagpennen van de onderarm. Hun grote doorsnede wijst erop dat dit aanzienlijke veren moeten zijn geweest. Bij het holotype zijn de richels beschadigd en als ze over de volle lengte van het bot doorliepen was er ruimte voor ongeveer vijftien bulten. Veertien soortgelijke aanhechtingspunten zijn aangetroffen op de onderarm van Velociraptor. Ze vormen een directe aanwijzing voor de aanwezigheid van een verenkleed zodat Dakotaraptor bewijsbaar tot de gevederde dinosauriërs behoort. Dat was overigens gezien de verwantschappen van Dakotaraptor al erg waarschijnlijk en een afwezigheid van de papillae impliceert ook geen afwezigheid van de veren: veel moderne vogels missen ze. Ze zijn vooral een teken dat de vleugel zwaar belast werd en dus kennelijk functioneel gebruikt. Het is wel gedacht dat grote dromaeosauriden als Utahraptor geen verenkleed bezaten omdat ze ook zonder wel warm konden blijven maar Dakotaraptor weerlegt die hypothese. Het onderste gewrichtsvlak heeft een driehoekige dwarsdoorsnede. De schacht van het linkeropperarmbeen toont een botafwijking die vermoedelijk het gevolg was van schade door een stoot. Het spaakbeen heeft een lengte van tweeëndertig centimeter. Het is tamelijk robuust en recht met een ronde tot D-vormige dwarsdoorsnede.