De vestigingwerken van Maastricht zijn de vestingwerken of fortificaties van de Nederlands-Limburgse stad Maastricht, gebouwd over een periode van 1500 jaar om de stad en haar inwoners te beschermen tegen vijandige aanvallen.
De stad is vanaf de Romeinse tijd tot na 29 mei 1867 (toen de vestingstatus werd opgeheven) ommuurd en versterkt geweest. Door de eeuwen heen is er voortdurend gebouwd aan wallen, muren, poorten, torens, bastions, rondelen, kroonwerken en andere fortificaties. Grofweg kan men spreken over vier bouwperiodes: de Gallo-Romeinse versterkingen, de vroegmiddeleeuwse versterkingen, de middeleeuwse stadsmuren en de buitenwerken uit de 16e tot 19e eeuw. Eeuwenlang stond de vestingstad Maastricht bekend als het "bolwerk der Nederlanden", een vooruitgeschoven post van de Republiek der Nederlanden.Morreau (1979), p. XV.
Hoewel in de 19e eeuw grote delen van de stadsmuren (inclusief alle stadspoorten, op een na) en buitenwerken zijn geslecht, vormen de overgebleven vestingwerken (in totaal ca. 150 objecten met 30.000 m2 muurwerk en 11 km gangenstelsels) een voor Europa unieke staalkaart van een versterkte stad door de eeuwen heen.Vestingvisie (2010), p. 24.
Gallo-Romeinse versterkingen Archeologen hebben in de omgeving van Hoeve Caestert op de Sint Pietersberg, vlak bij de Belgisch-Nederlandse grens, restanten aangetroffen van een groot Keltisch en/of vroeg-Romeins oppidum uit de derde tot eerste eeuw voor Christus. De kern van dit Oppidum Caestert had een oppervlakte van circa 21 hectare en was aan drie zijden omgeven door muren, palissades en grachten. Aan de oostzijde bood de zestig meter hoge steilrand langs het Maasdal bescherming. De archeologische site ligt grotendeels in het Overbos in de Belgisch-Limburgse gemeente Riemst. Een smalle strook aan de noordzijde ligt op Maastrichts grondgebied. Volgens sommigen zou deze hoogtevesting het Eburoonse Atuatuca kunnen zijn, waar Julius Caesar de Eburonen onder leiding van Ambiorix in 54 voor Chr. verpletterend versloeg. Bewijs voor deze aanname is niet voorhanden.Zie 'Een opgraving heropgegraven. Onderzoek op het plateau van Caestert' op archeonet.be.
Rond het jaar 333 na Chr. werd in wat later het centrum van de stad zou worden, in het huidige Stokstraatkwartier, een laat-Romeinse versterking gebouwd met tien torens en twee poorten. Het Maastrichtse castellum (of castrum) bleef waarschijnlijk nog tot de Karolingische tijd in gebruik en diende voornamelijk om de Romeinse Maasbrug, een belangrijke schakel in de Via Belgica, te beschermen. Vermoedelijk in de negende of tiende eeuw werd de muur tot vrijwel op de fundamenten afgebroken. Van de Romeins-Keltische versterkingen resteren thans slechts (ondergrondse) muurfragmenten en funderingen, onder andere in de Museumkelder Derlon en in de pandhof van de Onze-Lieve-Vrouwebasiliek.Vestingvisie (2010), p. 25.
Vroegmiddeleeuwse versterkingen Karolingische versterking
thumb|350px|Vroegmiddeleeuws Maastricht met op de linkeroever van de Maas het castellum en de versterking rondom het Sint-Servaascomplex en op de rechteroever de vicus Wyck Door een aantal historici wordt getwijfeld aan de traditionele opvatting over de vroegmiddeleeuwse ontwikkeling van Maastricht. Deze ging uit van twee kernen (het laat-Romeinse castellum en het gebied rondom de Sint-Servaasabdij), die geleidelijk aan elkaar vast groeiden en pas aan het eind van de hoge middeleeuwen ommuurd werden.De tweekernentheorie zou tevens het ontstaan van de tweeherigheid van Maastricht verklaren. Auteurs als Frans Theuws, Piet Leupen en Titus Panhuysen neigen thans naar een visie waarin het castellum een minder belangrijke rol krijgt toebedeeld en een versterkt Sint-Servaascomplex samen met een op de rechter Maasoever in Wyck (vicus) gelegen burgerlijk centrum de hoofdrollen spelen.
Theuws vermoedt dat de ronde uitstulping in de latere stadsmuur de plaats aangeeft van een achtste of negende-eeuwse wal of ringwalburg om de Sint-Servaasabdij. De aanwezigheid van een koninklijke palts in het versterkte gebied, wellicht in 1825 op de zuidoosthoek van het Vrijthof opgegraven, zou die theorie ondersteunen.Theuws (2005), p. 94. Verder bestaan er geen tastbare bewijzen voor de vermeende laat-Karolingische versterking.
