Het hertogdom Gottorp (Deens: Hertugdømmet Gottorp, Duits: Herzogtum Gottorf) of Sleeswijk-Holstein-Gottorp (Deens: Slesvig-Holsten-Gottorp, Duits: Schleswig-Holstein-Gottorf) was een landsheerlijkheid die bestond uit delen van de hertogdommen Sleeswijk en Holstein. Het werd geregeerd door het huis Sleeswijk-Holstein-Gottorp, een zijtak van het huis Oldenburg. Het hertogelijke hof was tot 1713 gevestigd in het kasteel Gottorp vlak buiten de stad Sleeswijk. In 1720 werd Kiel de hoofdstad.

Het territorium van het hertogdom Gottorp bestond uit verschillende niet aaneengesloten gebieden op het schiereiland Jutland. De noordelijke delen lagen in het hertogdom Sleeswijk, de zuidelijke in Holstein. Sleeswijk was een leen van het koninkrijk Denemarken, Holstein maakte deel uit van het Heilige Roomse Rijk. Binnen het Rijk waren de hertogen van Gottorp vertegenwoordigd in de Rijksdag en de Nedersaksische Kreits.

Het hertogdom Gottorp ontstond in 1544, na de verdeling van de hertogdommen Sleeswijk en Holstein tussen koning Christiaan III van Denemarken en zijn jongere broers Johan de Oudere en Adolf. Ondanks de deling werden Sleeswijk en Holstein door de hertogen als een geheel bestuurd. De landgoederen van de kerk en de ridderschap stonden onder gezamenlijk bestuur, evenals de hoogste rechtbanken, defensie, de heffing van nieuwe belastingen en de tolinkomsten.

Vanaf 1580 was Gottorp, op het aandeel van de Deense koning na, het grootste hertogdom in Sleeswijk en Holstein. Het kasteel Gottorp ontwikkelde zich tot een cultureel centrum. In de tweede helft van de 17e eeuw raakten de hertogen steeds vaker in conflict met de Deense koningen. Na een oorlog met Zweden moest de Deense koning in 1658 zijn leenheerschappij over Gottorp opgeven. Tijdens de Grote Noordse Oorlog veroverde Denemarken het hertogdom. Sleeswijk kwam volledig in Deense handen, maar in 1720 kreeg hertog Karel Frederik zijn aandeel aan Holstein terug. Zijn zoon Karel Peter Ulrich werd in 1762 tsaar van Rusland. In 1773 stond Rusland het hertogdom in ruil voor Oldenburg aan Denemarken af.

Geschiedenis De verdeling van Sleeswijk en Holstein In 1533 volgde Christiaan III zijn vader Frederik I op als koning van Denemarken en Noorwegen en als hertog van Sleeswijk en Holstein. Tot 1544 regeerde hij mede in naam van zijn twee jongere broers, Johan de Oudere en Adolf. De positie van Christiaan III als koning van Denemarken was echter niet onbetwist: met steun keizer Karel V maakte Frederik II van de Palts in naam van zijn echtgenote Dorothea van Denemarken aanspraak op de Deense troon. Vanwege de dreiging van een keizerlijke invasie werd een verdeling van de hertogdommen Sleeswijk en Holstein onder de drie broers uitgesteld. Toen Christiaan III in 1544 de vrede sloot met keizer Karel V drongen Johan en Adolf aan op een deel van de hertogdommen.

Een aantal edelen kreeg de opdracht om Sleeswijk en Holstein in drie ongeveer gelijke delen te verdelen. Elk deel bestond uit gebieden die over beide hertogdommen verspreid lagen. Jaarlijks moesten de delen ongeveer 80.000 Mark opbrengen. De adellijke landgoederen en de kerkelijke gebieden die tijdens de reformatie niet geseculariseerd waren kwam onder gemeenschappelijk bestuur. De raden van de grootse steden moesten hun eed van trouw alle regerende hertogen zweren, ongeacht in welk gebiedsdeel ze lagen. Ook de inkomsten uit de tolheffing bij Rendsburg en Gottorp bleven gemeenschappelijk, evenals wetgeving, de heffing van nieuwe belastingen en de buitenlandse politiek.

