Het wapenrecht is in de heraldiek het recht om een wapen te voeren.Rottier en Van de Cruys (2006) p. 283 Men kon dit recht verkrijgen door verovering, doordat de vorst het verleende en bij adelverheffing. De eenvoudigste manier was door vererving van voorouders. (1446) De Studio Militari

Wapenrecht in de zin van recht als wetsorde geldt voor Nederland niet omdat Nederland inzake het wapenrecht geen 'door dwang gehandhaafde gedragsregels waarop de overheid toeziet' kent, hetgeen voor meer landen geldt.

Het voeren van een familiewapen is in Nederland vrij voor elke burger. Het is nooit een exclusief recht voor de adel geweest. Het enige exclusieve recht voor de adel is het voeren van het bij koninklijk besluit vastgestelde familiewapen. Dit exclusieve recht geldt eveneens voor de enkele burgerwapens die bij koninklijk besluit of bij besluit van de Hoge Raad van Adel zijn vastgesteld, en bij de Hoge Raad van Adel zijn geregistreerd.Wolleswinkel (2012) p. 197

Voor het wapenrecht voor het Koninklijk Huis gelden afwijkende regelen.Wolleswinkel (2012) p. 142-186

Historische ontwikkeling van het wapenrecht in Nederland De Noordelijke Nederlanden en het huidige Nederland kenden en kennen in beginsel geen in rechte handhaafbaar recht op wapens, niet in het oud-vaderlandse recht en niet in het huidige recht. Gevolg hiervan is dat heraldische wapens in Nederland niet wettelijk beschermd zijn.

Middeleeuwen miniatuur|rechts|Riddertoernooi tussen 1470 en 1475 De eerste wapenvoerders waren ridders.De Boo (1982) p. 45, 1ste alinea, Ridders waren de eerste wapenvoerders: men moest daadwerkelijk met het zwaard omgord zijn om een wapen te kunnen voeren.Het heraldisch wapen was oorspronkelijk een herkenningsteken voortgekomen uit de behoefte ridders in de strijd te herkennen. Voor 1200 was het voeren van een wapen voorbehouden aan de hoge adel, de eerste helft van de 13e eeuw aan lage adel, daarna gingen ook burgers een wapen voeren. , "Ridderschap in Holland: portret van een adellijke elite in de late middeleeuwen" bladzijde 252. Uitgave: Verloren 2002. Het recht van het voeren van een wapen verkreeg men niet door hoge geboorte of een functie als regerend heer nadat men zijn vader in leen opgevolgd was, maar door de ridderlijke waardigheid. De ridderlijke waardigheid verkreeg men door verheffing als ridder nadat men de ridderslag ontvangen had. Het betrof onvrijen uit de ministerialiteit die door hun heer tot ridder geslagen werden. (1962) Ministerialiteit en ridderschap in Gelre en Zutphen (Arnhem) Nadien kon dit recht verkrijgen door verovering, doordat de vorst het verleende en bij adelverheffing. De meest eenvoudige manier was door vererving van voorouders. Aan het einde van de twaalfde eeuw keerde de adel van onder andere Brabant en Midden-Nederland zich weer tot de ridderschap waardoor edelen, vrijen en ministerialen samen de ridderschap vormden en aan wie het wapenrecht toe kwam. In de dertiende eeuw was de juridische betekenis van het wapenrecht dat men behoorde tot de adel. (1976), 'De wapens van knapen in de 13de eeuw; in: De Nederlandsche Leeuw 93 k. 378-380 (1961), 'Les sceaux d'écuyers au XIIIe siècle', in: Schwizerisches Archiv für Heraldik, p. 19-29 In de middeleeuwen was wapenrecht een ongeschreven gewoonterecht.De Boo 1982 p. 45

De vroege wapenregistraties zijn vastgelegd in de wapenboeken. Bekend voorbeeld is het wapenboek van de heraut van Gelre. Ridders en herauten hadden de opvatting dat het wapenrecht alleen aan ridders toebehoorde. Dat was geen algemene opvatting. Een van de gezaghebbendste juristen uit het midden van de veertiende eeuw, Bartolus de Saxoferrato (1313-1357) bediscussieerde het wapenrecht in zijn Tractatus de insigniis et armis ('verhandeling over onderscheidingstekens en wapens').Bartolo's De Insigniis et Armis Hij stelde dat eenieder het recht heeft een wapen aan te nemen, mits men daarmee niet het wapen van een ander usurpeerde, wederrechtelijk voerde. Een wapen behoefde niet door een vorst of autoriteit verleend te worden.

