Geschichte der Abderiten (aanvankelijk bekend als Die Abderiten: eine sehr wahrscheinliche Geschichte) is een roman van Christoph Martin Wieland bestaande uit vijf boeken, geschreven tussen 1773 en 1780. Het werk is een satire die zich in de Griekse stadstaat Abdera afspeelt. De eerste vier boeken spelen rond het jaar 400 v.Chr., het laatste is later gesitueerd, wellicht omstreeks 305 v.Chr. De historische nauwkeurigheid is evenwel slechts bijzaak; in de geest van het classicisme plaatst Wieland zijn historie in de Oudheid en noemt zichzelf een ‘geschiedschrijver’, maar de grote meerderheid van zijn personages is verzonnen en dient louter als raamwerk voor zijn sleutelroman. Dat concept vat hij trouwens letterlijk op: als nawoord geeft hij letterlijk „De sleutel tot de geschiedenis der Abderieten”, die in wezen banaal is. Naar eigen zeggen leed hij op een mooie herfstavond in 1773 aan een gebrek aan inspiratie, waardoor hij ontevreden met zichzelf was; hij beschouwde zichzelf als een domkop. Toen ging hij aan een tafel zitten en besloot de geschiedenis van Abdera te schrijven, een antiek staatje dat uit spreekwoordelijke domkoppen bestond. Mettertijd merkten hem steeds meer mensen op dat ze er hun eigen stad, notabelen of kennissen in herkenden; de allegorie van de roman is zodoende als het ware uit zichzelf ontstaan doordat het verhaal voor Wielands lezers een hoge herkenbaarheid bleek te hebben.
Ontstaansgeschiedenis Wieland begon aan Geschichte der Abderiten toen hij veertig jaar oud was; het werk markeerde het begin van zijn tweede grote periode van creativiteit. Op dat moment woonde hij in Weimar, alwaar hij als leraar van prins Karel August werkte, totdat hij 1775 met pensioen zou gaan. Tussendoor gaf hij een tijdschrift uit, Der teutsche Merkur. In 1781 werden alle vijf volumes van de Abderiten uitgegeven. Het verhaal is humoristisch en ironisch, en weerspiegelt de nonchalante vertelstijl die Wieland kenmerkt: hij schrijft in een Plauderton en spreekt de lezer geregeld rechtstreeks toe. De verhaaltechnische ontwikkeling is eenvoudig en overzichtelijk gehouden; dit is een gevolg van het feit dat Wieland de stof tijdens het schrijven verzon, zoals hij in hoofdstuk 6 van het eerste boek expliciet toegeeft, wanneer hij het over ene Gulleru heeft: „Denn, kurz und gut — ich weiß selbst kein Wort von allem dem, was Sie von mir wissen wollen; und da ich nicht die Geschichte der schönen Gulleru schreibe, so begreifen Sie, daß ich in Absicht auf diese Dame zu nichts verbunden bin.” (Want, kort gezegd: ik weet zelf niets van dat alles wat u van mij wilt weten; en daar ik niet de geschiedenis van de mooie Gulleru aan het schrijven ben, begrijpt u dat ik met betrekking tot deze dame nergens toe verplicht ben.) Gulleru wordt verderop in de roman dan ook nergens meer vermeld.
Verhaal
Voorbericht Wieland geeft een opsomming van antieke geschiedschrijvers en zegt dat het best mogelijk is, zijn boek als een geschiedenis van het menselijke verstand te lezen; echter, per slot van rekening is dat wat álle geschiedenisboeken moeten zijn.
