Klassieke semiotiek betreft de studie naar of denken over tekens en alle processen die daarmee te maken hebben, zoals die aangetroffen wordt in bronnen uit de klassieke oudheid.Zie Zoest 1978, p. 11. Tekens kunnen van velerlei aard zijn. Voor Grieken konden ze van mensen uitgaan, maar ook natuurlijk zijn. Daarmee houden tekens verband met taal en kennisverwerving, maar ook met het klassieke wereldbeeld. Aansluitend beslaat het klassieke denken over tekens tevens de poëtica en kosmologie (of, zo men wil, natuurfilosofie). De relevantie ervan zit hem er enerzijds in dat taal en kennisverwerving van wezenlijk belang zijn voor de mens, en anderzijds dat het onderzoek leidt tot een beter begrip van bijvoorbeeld literatuur, natuur en de dingen des levens. De studie naar tekens en hun functies zou van grote invloed zijn op het middeleeuwse denken.

Voor de oude Grieken was de kosmos gevuld met tekens, en het loonde de moeite die tekens te leren herkennen en duiden, maar ook om te begrijpen hoe men er eigenlijk kennis van kon krijgen. Het is vooral binnen de filosofie, geneeskunde, magie en religie, van de klassieke periode af aan, dat de studie naar tekens op gang kwam en relevant bleek. Vooral Plato, Aristoteles het stoïcisme en epicurisme zijn belangrijk, maar ook de meer mystieke, godsdienstige stromingen van het neoplatonisme en hermetisme (zie Westerse esoterie).

Terminologie Veel zaken kunnen als teken dienen en op verschillende manieren betekenen, en daarom is semiotiek nogal breed. Er zijn raakvlakken met hermeneutiek, semantiek en met concepten als symbool en allegorie. De laatste twee hebben in de loop der eeuwen echter verschillende invullingen gekregen,Zie Copeland and Struck (ed.) 2010. waardoor het te beperkt en ook misleidend zou zijn om in het artikel van bijvoorbeeld ‘klassieke allegorese’ te spreken. Andere begrippen, zoals hermeneutiek en semantiek, zijn te beperkt voor een bespreking van tekens en betekenis in het klassieke denken, vandaar dat voor semiotiek gekozen is. Het is evenwel goed om te bedenken dat klassieke bronnen zelf niet spreken van ‘de semiotiek’ als studierichting.

Sêma Het Griekse woord voor 'teken' was in principe sêma. Vandaar de neologismen semiotiek en semantiek. Preciezer geformuleerd kon dat woord verschillende dingen of eigenlijk soorten tekens aanduiden: een fysiek (merk)teken, zoals het litteken van Odysseus een gemodelleerd of getekend teken, zoals een vaasschildering een grafteken, zoals een grafheuvel of stele een schriftteken, zoals een letter een natuurlijk fenomeen, zoals de vlucht van een vogel of een bliksemflits een sterrenbeeld een verbale uiting die nadere interpretatie vereist, zoals een poëtische frase, profetie of spreuk exclusieve taaluitingen, zoals codetaal, een geheim of een test om iemand te laten bewijzen wie hij isE. Pellizer, in Posner, Robering & Sebeok (ed.) 1997, pp. 831-834 Vooral bij 7 en 8 gaat het om twee personen die iets specifieks communiceren. Het betreffende teken kan van goddelijke oorsprong zijn, of gemaakt met een contract, consensus of afspraak door meerdere partijen. Hier sluit de oorspronkelijke betekenis van symbolon op aan: 'pact' of 'plechtige conventie'. Men ging mettertijd echter ook andere woorden gebruiken voor 'tekens' en 'betekenen'.

Griekse filosofie In het archaïsche Griekenland was reeds de basis gelegd voor een semiotische benaderingswijze van de wereld door hun woordenschat.E. Pellizer, in Posner, Robering & Sebeok (ed.) 1997, p. 834. Theoretische semiotiek bestond echter nog niet onder de presocraten.E. Pellizer, in Posner, Robering & Sebeok (ed.) 1997, p. 835. Later zouden met name Plato, Aristoteles en vooral de stoïcijnen bijdragen aan dergelijke theorievorming.Voor een algemeen overzicht daarvan, zie Allen 2001.