Ottoonse muur
Volgens Jocundus, de elfde-eeuwse schrijver van de Actus Sancti Servatii ("handelingen van Sint-Servaas"), bouwde hertog Giselbert II omstreeks 930 in Maastricht een novum murum (nieuwe muur) rondom het monasterium (de Sint-Servaasabdij) en het imperatoris palatium (de keizerlijke palts). Giselbert was van 929 tot 938 hertog van Lotharingen en maakte, volgens Jocundus, van Maastricht zijn hoofdstad.Theuws (2005), pp. 94-95. De hertogelijke palts van Giselbert en zijn opvolgers werd wellicht in 1988-1989 opgegraven aan de noordzijde van het Vrijthof, achter het Generaalshuis. Daarentegen is van de Ottoonse muur nog niets teruggevonden, hoewel Theuws de mogelijkheid open houdt dat de opgegraven fundamenten onder het Theater aan het Vrijthof geen palts maar restanten van een vroege stadsmuur betreffen, een suggestie die door Panhuysen wordt afgewezen.Theuws (2005), p. 99, met name noten 58 en 59. Verder zou de middeleeuwse benaming Boichgraeve of Borchgraeve voor de (droge) gracht langs de muur aan de oostzijde van het Sint-Servaascomplex kunnen verwijzen naar een oudere (ring)burgwal op deze plaats, hoewel bij een archeologische opgraving aan de Kommel in 1981 daarvoor geen aanwijzingen zijn gevonden.Theuws (2005), pp. 106-108, 116-117.Panhuysen (1984), pp. 97-102.
Middeleeuwse stadsomsluitingen Eerste stadsomsluiting thumb|350px|Eerste middeleeuwse stadsmuur met namen van poorten, torens en bolwerken op de linker Maasoever
In 1229 gaf de hertog van Brabant toestemming aan de Maastrichtenaren om een stenen muur ter bescherming van de stad te bouwen. Eerder bestond er al een aarden wal met daarop palissaden, maar deze was door de andere medeheer van het tweeherige Maastricht, de bisschop van Luik, in 1204 verwoest (zie Beleg van Maastricht, 1204). De in het tweede kwart van de dertiende eeuw gebouwde muur bestond voornamelijk uit kolenzandsteen, was 6 à 8 meter hoog en strekte zich op de westelijke Maasoever uit over een lengte van ongeveer 2,5 kilometer.Zie 'De Eerste Stadsomwalling' op maastrichtvestingstad.nl. Het riviertje de Jeker fungeerde als zuidelijke stadsgracht.
De eerste omsluiting van het stadsdeel op de linker Maasoever telde dertien poorten, waarvan zes Maaspoorten en zeven 'landpoorten'. Daarbij zijn de kleinere, tijdelijke doorgangen (poternes) en de kleinere waterpoorten niet meegerekend. De Maaspoorten zijn alle gesloopt. Van noord naar zuid: Veerlinxpoort, Molenpoort, Jodenpoort, Schuttenpoort, Visserspoort (later vervangen door de Batpoort) en Onze-Lieve-Vrouwepoort. Van de landpoorten is alleen de Helpoort overgebleven. De verdwenen landpoorten zijn, kloksgewijs vanaf de Helpoort: Minderbroederspoort, Looierspoort, Lenculenpoort, Tweebergenpoort, Gevangenpoort en Leugenpoort.
Van de eerste stadsmuur resteren verder de Onze-Lieve-Vrouwewal en Jekertoren langs de Maas (grotendeels herbouwd), enkele grotere muurfragmenten aan het Lang en Klein Grachtje, de Looiershof en de Looiersgracht in het Jekerkwartier, de zogenaamde Boichgraevemuur achter het Sint Servaasklooster, een muurdeel aan de Preekherengang en enkele kleinere muurfragmenten elders in de stad. Ook de straatnamen Grote Gracht en Kleine Gracht herinneren aan verdwenen delen van de oudste middeleeuwse muur.Vestingvisie (2010), p. 26.