Eerste boek. Democritus onder de Abderieten Na twintig jaar omzwervingen over de gehele wereld komt Democritus terug naar Abdera, de stad waar hij ooit geboren werd. De Abderieten zijn een trots volkje, dat zichzelf als kunstminnend en gecultiveerd beschouwt. Ze hebben prachtige tempels die helaas in kleine steegjes staan waardoor niemand ze ziet, en in hun raadszalen hangen rijkelijk gedecoreerde, expliciete schilderijen die elkeen die niet uit Abdera komt, volkomen ongepast zou vinden. Met grote trots verklaren ze dat geen enkele andere staat zo aangenaam om te wonen als Abdera is (ook al hebben slechts weinigen Abdera ooit verlaten en kunnen ze het dus nergens mee vergelijken). De enige andere stad waar ze naar opkijken, is Athene, en de Abderieten beschouwen hun stad als het Athene van Thracië. Abdera is een republiek; de dagelijkse leiding is in handen van de nomophylax en de archont Onolaüs. De proletarische klasse wordt door Pfriem vertegenwoordigd, een opvliegende voorzitter van de gilde der schoenlappers. In het parlement wordt gedebatteerd om te debatteren, niet om zaken te beslechten, en het belangrijkste is dat stemmingen vóór de lunchpauze afgelopen zijn. De stad heeft twee heiligdommen: enerzijds vereren de Abderieten Latona en anderzijds Jason, die ze van held tot god gepromoveerd hebben en wiens Gulden Vlies ze naar eigen zeggen bewaren.
Democritus heeft een heel rariteitenkabinet met zich meegebracht, en de nieuwsgierige Abderieten bestoken hem met vragen over zijn ontdekkingsreizen, niet omdat ze willen leren, maar omdat ze van spannende en ongeloofwaardige verhalen houden. Een parlementslid dat de dikke raadsman genoemd wordt en zichzelf belezen vindt, vraagt Democritus naar allerlei mythologische figuren waarover hij gelezen heeft en is ontgoocheld wanneer de filosoof beweert dat hij ze niet gezien heeft. Ze willen van hem niet geloven dat de mensen in Ethiopië zwart zijn en vinden het een belachelijk idee dat hij een zwarte vrouw genaamd Gulleru als mooi wil omschrijven. Deze Gulleru blijkt bij hem te wonen, al blijft onduidelijk waarom.
Geërgerd door de dwaasheid van zijn stadsgenoten trekt Democritus zich aan de rand van Abdera in een bos terug; de Abderieten wantrouwen hem toenemend en denken dat hij aan zwarte magie doet. Uiteindelijk zwicht hij onder de druk en maakt hen wijs dat hij weet hoe hij met vogels kan praten: hij vertelt hun een onzinnig recept om een draakje te maken dat die magische gave verleent. Ze geloven hem niet wanneer hij zegt dat het maar een grap was.
Tweede boek. Hippocrates in Abdera Kleine uitweiding over de filosofie van Democritus: volgens Democritus bestaat alles wat bestaat in de natuur. Daaruit volgt dat per definitie niets bovennatuurlijk kan zijn. Dit vinden de Abderieten een gevaarlijke gedachte. Hogepriester Strobylus is de behoeder van de heilige kikkers. Kikkers staan onder de hoede van de godheid Latona, omdat zij ooit enkele Miliërs in kikkers veranderde uit wraak omdat die haar tijdens een droogte niet uit hun vijver lieten drinken. De Abderieten stammen af van de Miliërs; bijgevolg zijn de kikkers rechtstreekse afstammelingen van hun voorouders. Ze leven in een heilige vijver en worden met veel respect en zorg behandeld.
Het gerucht doet de ronde dat Democritus ’s nachts door een buis naar de sterren kijkt en dat hij allerlei kruiden plukt; hij is waarschijnlijk gestoord. Wanneer hogepriester Strobylus echter verneemt dat hij enkele kikkers levend ontleed heeft, is hij zeer vertoornd omtrent deze blasfemie en trekt naar het huis van de filosoof om de zaak te onderzoeken. Democritus dient zijn beste pauw als avondmaal op, gevuld met gouden muntstukken; hierdoor wordt het oordeel van de priester veel milder. Strobylus gaat te rade bij de raadsman Thrasyllus, een neef van Democritus, die de zaak aan zijn sycofant doorgeeft. De sycofant besluit de raad voor te leggen, een medische expertise in te winnen. Hippocrates van Kos wordt ontboden om te onderzoeken of Democritus nog bij zijn volle verstand is.
Democritus en Hippocrates kunnen het meteen uitstekend met elkaar vinden. Na lange gesprekken treedt Hippocrates voor het parlement en verklaart dat zijns inziens Democritus kerngezond is, maar de Abderieten waarschijnlijk allemaal krankzinnig zijn. Hij raadt hun aan, een enorme scheepslading nieskruid te bestellen en verlaat stante pede de stad. De Abderieten zijn met verstomming geslagen.