Over het algemeen was voor Griekse denkers het teken (als object van studie) een natuurlijk fenomeen. Het doel was om epistemologische verbindingen in de waarneembare wereld aan te duiden, en niet om een uiterlijke wereld te verbinden met een innerlijke, onze psyche. Dat betekent dat filosofen woorden niet als specifieke tekens zagen, als 'brug' tussen de buitenwereld en het innerlijk. Woorden behoorden namelijk tot een proces van inferentie, en niet tot een proces van expressie. De blik was, zogezegd, naar buiten gericht, naar het ontdekken van verborgen dingen in de werkelijkheid.Cary 2008, pp. 18-19. Zo kenden de Grieken voorspellen en waarzeggerij (zie ook Magie). Die takken van sport konden niet zonder de notie van tekens. Zo konden dromen van voorspellende aard zijn (zie bijv. Artemidoros van Daldis). Om deze redenen kunnen Griekse ideeën over semiotiek niet zonder meer gecategoriseerd worden als ideeën over taal.

De ontwikkeling van semiotische theorieën was voor een deel een reactie op spiritualiteit en immaterialisme zoals hoofdzakelijk geïntroduceerd door Plato (universalia, ideeënleer, intuïtief kennen). Centraal hierbij stond de epistemologie. Voor empiristen was een tekenleer een materialistisch alternatief voor Plato's denkbeelden, waarbij de tekenleer een methode van inferentie inhield. Daarmee werden bijvoorbeeld wetenschappelijke bewijsvoeringen en demonstraties (apodeixis) ook gezien als tekens. De functie van tekens werd daarmee het zichtbaar/kenbaar maken van het niet-evidente, aldus de scepticus Sextus Empiricus (tweede eeuw n.Chr.).Cary 2008, pp. 37-38. Daarmee wordt het wetenschappelijke belang van het denken over tekens duidelijk: perceptie is altijd waar (aldus de epicuristen), en de waargenomen tekens leiden naar het niet-evidente/niet-duidelijke/ongekende. Zodoende kan nieuwe kennis verworven worden.J. Barnes, in J. Annas & R.H. Grimm 1989, p. 95.

Plato (427 - 347) thumb|184x184px|Driehoek 1. Semiotische driehoek op basis van Plato. Bovenhoek: betekenis. Linkerhoek: tekendrager. Rechterhoek: referent.left|thumb|128x128px|Plato. In Plato's dialoog Cratylus wordt duidelijk dat Cratylus, volgeling van Heraklitos, vond dat namen vast stonden en gepast waren voor de dingen zoals ze waren. Beiden dachten dat de ware betekenis van woorden gevonden kon worden door etymologische studie.Noth 1995, pp. 240-241. Volgens Plato kon de werkelijkheid echter niet goed gekend worden door middel van tekens, en verbale tekens gaven de ware aard van dingen in de natuur dan ook onvolledig weer. De studie van tekens leert dan ook niets over de werkelijkheid, maar geeft alleen inzicht in de denkbeelden van en in de mens. Bovendien is het krijgen van kennis door middel van verbale tekens indirect en ondergeschikt aan onmiddellijke kennis,Noth 1995, p. 15. via de nous, het vermogen ideeën intuïtief te begrijpen.Eco 1993, p. 49. Als het gaat om inzicht in de werkelijkheid, was Plato wel vaker kritisch: ook beeldende kunst, poëzie en allegorie verwierp hij, omdat deze slechts kopieën waren van de ideeën die we over de werkelijkheid hebben. De beelden die wij in ons hoofd hebben van de werkelijkheid waren volgens de filosoof in de eerste plaats afkomstig van de ziel zelf, en waren dus niet het gevolg van zintuiglijke indrukken.

Achter de waargenomen werkelijkheid, waarvan de kenbaarheid onderwerp van discussie was, scholen tot slot universalia, de ideeën die onafhankelijk van de concrete voorwerpen bestonden.Noth 1995, p. 18. Gezien de objectieve aard van de ideeën, valt hun betekenis nooit helemaal vast te leggen.Noth 1995, p. 98. De relaties tussen de aspecten van het teken volgens Plato (zie driehoek 1) werden verondersteld in de werkelijkheid te bestaan en objectief te zijn. Ze waren dus niet subjectief, ingebeeld of mentaal.Noth 1995, p. 84.

