thumb|Poster door Amedée Lynen van de tentoonstelling 'Les Primitifs Flamands à Bruges' (1902) De benaming Oudnederlandse schilderkunst is een vertaling van de Duitse benaming Altniederländische Malerei die door Max Jakob FriedländerMax Jakob Friedländer, Die Altniederländische Malerei, 14 delen, Berlijn / Leiden, 1924-1937 ; herziene Engelse editie: Max Jakob Friedländer, Early Netherlandish Painting, 14 delen, vert. uit het Duits door Heinz Norden, Leiden / Brussel, 1967-1976. bedacht werd om de van het Frans afkomstige benaming 'Vlaamse Primitieven' te vervangen. De van oorsprong Duitse Erwin Panofsky, in 1933 gevlucht voor de nazi's naar de Verenigde Staten, nam in 1953 de benaming over in het Engels en lanceerde daarmee de verdere verspreiding in de Engelstalige wereld.Erwin Panofsky, Early Netherlandish Painting, Its Origins and Character, 2 delen, Cambridge Mass., 1953

Ontstaan van de benaming Friedländer was van oordeel dat de benaming 'Vlaamse Primitieven' niet de lading dekte en niet geëigend was om de schilderkunst van de vijftiende eeuw, voornamelijk tot stand gekomen in het zuidelijke deel van de 'Lage Landen'Ook een benaming waarmee het onderscheid gemaakt werd tussen de laag gelegen en de hoog gelegen gebieden in de Duitse en later ook de Bourgondische landen. accuraat te beschrijven. De belangrijke meesters in deze groep waren niet strikt 'Vlaams' in de betekenis van afkomstig uit het graafschap Vlaanderen. Ook was de omschrijving 'primitief' voor interpretatie vatbaar. Men bedoelde daar 'eerste', 'vroege' of 'aanvankelijke' kunst mee, van het Latijnse 'primus', maar deze omschrijving kon ook subjectief verstaan worden en kunsthistorici houden niet van subjectieve benamingen. Niettemin gebruikt men de benaming 'Hollandse Primitieven' om de vroege Hollandse schilders te benoemen, kent men in Frankrijk de Primitifs français en lagen de 'Italiaanse Primitieven' aan de basis van de naamgeving voor de 'Vlaamse Primitieven'.

De naam Altniederländische Malerei of 'Oudnederlandse schilderkunst' dekt, als men dezelfde redenering toepast, evenmin de lading, die bij een strikte interpretatie laat veronderstellen dat het over Nederlanders gaat in de hedendaags betekenis. Het begrip 'Nederlands' voor de Zuidelijke en de Noordelijke Nederlanden als geheel was vooral gebruikelijk van de 16e tot het begin van de 19e eeuw.

Huidig gebruik Men poneert, dikwijls zonder enige referentie, dat de meeste Nederlandstalige kunsthistorici bij voorkeur een vertaling van deze van oorsprong Duitse terminologie, hetzij 'Oudnederlandse schilderkunst' hetzij 'Vroegnederlandse schilderkunst', zouden gebruiken. Dit lijkt niet te kloppen met wat men in de literatuur vindt en wordt tegengesproken door de beschikbare bronnen. Als men de bibliografie doorneemt die recentelijk (2011) werd gepubliceerd door het Centrum voor de studie van de Vlaamse Primitieven, onderdeel van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium, vindt men alles terug wat tussen 1999 en 2009 gepubliceerd werd over de 'Vlaamse Primitieven'. De tabel hieronder geeft aan hoe dikwijls de opgegeven zoekterm in de bibliografie voorkomt (inclusief dubbele referenties).

+ Bibliografie Vlaamse Primitieven Zoekargument Aantal referentiesVlaamse Primitieven8Oudnederlandse ...0Vroegnederlandse ...0Early Netherlandish painting278Flemish primitives102Primitifs flamands52Ancienne peinture des Pays bas0Altniederländische Malerei14Flämische Primitive0Primitivos flamencos0Primitivi fiamminghi16

Het is dus zeker niet zo dat Nederlandstalige kunsthistorici het gebruik van 'Oudnederlandse schilderkunst' of 'Vroegnederlandse schilderkunst' verkiezen boven de 'Vlaamse Primitieven', niet voor het grote publiek maar ook niet voor hun publicaties.