Op 9 augustus 1544 ondertekenden de drie broers in Rendsburg het verdelingsverdrag. Als jongste broer mocht Adolf als eerste zijn deel kiezen. Zijn keuze viel op het Gottorpse deel dat bestond uit het Amt Gottorp met de stad Sleeswijk, de Ämter Aabenraa, Husum, Hütten, het landschap Eiderstedt en het klooster Mohrkirch in Sleeswijk en de Ämter Kiel, Neumünster, Oldenburg en Trittau, de kloosters Reinbek en Cismar en de stad Neustadt in Holstein. Christiaan III koos vervolgens het Sonderburgse deel, zodat Haderslev aan Johan viel.

Opbouw van het hertogdom thumb|Reinbeck thumb|Schloss Tönning Adolf kreeg bij zijn aantreden als hertog direct te maken met hoge schulden. Daarnaast was zijn macht beperkt door de gezamenlijke regering over de hertogdommen en het Unieverdrag dat de Staten van Sleeswijk en Holstein in 1533 met de Deense Rijksraad hadden gesloten. Volgens het Unieverdrag waren de hertogdommen en Denemarken verplicht elkaar tijdens oorlogen bij te staan.

Tijdens zijn regering probeerde Adolf zijn schulden af te lossen en zijn macht binnen de hertogdommen uit te breiden. In 1547 trad hij in dienst van keizer Karel V. Na het aftreden van deze keizer in 1556 werd Adolf raadgever van diens zoon en opvolger, Filips II. Met het jaargeld van 6000 gulden dat hij hiervoor ontving kon hij de hertogelijke financiën versterken.

Met behulp van zijn kanselier hervormde Adolf het bestuursapparaat. Hij richtte in Gottorp een centrale kanselarij en een centrale Rentekammer op, die verantwoordelijk was voor het bijhouden van de hertogelijke financiën. Voor de hervormingen werden de hertogelijke uitgaven verdeeld over de Ämter. Om zijn inkomsten te vergroten zette Adolf in op de uitbreiding van de wol- en textielhandel met Engeland. De hertog hoopte met de uitbreiding van Husum met de Hanzesteden te kunnen concurreren. Ook bezat Adolf zelf handelsschepen en had hij plannen voor de oprichting van een eigen handelscompagnie. Het grootste deel van de hertogelijke uitgaven werd echter nog steeds betaald met de inkomsten uit de Ämter en de landschappen.

Een groot deel van zijn geld investeerde Adolf in de bouw van nieuwe kastelen. Tussen 1572 en 1583 liet hij in Reinbek, Hussum en Tönning kastelen bouwen in de stijl van de Nederlandse renaissance.

Territoriale expansie Hertog Adolf wist het grondgebied van zijn hertogdom op verschillende manieren uit te breiden. In 1556 volgde hij zijn jongste broer Frederik op als bisschop van Sleeswijk. Het Amt Schwabstedt, het wereldlijke bezit van de bisschoppen van Sleeswijk, werd hierdoor praktisch een onderdeel van het hertogdom Gottorp.

In 1559 vatte Adolf het plan op om de boerenrepubliek Dithmarschen te veroveren. Officieel was Dithmarschen deel van het prinsaartsbisdom Bremen, maar in feite werd het bestuurd door leden van de invloedrijkste boerenfamilies. Koning Frederik II van Denemarken en Johan de Oudere eisten echter dat zij als mede-hertogen ook bij de verovering van Dithmarschen betrokken zouden worden. Op 13 juni 1559 versloeg het leger van de hertogen onder leiding van Johann Rantzau het boerenleger in de Slag bij Heide. De drie hertogen verdeelden Dithmarschen onder elkaar, waarbij Adolf het noordelijke deel van de voormalige republiek kreeg.

De hertog breidde zijn gebieden ook uit door landgoederen van de adel op te kopen. Daarnaast kocht hij in 1571 en 1575 kocht de Ämter Tremsbüttel en Steinhorst van de hertog van Saksen-Lauenburg. Toen zijn enige overlevende broer, hertog Johan de Oudere van Haderslev, in 1580 overleed maakte Adolf op basis van het Jutse recht (Jyske Lov) aanspraak op de volledige erfenis. Koning Frederik II eiste echter dat het hertogdom Haderslev volgens Duits erfrecht verdeeld zou worden. Pas toen de koning dreigde militair in te grijpen, gaf Adolf zijn verzet tegen de verdeling op. Gottorp werd uitgebreid met de Ämter Tønder, Løgumkloster en Bordesholm en de landschappen Strand en Fehmarn. Tijdens zijn regering had hertog Adolf het grondgebied van zijn hertogdom meer dan verdubbeld.