Veel andere juristen waren van mening dat de vorst het alleenrecht had een wapen te verlenen. Ook in Frankrijk en Engeland waren juristen deze mening toegedaan, waarschijnlijk onder invloed van de toenemende macht van het centrale gezag van de vorst. Uit historisch onderzoek door de gezaghebbende Franse heralducus Paul Adam-Even (1902-1964) is echter gebleken dat in het middeleeuwse Frankrijk elke vrije het recht had een wapen te voeren.Recueil du IVe congrès international des sciences généalogique & héraldique (1958)

Nadat de ridderklasse gesloten was en men slechts opgenomen werd als men riddermatig van geboorte was, en onderdeel van de adelstand geworden was, werd in de Noordelijke Nederlanden vanaf het midden van de 14e eeuw het wapen erkend voor iedere vrije man. Men kon het eenmaal gevoerde wapen vrij verkopen, schenken of in leen geven zonder toestemming van een regulerende autoriteit. Het wapen kwam na overlijden in de nalatenschap waardoor de oudste zoon het erfde. (1968), De Vlaamse adel voor 1300, 4dln, Handzame. Het voeren van wapens vanaf de aanvang van de late middeleeuwen behoorde niet tot het exclusieve voorrecht van ridders. Zij wendden wel als eersten een wapen aan als onderscheidingsteken in een veldslag. Nochtans was men vrij een oorspronkelijk wapen te voeren ongeacht de maatschappelijke klasse waartoe men behoorde. In de Lage Landen was destijds de verhouding burgerlijke wapens tegenover de wapens van adellijke families zestig tegen een. Deze burgerlijke wapens waren eigendom van kooplieden, rechtskundigen, ambachtslieden en boeren. (1968), Heraldiek, Brussel, 1985.

Nieuwe tijd De absolute monarchieën kregen na de middeleeuwen de zeggenschap over het wapenrecht. In 1595 verbood Philips II voor de Zuidelijke Nederlanden voor niet-edelen het gebruik van helm en dekkleden bij wapens. In 1616 werd in het Zuiden een edict van kracht dat het onbevoegd voeren van een wapen helemaal verbood. In Frankrijk stelde Lodewijk XIV in 1696 een universeel register in waarvoor leges betaald moesten worden wat in twintig jaar zeven miljoen pond opleverde. Niet-geregistreerde wapens waren verboden.

In de Noordelijke Nederlanden kende men dit soort regelingen niet. Al in de veertiende en vijftiende eeuw zegelden ook niet-adellijke personen, zoals schouten en schepen, in zowel de steden als op het platteland, met wapens. Hugo de Groot, die volger was van Bartolus Saxoferrato, schreef in 1631 dat welgeborenen het recht hadden haer wapen ... opentlick te voeren (1631 Inleidinge tot de Hollandsche rechts-geleerdheid. boek I, deel 14, par. 9, ('s Gravenhage) Volgens zowel De Groot als Simon van Leeuwen was het wapenrecht door het gebruik algemeen geworden. (1664) Het Rooms-Hollands Regt, boek I, deel 9, par. 16, (Leiden)

In het vorstloze tijdperk van de Republiek werden geen adellijke wapens verleend, wel aan dijk- en (hoog)heemraadbesturen en nieuw-ingepolderde gebieden zoals de Schermer en de Beemster. Tijdens de Republiek ontbrak elk heraldisch gezag.