Tweede stadsomsluiting thumb|350px|Tweede middeleeuwse stadsmuur met namen van poorten, torens en bolwerken op de linker Maasoever
Langs de uitvalswegen ontstond lintbebouwing, die een obstakel vormde voor de verdediging van de stad. Vanaf 1294 werden deze 'voorsteden' door middel van een nieuwe stadsomsluiting bij het stadsgebied gevoegd. Met de bouw van de tweede middeleeuwse muur verviervoudigde de oppervlakte van de ommuurde stad op de linker Maasoever. De bouw van de tweede muur nam, anders dan bij de eerste muur, ongeveer twee eeuwen in beslag. De nieuwe muur varieerde in hoogte van 6 tot 9 m en had een lengte van 3575 m (plus 850 m bestaande muur langs de Maas en bij de Helpoort). Er bevonden zich ongeveer veertig waltorens en vijf nieuwe stadspoorten in de muur: de Boschpoort, de Lindenkruispoort (na 1676 door een aarden wal ontoegankelijk geworden),Morreau (1979), p. 91. de Brusselsepoort, de Tongersepoort en de Sint-Pieterspoort. De oude Onze-Lieve-Vrouwepoort, de Veerlinxpoort en andere al langer bestaande Maaspoorten boden toegang tot de Maaskade. De eerste stadsmuur bleef tot halverwege de 17e eeuw als reserveverdedigingslinie gehandhaafd. In het gebied tussen de eerste en tweede muur vestigden zich diverse kloosters. De 14e-eeuwse stadspoorten werden na het opheffen van de vestingstatus in 1867 allemaal gesloopt. Van de tweede middeleeuwse stadsmuur resteert thans nog in het Stadspark een deel van de zuidelijke stadsmuur met enkele torens (waaronder de grotendeels gereconstrueerde Pater Vincktoren) en de waterpoort De Reek.Vestingvisie (2010), pp. 26-28.
Uitbreiding Nieuwstad
De tweede stadsomsluiting omsloot in eerste instantie nog niet de Nieuwstad, het gebied gelegen buiten de Helpoort, dat tot de Luikse heerlijkheid Sint Pieter behoorde. Eind 15e eeuw werden hier twee aarden bolwerken met een gracht opgeworpen.Koreman (1984), p. 18. In 1515-1517 werden de aarden fortificaties vervangen door stenen rondelen, later De Drie Duiven en Haet ende Nijt genoemd.Koreman (1984), p. 21. Rond 1550 werden er kazematten in de rondelen gerealiseerd, waar geschut kon worden opgesteld.Ubachs/Evers (2005), p. 373. Na het Verraad van Maastricht (1638) kreeg De Drie Duiven de nieuwe benaming De Vijf Koppen, naar de afgehakte hoofden die hier op een staak waren tentoongesteld. De Poort Waerachtig is geen middeleeuwse stadspoort, maar een 19e-eeuwse constructie in neogotische stijl, bedoeld om de verkeersdoorstroming naar de Nieuwstad te verbeteren.Vestingvisie (2010), p. 28.
thumb|275px|Middeleeuwse stadsmuur van Wyck met namen van poorten, torens en bolwerken
Wycker stadsomsluiting In het oostelijk stadsdeel Wyck liep de bouw van de stadsmuur niet geheel parallel met die aan de andere kant van de Maas. Wyck werd pas na 1318 ommuurd, alhoewel daar toen al minstens een eeuw een aarden omwalling aanwezig was. In de vijftiende eeuw volgde de bouw van een tweede enceinte, die aan deze kant van de Maas een veel geringere uitbreiding betekende. De twee stadspoorten van Wyck waren de Sint-Maartenspoort en de Duitse of Akerpoort. Eerstgenoemde poort werd om diverse redenen enkele malen verplaatst.
De Wycker Waterpoort, de Maaspunttoren, een deel van de Recentoren en een deel van de kademuur langs de Maas (Oeverwal en Stenenwal) zijn de enige zichtbare overblijfselen van de Wycker stadsmuur. Daarbij moet worden opgemerkt dat de Maaspunttoren een gedeeltelijke, en de Waterpoort een volledige herbouw betreft. In het plaveisel van de Avenue Céramique zijn de contouren van het Parmabastion aangebracht.
Buitenwerken thumb|275px|De buitenwerken van Maastricht Tegen het einde van de middeleeuwen ontwikkelde de oorlogsvoering zich in versneld tempo en boden de stadsmuren op den duur geen weerstand meer tegen het zwaardere geschut. Vanaf de zestiende eeuw werden om die reden buiten de stadsmuren buitenwerken aangelegd die de vijandelijke beschietingen op afstand moesten houden. Vooral in de zeventiende en achttiende eeuw dijde de gordel van bastions, hoornwerken, kroonwerken, lunetten, ravelijnen, kazematten en natte en droge grachten steeds verder uit. Als sluitstuk werden twee forten op de heuvels buiten de stad aangelegd. Van de oorspronkelijke 255 hectare buitenwerken is momenteel nog zo'n 79 hectare over.'Archeologisch en bouwhistorisch onderzoek Noorderbrugtracé', op noorderbrugmaastricht.nl (gearchiveerde link).