Twee dingen deed Plato al met al niet. Hij scheidde de geuite woorden niet van de woorden in de ziel, en hij ontwikkelde geen semiotische theorie over taal. Zo beschouwde hij denken (dianoia) en spreken (logos) als een en hetzelfde. Voor hem was het 'innerlijk' geen diepte, maar een soort boek waarin de gedachten neergeschreven werden als een persoon 'in zichzelf sprak' (dus aan het denken was).Cary 2008, p. 22. Voor Plato is dat ook waar het geheugen op neerkomt (zie zijn Phaedrus).

Aristoteles (384 - 322) thumb|182x182px|Driehoek 2. Semiotische driehoek op basis van Aristoteles.left|thumb|128x128px|Aristoteles. Volgens Aristoteles waren, blijkens de De interpretatione ('over interpretatie'), geschreven tekens symbolen (symbola) voor uitgesproken geluiden. Die uitgesproken geluiden zijn op hun beurt symbolen voor mentale indrukken (of affecties, pathemata), die in principe het evenbeeld zijn van de werkelijke dingen. Het object primeert dus, de rest is secundair, waarbij betekenis de mediator is van het ding (oftewel het referent).Noth 1995, p. 89. Dat Aristoteles spreekt van symbolen en niet van tekens (semeia, ev. semeion) is belangrijk en betreft een verschil dat in latere tijden veelal over het hoofd is gezien, vooral dankzij Boëthius. Terugkomend op bovenstaande opmerking dat woorden in principe niet als tekens gelden, is wel gesteld dat 'symbool' in deze context wil zeggen: 'iets wat een notatie is voor iets in een ander medium', waarbij men Plato's boekmetafoor in gedachten moet hebben. Het proces van woorden op papier zetten is daarmee feitelijk analoog aan het uitspreken van woorden. Stellen dat woorden tekens (semeia) zijn van affecten in de ziel is iets anders. Daarmee zou gesteld worden dat geproduceerde geluiden leiden tot inferenties over wat er in andere mensen en dieren omgaat, en dat zegt niets wezenlijks over hoe taal en betekenis werken.Cary 2008, p. 33. Het gebruik van symbolon voor taaluitingen herinnert overigens overigens aan de pythagoreeërs, die als onderwijsmethode symbolen gebruikten, omdat het van inzicht en vooruitgang getuigde als een leerling die wist te analyseren en te begrijpen.Jamblichus, Het leven van Pythagoras en de zijnen, 103-105. Ed. Van Rooijen-Dijkman 1987. Zie ook betekenis 8 van sema.

Aristoteles erkende dat mentale zaken en gebeurtenissen gelijk zijn bij alle mensen, maar dat alleen de taal dat niet is. Kikkers en gras zijn beide groen, en dat groen is een universeel, abstract gegeven. Men noemt dit realisme. Dat denkbeeld leidt ertoe dat de verschillen in de structuur van tekensystemen beperkt zijn tot de uitingen, en dus niet gaan over de inhoud (de mentale aspecten zijn immers altijd gelijk). Verder veronderstelde Aristoteles dat namen slechts als namen functioneren op basis van conventie, waarmee ze symbolen worden. Daarmee zijn ze dus niet natuurlijk en vaststaand, maar arbitrair.Noth 1995, p. 15. Hermogenes, volgeling van Parmenides, was ook van mening dat conventie en overeenkomst centraal stonden, p. 241. Net als Plato dacht ook Aristoteles echter dat de aspecten van het teken (zie driehoek 2) onafhankelijk van het denkende individu bestonden. Hij was echter wel empirischer ingesteld en hechtte meer waarde aan de zintuiglijke indrukken.Noth 1995, p. 474.

Aan het einde van zijn Analytica priora en in zijn Retorica gaat Aristoteles in op de logica van het teken. Het teken houdt verband met inferentie: 'Een ding (pragma) dat bestaat als iets anders bestaat, of wat gebeurt voordat of nadat iets anders gebeurt, is een teken van wat gebeurt of bestaat'.Cary 2008, p. 25. Dit type teken is gerelateerd aan 'waarschijnlijkheid' (eikos). Belangrijker is echter een ander soort teken, tekmerion, dat een 'zeker' teken is van datgene wat het betekent. Wat dit teken zeker en 'echt' maakt, is het feit dat het niet berust op veel onderliggende voorwaarden wanneer het wordt uitgeschreven in een syllogisme. Aristoteles geeft als voorbeeld: Alle vrouwen die melk geven hebben een kind gehad (teken); deze vrouw geeft melk; daarom was deze vrouw zwanger.