Sancties onrechtmatig gebruik Historisch zijn er weinig procedures bekend waarin het voeren van een heraldisch wapen in het geding was. En de enkele procedures die bekend zijn uit de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw waarin het wapenrecht betrokken was gingen in essentie over adeldom in verband met belastingvrijstelling of bevoegdheden in (ambachts)heerlijkheden. Of het ging om het verkrijgen van het wapenrecht, zoals blijkt uit de uitspraak van 20 december 1648 van het Hof van Gelre in de zaak Van Balveren. De natuurlijke dochter van vader Christoffel de oude, Johanna, wordt gewettigd. Zij wordt niet van adel maar blijft een burgerstandts persoene. Wel krijgt zij het recht de naam en het wapen van haar vader te voeren ... dat sij oock sal moegen voeren den naem ende wapenen van haeres vaders familie. (1985) 'Zeventiende-eeuwse Van Balverens' in: Liber Amicorum Jhr. Mr. C.C. van Valkenburg p. 259 ('s-Gravenhage)

Adellijk eergeweld Het (vermeend) onrechtmatig voeren van een wapen werd in de oostelijke Nederlanden tot in de zeventiende eeuw met de wapenen bestreden. De hoge mate van geweldsbereidheid tijdens de Republiek had bij de Oost-Nederlandse adel een lange en sterke traditie waar zelfs doden bij vielen.Onder Oost-Nederlandse adel wordt verstaan de adellijke families in Gelderland kwartier Zutphen met de westelijke IJsseloever op de Veluwe, Overijssel de kwartieren Salland, Twente en Vollenhove, en de zuidelijke dingspelen van Drente. Dit had te maken met het slecht ontwikkelde rechterlijk bestel en de gebrekkige traditie van staatsvorming in dit gebied, maar vooral met het adellijke eerbegrip. Adellijk eerbegrip verwees naar een door God op grond van 'edele' deugden verleende en door het bloed doorgegeven aanspraak op macht, voorrang en geweldsuitoefening. Een voorbeeld is Jan de Rode, die uit een Borculose bastaardlijn van de Rode van Heeckerens stamde, en met eergeweld te maken kreeg. Hij voerde het ongebroken wapen van De Rode, waarop de gebroeders Wolter en Joost de Rode van Heeckeren persoonlijk alle wapenglazen en wapenstenen van het huis in Borculo vernielden. (2003), 'Eer en geweld in de Oost-Nederlandse adelscultuur (1550-1700)' in: Virtus, jaarboek voor adelsgeschiedenis 10 Over Jan III van Arkel is een sage bekend waarbij hij een duel aanging met een Italiaanse edelman om het gevoerde wapen.

(Nieuw) Burgerlijk Wetboek thumb|left|120px|Familiewapen Rietstap De in het verleden gevoerde processen leiden niet tot de conclusie dat er in Nederland sprake is van een in rechte handhaafbaar recht op familiewapens. Al in het oud-vaderlandse recht en ook onder het (Nieuw) Burgerlijk Wetboek is men vrij elk wapen te voeren mits het niet al bij een ander in gebruik is. Het onrechtmatig voeren van een wapen is slechts aan te vechten als men kan bewijzen dat er sprake is van een onrechtmatige daad ingevolge art. 162 van het BW Boek 6 (voorheen art. 1401 Burgerlijk Wetboek).Burgerlijk Wetboek Boek 6: artikel 162 Een dergelijk bewijs is moeilijk te leveren.

Een voorbeeld van een geüsurpeerd familiewapen is dat van de heraldicus Johannes Rietstap. Het is opgenomen in zijn monumentale werk Armorial Général, 2e herz. en verm. druk, dl. II, pag. 572 onder de naam Rietstap (anciennement te Reestap et te Rietstap). In hetzelfde deel neemt de heraldicus op pagina 216 eenzelfde wapen op onder 'Meyer, P. d'Utrecht'. Rietstaps familie zal geen wapen hebben gehad. Zijn vader was boekhouder in Rotterdam, zijn grootvader kantoorbediende in Den Haag, diens vader kwam uit een boerengezin in Dinxperlo in Gelderland. Het wapen van de familie Meyer is beschreven in een manuscript van een wapenboek van vier families dat zich bevindt in het Museum Meermanno in Den Haag. De familie Meyer blijkt een aanzienlijk geslacht uit het Sticht te zijn. Er is geen alliantie Rietstap × Meyer bekend. Het is onwaarschijnlijk dat de grootmeester in de heraldiek gefaald heeft waarmee slechts overblijft dat hij zich het Meyer-wapen onrechtmatig heeft toegeëigend. 'Het Wapen Rietstap' in:Gens Nostra -ons geslacht- Jaargang XV (1960) p. 217 (Amsterdam)Gens Nostra (1960) p. 230-231. Kwartierstaat van Johannes Baptista Rietstap (1828-1891) met afbeelding van het familiewapen.