Opvolgingsperikelen Toen hertog Adolf in 1586 overleed was zijn opvolging nog onbeslist. Adolf had vier zoons, waarvan de twee jongste voorbestemd waren om geestelijke te worden. Adolf had in zijn testament bepaald dat Gottorp tussen zijn twee oudste zoons verdeeld zou moeten worden. De Staten van Sleeswijk en Holstein weigerden echter om twee hertogen te huldigen en zo toe te laten tot de gemeenschappelijke regering van de hertogdommen. Tegelijkertijd beweerden de staten dat zij het recht hadden om hun hertogen te kiezen, terwijl het hertogelijke huis ervan uitging dat de hertogstitel erfelijk was. left|thumb|Johan Adolf Nog geen jaar na de dood van zijn vader overleed Frederik II, nog voordat hij gehuldigd kon worden. Zijn jongere broer Filips volgde hem op. Bij zijn huldiging in 1590 weigerde hij de rechten de Staten te bevestigen. Het conflict met de Staten bleef echter beperkt door Filips vroegtijdige overlijden. Johan Adolf werd de nieuwe hertog van Gottorp.

Johan Adolf was door zijn vader voorbereid op een carrière als geestelijke. Op tienjarige leeftijd was hij tot prins-aartsbisschop van Bremen gekozen en in 1586 werd hij ook prins-bisschop van Lübeck. Bij zijn huldiging in 1593 accepteerde Johan Adolf het kiesrecht van de Staten.

In 1596 stond Johan Adolf het aartsbisdom Bremen af aan zijn jongste broer, Johan Frederik. Desondanks maakte Johan Frederik in 1603 aanspraak op een deel van het hertogdom Gottorp. In samenspraak met de Staten wees Johan Adolf deelname van zijn jongere broer aan de gemeenschappelijke regering af. Johan Frederik kreeg echter wel een aantal Ämter in het zuidoosten van het hertogdom toegewezen. Later droeg Johan Adolf ook het Prinsbisdom Lübeck af aan zijn broer.

In 1608 voerde Johan Adolf de primogenituur in, zodat alleen de oudste zoon van de hertog gerechtigd was om hem op te volgen. Daarmee werd een nieuwe verdeling van het hertogdom uitgesloten. Toen Frederik III zijn vader in 1616 opvolgde erkenden de Staten de erfopvolging en gaven ze hun recht om de hertogen te kiezen op. Om ook voor hun jongere zoons een adellijke levensstijl te garanderen, gebruikten de hertogen hun invloed om hen tot prins-bisschop van Lübeck te laten verkiezen.

Hofcultuur Zowel Johan Adolf als zijn zoon Frederik III spanden zich in om het prestige van het hertogelijke huis te vergroten. Beide vorsten hielden er een kostbare levensstijl op na en traden op als mecenas van kunstenaars en wetenschappers. Het kostbare hofleven zette de hertogelijke financiën echter steeds verder onder druk, waardoor de hertogen op zoek moesten naar nieuwe inkomstenbronnen.

Johan Adolf trouwde in 1596 met prinses Augusta van Denemarken, waarna zijn hof een koninklijke allure aannam. De hertog liet grote delen van kasteel Gottorp verbouwen. Daarnaast onderhield hij een hoforkest en bracht hij een omvangrijke bibliotheek bij elkaar.

De Dertigjarige Oorlog Denemarken en Gottorp waren door de gemeenschappelijke regering en het Unieverdrag van 1533 gedwongen om hun buitenlandse politiek op elkaar af te stemmen. Omdat de koning van Denemarken over veel meer middelen beschikte was de hertog van Gottorp in feite gedwongen om het Deense beleid te volgen. Tijdens de Zevenjarige Oorlog (1563-1570) en de Kalmaroorlog (1611-1613) tegen Zweden droegen de hertogen van Gottorp financieel bij in plaats van troepen te sturen. Het hertogdom Gottorp zelf werd tijdens deze oorlogen niet bedreigd, omdat de strijd zich vooral in Skåneland en op de Oostzee afspeelde.