Derde boek. Euripides onder de Abderieten Uitweiding over het culturele leven van Abdera. De Abderieten zijn immense liefhebbers van het theater. Hun voorliefde is dermate sterk dat de stadsraad ten minste tweemaal per week een toneelstuk met openbare gelden financiert, ten koste van andere noodzakelijke voorzieningen. Het actuele theaterstuk is steeds het voornaamste gespreksonderwerp op straat. Het is een teken van eerbaarheid voor de gehele familie indien ten minste één telg een werk geschreven heeft, en iedere zichzelf respecterende politicus heeft een toneelstuk gemaakt. De grote nationale dichters van Abdera zijn Hyperbolus, auteur van ruim 120 toneelstukken, en Thlaps, uitvinder van een nieuw genre, de Thlapsedie: dit is noch blijspel, noch treurspel, maar iets ertussenin. Paraspamus is een gewaagde vernieuwer, die gewelddadige stukken zonder tekst maar met veel bloedvergieten schrijft. De populairste actrice van Abdera is Eukolpis, omdat ze zo weinig mogelijk kleren draagt. Gryllus, de huidige nomophylax, beroemt zich erop een extreem productieve componist te zijn en partituren voor het theater op nauwelijks een week tijd te componeren.
De Andromeda van Euripides wordt in het nationale theater gespeeld, met oorverdovende muziek en in een regie van Gryllus. Het is de gewoonte in Abdera dat men na de voorstelling aan elkaar vraagt hoe het stuk bevallen is; het antwoord hierop luidt ‘zeer goed’. Ditmaal is er één man in het publiek die minder enthousiast is: hij heeft kritiek op de regie. De overige toeschouwers zijn hierdoor in de war; ze begrijpen niet hoe iemand niet onder de indruk van Gryllus’ regisseerwerk kan zijn, en Gryllus zelf wordt erbij gehaald. Dan blijkt dat de man Euripides zelf is, die onderweg is naar koning Archelaüs van Macedonië.
Na veel aandringen gaat Euripides ermee akkoord, de Andromeda zelf op te voeren met de troep die hem vergezelt; hij maakt er een uiterst sentimentele, kitscherige voorstelling van. Euripides bedoelt het sarcastisch, maar de Abderieten verkeren na de voorstelling in een dermate hoge graad van extase dat het stuk nog maandenlang op straat geciteerd wordt en de aria’s in elk steegje weerklinken.
Vierde boek. Het proces om de schaduw van de ezel Struthion is een tandarts uit Megara die reeds vele jaren in Abdera woont en geregeld naar de omringende dorpen in Thracië trekt om op de markten te staan. Op een hete zomerdag laat de ezelin waarop hij gewoonlijk rijdt het afweten; hij huurt een ezel bij een ezeldrijver genaamd Anthrax, die te voet naast hem mee stapt in de richting van de bestemming. Ze trekken onder een verschroeiende zon door een kaal terrein zonder de geringste begroeiing. Halverwege het traject wordt de hitte Struthion te veel; hij stapt af en gaat in de schaduw van de ezel zitten. Anthrax is hier niet mee opgetogen: hij heeft wel de ezel verhuurd, maar niet de schaduw, en eist dat de tandarts twee drachmen extra betaalt voor het gebruik van de schaduw. Struthion weigert resoluut meer te betalen voor iets wat volgens hem inherent in de overeenkomst was inbegrepen, waardoor het hier om contractbreuk gaat. Ze keren terug naar Abdera en leggen het geschil aan een rechter voor.
Philippides, de stadsrechter, heeft als grootste zwakte dat hij nooit een beslissing kan nemen en steeds diegene gelijk geeft die als laatste gesproken heeft. Dientengevolge tracht eenieder die voor de rechter verschijnt, zo veel mogelijk aan het woord te zijn en door de tegenpartij heen te praten. Na de ezel geïnspecteerd te hebben, besluit de rechter een officiële zitting voor het college van wijzen bijeen te roepen. Beide partijen gaan huns weegs, gesteund door hun sycofanten.