Een studie van de publicaties die men kan terugvinden op Google Scolar bevestigt de resultaten van de bibliografie zoals men kan vaststellen in de tabel hieronder.Voor het zoekargument 'Early Netherlandish painting' werden uitsluitend publicaties in het Engels geselecteerd.

+ Publicaties op Google Scholar Zoekargument <1955 1955-85 1986-95 1996-05 2006-10 >2010'Vlaamse Primitieven'2320276376102'Oudnederlandse schilderkunst'100835'Vroegnederlandse schilderkunst'000031'Early Netherlandish painting'220240257379291233'Flemish primitives'9571329471114'Primitifs flamands'127184108211201269'Ancienne peinture des Pays bas'020000'Altniederländische Malerei'23368335489'Flämische Primitive'001111'Primitivos flamencos'161834616496'Primitivi fiamminghi'31151311

Men ziet dat de Duitsers de benaming 'Vlaamse Primitieven' niet meer gebruiken. In de Engelstalige literatuur komt men beide benamingen tegen met een voorkeur voor de Early Netherlandish painting en ook Nederlandstaligen of Franstaligen die een werk in het Engels publiceren gaan uiteraard de courante Engelse terminologie gebruiken. In het Nederlands, Frans, Spaans en Italiaans daarentegen zijn de 'Primitieven' blijkbaar heer en meester.

In moderne publicaties maakt men hoe langer hoe meer gebruik van de omschrijving 'Late gotiek' of 'Noordelijke renaissance' om de school van de Vlaamse Primitieven te benoemen. Lisa Deam schreef in haar studie van 1998 over het onderwerp, dat de meeste kunsthistorici vandaag de benaming 'Noordelijke Renaissance' gebruiken om hiermee het debat over 'Vlaams' of 'Nederlands' af te sluiten.Lisa Deam, Flemish versus Netherlandish: a Discourse of Nationalism, Renaissance Quarterly 51 (1998) pp. 1-33, p.2. De aanhangers van de eerste benaming zien in deze fase van de schilderkunst in de Bourgondische Nederlanden de laatste fase van de middeleeuwse kunst de promotoren van de 'Noordelijke Renaissance' zien er veeleer de start van de vroege moderne kunst in.

De achtergrond van een benaming Het nationalisme In de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw vierde het nationalisme hoogtij in Europa. Om het staatsnationalisme te ondersteunen gingen wetenschappers en dan vooral historici zich bezondigen aan cultuurnationalisme om een nog niet bestaande staat via de cultuurhistorie te rechtvaardigen zoals het geval was in Duitsland of om een bestaande staat een cultuurhistorische bestaansreden en achtergrond te geven zoals Henri Pirenne dat deed voor België.Om het bestaan van België te rechtvaardigen had Pirenne het over een civilisation commune ('gemeenschappelijke beschaving'): Henri Pirenne, Histoire de Belgique 2ième éd. 7 vols. Brussel, 1902-1932, vol. 1,viii-x.

De studie van de Vlaamse schilderkunst en haar catalogisering werd in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw duidelijk beïnvloed door de drang naar de ontwikkeling van een nationale identiteit van de Duitstalige historici waarvan Friedländer de exponent was en anderzijds het ontbreken en verzwijgen van een Vlaamse identiteit in het jonge België. Dit resulteerde in een jarenlang debat tussen kunsthistorici over het feit of de paneelschildering uit het Vlaamse gedeelte van het huidige België Vlaams was of Nederlands en de resultaten van deze strijd werden duidelijk in de terminologie die men ging ontwikkelen.

De toestand in België In het streven om Vlaamse kunst te recupereren voor Belgische doeleinden ging de overheid in Brussel vrij ver. Panelen die door de legers van Napoleon waren gestolen en meegevoerd naar Parijs werden bij hun terugkeer na 1815 betwist door de centrale overheid en niet terug gegeven aan de lokale eigenaars.Lisa Deam, 1998, pp. 7-8. De centrale overheid ging zelfs zo ver om de panelen van Adam en Eva van het Lam Gods over te kopen van de kerkfabiek van de Sint-Baafskathedraal in Gent. De lotgevallen van het Lam Gods illustreren deze verdeeldheid. Het werk was verdeeld geraakt tussen de Sint-Baafskathedraal in Gent, het museum in Brussel en het museum in Berlijn. Zelfs voor de tentoonstelling ‘Les primitifs flamands’ van 1902 in Brugge slaagde men er niet in het kernwerk van deze stroming tijdelijk terug samen te stellen.Lisa Deam, 1998, p. 11. Deze tentoonstelling was trouwens een onderdeel in de pogingen van de Belgische historici om de 'eeuwenoude Belgische beschaving' te promoten. De Vlaamse meesters werden gebruikt door Pirenne om te bewijzen dat de eenheid van het Belgische volk het resultaat was van een fusie tussen de Germaanse en Latijnse cultuur en rassen.Lisa Deam, 1998, p. 11 noot 3: Henri Pirenne, Histoire de Belgique 2ième éd. 7 vols. Brussel, 1902-1932, vol. 1,viii-xi.

Ook de malafide kunstverzamelaar Emile Renders, opdrachtgever van de vervalser Jef Van der Veken, mengde zich in de discussie door een artikel waarin hij beweerde dat Hubert van Eyck een fictief figuur was.Emile Renders, Hubert van Eyck, personnage de légende, hfdst. 4: Les légendes constituant la tradition gantoise, Parijs en Brussel 1933. Renders viel daarbij vooral Georges Hulin de Loo aan, die hij ervan beschuldige de 'legende' omtrent Hubert van Eyck aan te houden tot meerdere eer en glorie van Gent. Renders vond steun voor zijn discussie met Hulin de Loo bij Max Friedländer. In het kader van al deze gebeurtenissen zochten de kunsthistorici naar een gepaste naam voor deze schilderschool. Men gebruikte école de Bruges (Brugse School) en ancienne école néerlandaise (Oude Nederlandse School) in de negentiende eeuw maar na de tentoonstelling van 1902 was iedereen het eens met de Primitifs flamands.Lisa Deam, 1998, p. 12.

Vlaams of Nederlands Men kan stellen dat het 'Vlaams' in de naam alleszins kan bogen op een oude traditie, want in 1550 schreef Giorgio Vasari al over Jan van Eyck en zijn tijdgenoten onder de titel Di diversi Artefici FiamminghiGiorgio Vasari, Le vite dei piu eccelenti pittori, scultori e architetti. Strikt genomen zijn veel van de kunstenaars die men rekent tot de 'Vlaamse Primitieven' niet afkomstig uit het graafschap Vlaanderen. Men kan naast negen Brabanders, zes Vlamingen, twee Henegouwers, drie uit het prinsbisdom Luik, een uit het keurvorstendom Mainz, een Est, iemand uit Gelre, een uit Picardië twee uit Doornik, en twee uit Holland in de groep van de bij naam bekende Vlaamse Primitieven terugvinden. Het gaat dus over schilders uit de Zuidelijke Bourgondische Nederlanden en het prinsbisdom Luik, ook onder Bourgondische invloed, en twee Noord-Nederlanders, Gerard David en Dirk Bouts. Daarnaast zijn er Hans Memling uit het Rijnland maar die zou zijn opgeleid in het atelier van Rogier van der Weyden in Brussel en Michel Sittow uit Estland die zijn leertijd doormaakte bij Hans Memling in Brugge.Deze cijfers zijn gebaseerd op de lijst van bij naam gekende 'Vlaamse Primitieven' (Identified Masters) gepubliceerd in: Dominique Deneffe, Bart Fransen, Valentine Henderiks en Hélène Mund ,Early Netherlandish Painting a Bibliography (1999-2009) gepubliceerd als pdf-bestand in 2011 door het Centrum voor de studie van de Vlaamse Primitieven, onderdeel van het KIK/IRPA (Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium / Institut royal du Patrimoine artistique, Brussel) Uit het levensverloop van Memling, Bouts en David blijkt dat ze zich in Brugge en Leuven gevestigd hadden en zich waarschijnlijk in de eerste plaats Bruggeling en Leuvenaar voelden; het staatsnationalisme ontstond pas enkele eeuwen later. Op basis van de redenering die Friedländer toepaste zou men trouwens even goed kunnen zeggen dat Joost van den Vondel een Antwerpenaar was.

Waar Friedländer en veel anderen na hem volledig aan voorbij ging is dat Vlaams in 1904, bij de tentoonstelling over de 'Vlaamse Primitieven', niet meer de betekenis had van afkomstig uit het graafschap Vlaanderen maar sloeg op de gebieden in België waar Nederlands werd gesproken. In die zin kon het grootste gedeelte van de oude meesters als Vlaams kon betiteld worden.